< Terug

De man op de bank

Aandachtspunten en valkuilen voor het pastoraat in relatie tot verslaving

Het is donderdagavond, ongeveer negen uur. Het is al donker en met een collega-ouderling ben ik op weg naar het tweede huisbezoek van deze avond, bij een gezin waar we niet zoveel bijzonderheden verwachten. We bellen aan en mevrouw laat ons binnen. Zodra we de kamer binnenkomen, ervaar ik een bepaalde ongemakkelijkheid. De spanning is om te snijden. Mijnheer zit op de bank. De drie kinderen in de tienerleeftijd zijn niet in de kamer en mogelijk naar hun slaapkamers ‘gezonden’.
Zodra we hebben plaatsgenomen, gooit mevrouw direct het hoge woord eruit: ‘Hij is verslaafd!’ Ze ondersteunt dit met een knik van haar hoofd in de richting van haar echtgenoot. Die schuifelt op de bank heen en weer en geeft de indruk dat hij het liefst weg zou willen vluchten uit deze onaangename situatie. ‘Nou, zo erg is het nu ook weer niet’, weet hij er met enige moeite uit te brengen. En vervolgens: ‘Ach, het heeft toch allemaal geen zin meer, waar doe ik het allemaal voor?’ Duidelijk is wel dat er het nodige aan de hand is. Zelf ervaar ik op dat moment een onzeker gevoel. Verslaving is niet iets waar ik veel verstand van heb en mijn beleving ervan is dat het een heftig probleem is. Dit wordt alleen maar erger als blijkt dat mijnheer al tien jaar in het verborgene worstelt met overmatig alcoholgebruik, en dat de maat voor zijn echtgenote nu vol is. Mijnheer is zijn baan kwijt, er zijn grote schulden ontstaan, er is ruzie met de kinderen en mevrouw wil het niet meer allemaal bedekken en verzwijgen. Dit huisbezoek was voor haar dé gelegenheid het grote geheim open te breken. Of wij een manier wisten om dit probleem aan te pakken en op te lossen? Ik zat daar met een groot gevoel van onmacht en wist niet waar te beginnen.

Als je als pastor, ambtsdrager, of lid van het pastorale team een dergelijke situatie meemaakt, kunnen er veel vragen op je afkomen. Wat moet ik doen? Hoe los ik dit op? Kan ik dit wel? Waar begin ik? Wat kan het pastoraat hier betekenen? Waar moet ik op letten en wat moet ik vooral niet doen? In dit artikel willen we een aantal aandachtspunten en valkuilen voor het pastoraat in relatie tot verslaving bespreken.

Verslaving ‘superzonde’?

Voor de pastorale praktijk doet het ertoe hoe je verslaving ziet. Voor veel mensen heeft verslaving een exclusief imago. In hun beleving is het een groot probleem, een uniek probleem, zeer moeilijk te verhelpen en een probleem dat bepaalde mensen treft. Heftig wellicht, maar bij ‘ons’ gebeurt dat niet. Als er sprake zou zijn van een rangorde, dan is verslaving wel een heel grote zonde. Voor de persoon die worstelt met een verslavingsprobleem kan dit een extra schuldgevoel betekenen.
Uiteraard heeft een verslaving gevolgen en is de uitwerking ervan soms zeer vernietigend en daardoor uniek, maar ik wil benadrukken dat het een menselijk probleem is. Een van de dingen die ons mensen kenmerken, is dat we soms dingen doen die we eigenlijk niet willen doen. We kunnen in strijd zijn met ons eigen handelen. De worsteling met verslaving kan hier onderdeel van zijn. Zo bezien is verslaving minder exclusief en meer een deel van een algemeen menselijk probleem, namelijk de macht van de zonde, die soms sterker is dan de wil van de mens. Het is goed om je dit te realiseren wanneer je als pastoraal werker in aanraking komt met mensen die worstelen met verslaving. Het inzicht dat verslaving ieder mens kan treffen, helpt bij een barmhartige, bewogen en betrokken houding. Vanuit deze houding mag je spreken over genade, liefde en de uitwerking daarvan.

Herder, hoeder, zorger

Als je terugdenkt aan het voorbeeld aan het begin van dit artikel, is het gemakkelijk voor te stellen dat de ouderling overspoeld werd met gedachten en ongemakkelijke gevoelens. Het ligt voor de hand dat hij zich realiseert dat dit geen ‘gewoon’ huisbezoek is dat hij na afloop kort met zijn collega kan evalueren, waarna ‘het adres’ ingepland kan worden voor volgend jaar, of over twee jaar. Nee, er is meer nodig. En dat meer doet een appel op het herderlijk en zorgend vermogen van het pastoraat. Preciezer gezegd: er wordt een beroep gedaan op het herderlijk en zorgend vermogen van de ouderling of de persoon die een pastorale taak heeft binnen de kerk of gemeente die hij vertegenwoordigt.

Het pastoraat is door de eeuwen heen altijd verbonden geweest met het beeld van de herder. Het Latijnse woord pastor betekent herder. Vanuit de joodse traditie is het vooral een uitdrukking van de liefdevolle zorg van God. Psalm 23 is bij uitstek de verwoording van hoe God deze zorg invult. Maar ook in Johannes 10, waar gesproken wordt over Jezus als de goede Herder, wordt duidelijk hoe de pastorale rol ingevuld mag worden. Aspecten die in deze Bijbelgedeelten naar voren komen, zijn: liefdevol, hoeden, beschermen, troosten, solidariteit, bijeenbrengen. Deze begrippen mogen ook kenmerkend zijn voor de pastorale zorg die aan verslaafden geboden wordt. Dat lijkt misschien een open deur, maar dat is het niet: juist in de ‘ontmoeting’ met verslaving kunnen deze algemene pastoraatsbegrippen sterk onder druk komen te staan. Immers, verslavingsgedrag kan zich mede laten kenmerken door onaangepast, egoïstisch, onbetrouwbaar en isolerend gedrag. Deze gedragingen komen weliswaar voort uit diepe pijn en verwonding, maar ze doen wel een beroep op het uithoudingsvermogen van de pastoraal werker. Een valkuil dient zich hier aan. Wanneer je het vertoonde gedrag persoonlijk opvat, kan dat de pastorale relatie negatief beïnvloeden. Stel je bijvoorbeeld voor dat de verslaafde niet betrouwbaar is gebleken in het contact, en dat jij als pastoraal werker je hierdoor persoonlijk afgewezen voelt. Als je dan uit het oog verliest dat het gedrag ook heel vaak een manier is geworden om staande te kunnen blijven, en reageert vanuit je persoonlijke gevoelens van afwijzing, verlies je objectiviteit en kom je op voor jezelf of voor je ‘eigen zaak’. Het gevolg kan zijn dat er een strijd ontstaat, een welles-nietes-gevecht, waardoor het liefdevol, vertroostend hoeden dreigt onder te sneeuwen. Een geestelijke olifantshuid kan je helpen om het uit te houden en op te trekken met de soms stekelige broeder of zuster: niet uit onverschilligheid, maar uit liefde, begrip en herkenning, trek je je niet alles persoonlijk aan. Ook wanneer je in het contact met de broeder of zuster die worstelt met een verslaving moet confronteren en begrenzend handelen, blijft de liefde van God je bron. Zoals Hij het heil en welzijn van de mens op het oog heeft, geldt dat ook voor jou als pastoraal werker.

Helen, bijstaan, begeleiden en verzoenen

In de literatuur worden vier functies van pastoraat onderscheiden: helen, bijstaan, begeleiden en verzoenen. Deze functies hebben een plaats binnen de pastorale relatie, die in wezen een geloofsrelatie is: de relatie tussen mensen is een relatie voor Gods aangezicht, waarbij geloofd wordt dat God ook zelf aanwezig is. Wat betekent dit voor de vier genoemde functies? De persoon die de pastorale begeleiding krijgt aangeboden, wordt in het vervolg van dit hoofdstuk de ‘pastorant’ genoemd.

Helen

Helen is gericht op de geestelijke gezondheid en het welbevinden van mensen.

Als pastor of pastoraal werker probeer je in de ontmoeting met de pastorant een klimaat te scheppen dat als helend en heilzaam wordt ervaren door de pastorant. Heling of genezing is het doel. Het gaat hierbij om het welbevinden van de ander, in de ruimste zin van het woord. Deze helende functie van het pastoraat kent een Bijbelse onderbouwing. God zegt immers zelf: ‘Ik ben de heere, uw Heelmeester’ (Ex. 15:26). Ook bij Jezus zien we dat genezing een belangrijk deel van Zijn taak hier op aarde was. Vanuit diepe bewogenheid en betrokkenheid werden mensen door Hem genezen (vgl. Mat. 14:14).

Wat betekent heling in het contact met iemand die worstelt met een verslaving? Als heling betekent dat de betrokkene vrij is van zijn verslaving, alle achterliggende problemen heeft verwerkt en opgelost, zijn leven weer op de rit heeft gekregen en een volwaardige eigen plek in de gemeente heeft teruggevonden, dan kan jou als pastoraal werker het gevoel bekruipen dat je daar niet voor toegerust bent en dat je dat nooit redt. Er zijn toch niet voor niets verslavingsklinieken waar specialisten zich bezighouden met de behandeling van verslaving, vaak een langdurig proces met vallen en opstaan, terugval en weer opnieuw beginnen? Inderdaad is heling in de zin van een verslavingsvrij leven niet het primaire doel van het pastoraat. De weg naar die heling toe is voor de pastor veel relevanter, en (een deel van) die weg mag je samen met de verslaafde bewandelen. Het samen optrekken op die weg kan volledig staan in het teken van heling. Het scheppen van een klimaat dat als helend en heilzaam wordt ervaren draagt immers bij aan herstel.

Daarnaast mag niet uit het oog worden verloren dat het heel worden van de mens ook verbonden is aan het geestelijk heil, en dat de pastor ook hier van betekenis kan zijn. Bij de functie ‘verzoenen’ zal ik daar verder op ingaan.

Terug naar de ouderling uit de inleiding. Na de eerste schok en het gevoel van onmacht en onzekerheid denkt hij na over de vragen: Hoe nu verder? Hoe kan ik hulp bieden aan deze man en dit gezin? Uiteraard is gebed op zo’n moment een essentieel element binnen het pastoraat, maar de ouderling ervaart ook de drang om iets te doen. En juist dat doen kan ook al staan in het kader van het begrip heling. Bij Jezus hebben we gezien dat Hij door ontferming werd bewogen. Van daaruit ging Hij over tot actie. Ook wij mogen vanuit ontferming en betrokkenheid een klimaat scheppen dat door de verslaafde pastorant als heilzaam wordt ervaren. Wat ontmoet hij in ons? Is dat veroordeling, afkeuring, afwijzing, stapelen van schuld, et cetera? Deze reacties kent hij al uit de omgeving of van zichzelf. Of ontmoet hij in ons ontferming, bewogenheid en betrokkenheid? Deze reacties dragen bij aan een heilzaam klimaat waarin heling mogelijk wordt. Dit betekent niet dat we alles maar goed vinden en over onze kant laten gaan, maar het kan wel een ruimte scheppen die ervoor zorgt dat de betrokkene mogelijk voor het eerst echt kwetsbaar en eerlijk over de situatie durft te zijn. En dat kan het moment zijn dat voor het eerst de weg naar herstel wordt ingeslagen. Samen kan dan gezocht worden naar een mogelijk vervolg. In dit vervolg kan ook doorverwezen worden naar een (christelijke) verslavingskliniek. Niet om daarna de handen ervan af te trekken, maar wel om gebruik te maken van passende expertise, die er ook voor zorgt dat het probleem de aandacht krijgt die het behoeft. De volgende functie van het pastoraat kan vervolgens een rol gaan spelen.

Bijstaan

Bijstaan heeft alles te maken met troost en bemoediging.

Als pastoraal werker probeer je in het contact met de pastorant te troosten en te bemoedigen. Hierin ben je ‘bij de ander’: nabijheid kan steun en troost bieden. Dat ‘bij de ander zijn’ is van groot belang. Daarin kunnen we als broeder of zuster de nabijheid van God symboliseren. In het Oude Testament zien we dat God als een moeder troost (Jesaja 66:13), maar ook als een herder het volk vertroost (Jesaja 40:1).

Van groot belang is dat de verslaafde en zijn naasten ervaren dat ze niet alleen staan. Er is iemand bij hen. Er is sprake van geborgenheid en veiligheid. Dat is een basisbehoefte die door het pastoraat geboden kan worden. Hierbij mag ook gewezen worden op het feit dat God als Trooster nabij is

In ons voorbeeld zou, bijvoorbeeld na een doorverwijzing, de ouderling afspraken kunnen maken met de zorginstelling over een bezoekregeling. Mijnheer blijft een schaap van de kudde en de herders houden in die zin ook een verantwoordelijkheid. Maar het is niet slechts een zakelijke verantwoordelijkheid. Het is ook juist een boodschap die zegt: ‘je hoort erbij, wij zijn bij jou, en we gaan samen deze weg!’

Eerder in dit boek werd duidelijk dat een verslaving verstrekkende gevolgen heeft voor de omgeving van de verslaafde. In ons voorbeeld zien we een vrouw die het meer dan beu is, kinderen die ruzie met hun vader hebben, grote schulden, baan verloren, kortom: grote puinhopen met grote consequenties. Pijn en groot verdriet bij naasten. Het is van belang dat het pastoraat ook oog heeft voor de omgeving en dat de pastor ziet waaraan naasten behoefte hebben. Troost en erbij blijven kan een start zijn in het herstel van het gevoel van geborgenheid en veiligheid, dat voor de omgeving van de verslaafde met regelmaat in duigen ligt. Met de start van een hulpverleningsproces is dus de taak van het pastoraat niet ten einde gekomen.

Begeleiden

Wanneer het geestelijk leven van een pastorant niet meer functioneert, mogen we iemand leiding en raad aanbieden, opdat zijn geestelijk leven weer tot bloei komt.

In het pastoraat aan de verslaafde mogen we richting geven. We mogen leidinggeven en als herder optreden. Bij Jezus zien we dat Hij de noodzaak van bewogen en betrokken leiderschap onderkende en noodzakelijk achtte. We hebben al gezien dat in Matteüs 14 werd gesproken over Jezus die met ontferming bewogen was. In een parallel gedeelte zien we dat er ook nog een motivatie wordt toegevoegd. ‘En toen Jezus uit het schip ging, zag Hij een grote menigte en was innerlijk met ontferming bewogen over hen, want zij waren als schapen die geen herder hebben; en Hij begon hun veel dingen te onderwijzen’ (Marcus 6:34). Schapen zonder herder! Dit raakte Jezus in het diepst van Zijn wezen en Hij begon te onderwijzen. In het contact met verslaafden mag je als pastoraal werker op een vergelijkbare manier ‘in het gat springen’ dat openligt. Wanneer het gat van de kwetsbaarheid en stuurloosheid je raakt, en je de behoefte aan herderlijke leiding voelt, mag je leidinggeven, richting wijzen en raad geven.

Bij Jezus zien we dat Zijn leidinggevende invloed gebaseerd was op wie Hij was als persoon en niet op basis van Zijn ‘functie’. ‘… want Hij onderwees hen als gezaghebbende en niet zoals de schriftgeleerden’ (Matteüs 7:29). Voor de pastoraal werker een mooie uitdaging. Ook wij mogen eerlijk onze pastorale invloed evalueren. Is die invloed gebaseerd op onze functie, of op wie we zijn als pastoraal werker, als mens? Werkelijk gezag komt voort uit wie we zijn als persoon en door wie we gekend zijn. De pastoraal werker die meent dat hij invloed mag en kan uitoefenen omdat hij deze functie nu eenmaal toebedeeld heeft gekregen, zonder dat hij dit doet vanuit een levende relatie met God, kan niet leren als gezaghebbende. Een duidelijk voorbeeld hiervan zien we in Handelingen 19. In het verhaal over de zonen van Skevas wordt duidelijk dat de relatie met Jezus het fundament is onder het uitoefenen van gezag.

Wanneer je begeleiding biedt en raad geeft, doe je dat op een manier waarbij de eigen verantwoordelijkheid van de pastorant geen geweld wordt aangedaan. Als pastoraal werker mag je met de ander overwegingen maken, maar die ander bepaalt zelf welke wegen hij in wil slaan. Resultaat van de (bege)leidende functie is dat mensen zich gesteund weten en leren vanuit de eigen levensovertuiging zelfstandig keuzes te maken.

Het gezin dat huisbezoek ontvangt en lijdt onder de consequenties van de verslaving van de echtgenoot en vader, is een kleine schare zonder herder. De sturing is weg, ouderlijk gezag staat zwaar onder druk, chaos dreigt of is er al, de echtgenote is radeloos. Onder invloed van zijn verslaving verwaarloost de heer des huizes zijn verantwoordelijkheden en laat het gezin eigenlijk in de steek. In een dergelijke situatie mag en kan het pastoraat ingrijpen, zonder de eigen verantwoordelijkheden van betrokkenen te passeren. Dat gebeurt wel in overleg en in afstemming met de pastorant en diens naasten. Hierbij kan typisch verslavingsgedrag de kop opsteken: de betrokkene kan zich egoïstisch, onbetrouwbaar en isolerend gedragen onder de druk van advies en leiding. Ook dan is erbij blijven en het uithouden het adagium. Je mag daarin vasthoudend zijn, zonder dat je de eigen wil van de verslaafde negeert. Daar waar een onveilige situatie voor de verslaafde of diens naasten ontstaat, verandert de situatie. Dan kan het zijn dat toch andere stappen noodzakelijk zijn en dat andere instanties worden ingeschakeld, zoals crisisdiensten, politie, of psychiatrie. Mits met grote zorgvuldigheid ingezet, kunnen ook deze interventies vallen onder herderlijk leiderschap.

Van belang is dat pastoraal werkers beschikken over een lijst met telefoonnummers van dergelijke instanties. Voor elke pastoraal werker moet duidelijk zijn welke procedures gevolgd moeten worden. Ook hier geldt dat je er de handen niet van af kunt trekken. Na dergelijke ingrijpende maatregelen is extra zorg nodig voor de naasten en, indien mogelijk, ook voor de verslaafde.

Verzoenen

Verzoenen richt zich op herstel van de relatie met de ander, met zichzelf, met God en met de schepping.

De verzoenende functie van het pastoraat heeft als doel de vervreemding op te heffen. Wanneer er sprake is van zonde en schuld, is er een breuk ontstaan. Die breuk kan zichtbaar zijn in intermenselijke relaties en in de relatie met God, maar ook in de manier waarop je je tot jezelf en de schepping verhoudt. Als er iets is wat verslaving doet, naast het verwoesten van het leven van de verslaafde zelf, is het wel het kapotmaken van relaties. Ons voorbeeld van het huisbezoek toont dit ook weer ondubbelzinnig aan. De vader heeft ruzie met zijn kinderen en de relatie met zijn vrouw staat onder grote druk.

Verzoening is kenmerkend voor de Bijbelse boodschap. De heilsgeschiedenis, die uitmondt in het verlossende werk van Christus aan het kruis, staat voortdurend in het teken van het herstel van de relatie tussen God en mens en die van mensen onderling. Het Onze Vader illustreert op een mooie wijze het belang van het vragen om vergeving van schuld aan God en het vergeven van schuld tussen mensen onderling (Matteüs 6:9-13).

Als er sprake is van reële schuld, heeft de functie van het verzoenen door het pastoraat een belangrijke plaats. Maar wat is reële schuld? Verslaving kan allerlei oorzaken hebben. Het is lang niet altijd zo dat de verslaafde er zelf verantwoordelijk voor was en is. Daar hoeft dus geen schuld te liggen. Het kan zelfs zo zijn dat iemand slachtoffer was of is. Dus de aanleiding voor verslavingsgedrag is niet altijd bepalend voor de schuld. De verslaafde blijft echter wel zelf verantwoordelijk voor zijn gedrag, ook als dat voortkomt uit zijn verslaving. Liegen, stelen, bedriegen, dreigen, mishandelen et cetera zijn gedragingen die voort kunnen komen uit een verslaving en waarvoor een verslaafde ook verantwoordelijkheid draagt. Hij kan niet zeggen: ‘Ik ben verslaafd, dus ik kan er niets aan doen dat ik tegen je gelogen heb.’ Dat iemand leugenachtig gedrag heeft ontwikkeld als overlevingsmechanisme is mogelijk wel begrijpelijk, maar ontslaat hem niet van de verantwoordelijkheid om waarheid te spreken. In Bijbels perspectief is er dan sprake van zonde en schuld.

De Bijbel laat een duidelijke weg zien van herstel van breuken in relaties als gevolg van verwoestend gedrag. Dat is schuld belijden voor God en mensen en elkaar in het intermenselijk verkeer vergeving schenken. Anders gezegd: herstel gaat samen met bekering en geloof. Het pastoraat kan daarin een belangrijke rol vervullen.

Verslavingsgedrag heeft vaak grote gevolgen, zoals duidelijk werd in ons voorbeeld van het huisbezoek. Timing is dan belangrijk als het gaat om het spreken over vergeving en verzoening. Is er werkelijk inzicht en berouw over wat er allemaal is gebeurd? Is het passend in het proces van de pastorant dat hij op dat moment gaat belijden, of is er sprake van een ‘vluchtig’ overgaan naar de volgende fase. ‘Ik ga snel belijden, dan krijg ik vergeving en dan kan ik weer verder.’ Over tot de orde van de dag. Op deze wijze kan zelfs het belijden een vermijdingsgedrag zijn dat ook kenmerkend is voor verslavingsgedrag. Als pastoraal werker is het goed om de snelheid van dit proces in de gaten te houden en de motieven van de betrokkene te bevragen. Vergeving en verzoening is pas mogelijk als de schuld ligt waar hij hoort. Voor de naasten is het van groot belang dat ze erkenning krijgen voor de pijn en het verdriet dat hun is aangedaan. Deze erkenning kan helpend zijn in het proces van het komen tot vergeving.
Soms zijn slachtoffers van verslavingsgedrag er nog niet aan toe om te vergeven, of kunnen ze dat nog niet. Een verslaafde die vergeving ‘opeist’, gaat daarbij totaal voorbij aan de impact die zijn gedrag heeft gehad op zijn naasten. Als deze naasten dan afhoudend reageren, kan dat een grote teleurstelling zijn voor de pastorant. Het pastoraat kan hierin begeleiden en de pastorant helpen bij het groeien van zijn inzicht in de situatie.

Schuldgevoel kan voor de verslaafde zelf ook een marteling zijn of dat steeds meer worden, wanneer hij begrijpt waar hij mee bezig is of is geweest. Het kan zijn dat hij de zaken voor God heeft beleden, vergeving heeft ontvangen van zijn naasten, maar zichzelf niet kan vergeven. Dit kan zelfs een oorzaak zijn van terugval. De schuld blijft dan knagen en de aanklacht blijft roepen. Om deze stemmen tot zwijgen te brengen, kan de verslaafde ervoor kiezen om deze pijn te verdoven en bijvoorbeeld weer gaan drinken.

Relatieherstel met zichzelf is voor de pastorant van groot belang. Zoals God genade schenkt in de weg van bekering en geloof, en zijn omgeving hem vergeeft bij berouw en schuldbelijdenis, zo mag hij ook zelf leren genadig met zichzelf om te gaan.

Meer lezen

Over een theologisch model van verslaving: Cook, C.C. (2006). Alcohol, addiction and Christian ethics. Cambridge, VK: Cambridge University Press.

Over de herdermetafoor en de vier functies van pastoraat: Heitink, G. (2005). Pastorale zorg. Kampen: Uitgeverij Kok.

Dit is een gedeelte uit hoofdstuk 11 uit Van leegte naar liefde. Over de macht van verslaving en de weg naar herstel. van Hanneke Schaap-Jonker en Wubbo Scholte (redactie).

Van leegte naar liefde. Over de macht van verslaving en de weg naar herstel

< Terug