< Terug

Aandachtige betrokkenheid. Over de betekenis van onderling pastoraat

Het niet gehoorde subject van pastoraat

Wat pastorale handboeken schrijven over onderling pastoraat laat een opvallende discrepantie zien tussen het uitgangspunt dat gemeenteleden het subject van pastoraat zijn, en de inhoud waarin de stem van het gemeentelid nauwelijks wordt gehoord. Dat is theoretisch een probleem, maar ook praktisch, want het sluit niet meer aan bij de veranderingen in het gemeentezijn. Als begin van een oplossing voor dit probleem presenteer ik hier een onder-zoek naar wat gemeenteleden kenmerkend vinden voor onderling pastoraat. Mijn weergave van deze praktijk in zeven thema’s komt voort uit de analyse van de onderzoeksresultaten. Voorafgaand aan die weergave ga ik kort in op de vraag wat bedoeld wordt met ‘onderling pastoraat’ en waarom het nodig is om het subject stem te geven. Ik besluit met een samenvattende omschrij-ving van wat onderling pastoraat is en een reflectie op de betekenis van het onderzoek voor het pastorale beleid van de gemeente.

De term ‘onderling pastoraat’ verwijst naar een kerkelijke praktijk waar-bij gemeenteleden in het alledaagse leven ten opzichte van elkaar ‘herderlijke zorg’ geven.1 Deze zorg gebeurt in de vorm van persoonlijke gesprekken of groepsgesprekken en kan gecombineerd worden met praktische hulp.2 De tweede vorm wordt vaak opgezet als ‘pastoraat in kringen’.3 Ik richt me hier op de eerste vorm, het persoonlijke gesprek. De gangbare term voor de inhoud van dit onderlinge pastoraat is ‘omzien naar elkaar’.4 Een voorbeeld uit het onderzoek kan dit verduidelijken.

Portret 1

Schoolplein

Een man (respondent 13, 40+) typeert onderling pastoraat als ‘omzien naar elkaar vanuit een bepaalde spontaniteit’. Het belangrijkste doel vindt hij bemoediging en verbondenheid. Als voorbeeld noemt hij een ontmoeting op het schoolplein met een vrouw, een gemeentelid, maar hij kent haar van school. Zij vertelt dat het niet goed met haar gaat. Thuis vertelt hij dat aan zijn vrouw: ‘Nou, die schrok er ook van en die, nou, die was dan toch even langs geweest, even een bosje bloemen gekocht en even langs, gewoon even een bosje bloemen gebracht, even een luiste-rend oor, even aangehoord en van nou weet je -.’ Pastoraal is hier volgens hem dat de ander haar verhaal kwijt kan en meeleven ervaart. Later komt hij op het voorbeeld terug en onderscheidt dan twee manieren van doen: hijzelf reageert anders dan zijn vrouw:

Nou, dan zag ik haar dan, dus die vrouw, op het schoolplein, en dan kwam ik thuis, en dan zeg ik: goh joh, ik zag haar, wat zag die er slecht uit zeg, zo intens verdrietig. Het sneed door m’n hart. Nou, dat zeg ik dan wel en dan bid ik ervoor. Maar zij denkt: weet je wat, ik bel ‘r even op. Ik ga effe bij d’r langs. En dat – ja, dat vind ik mooi.

Hij erkent: ’iedereen heeft z’n kwaliteiten’. Hijzelf is meer van het op-merken en voor de ander bidden, terwijl zijn vrouw meer van het doen is, er ‘handen en voeten aan geven’.

Deze aandacht voor onderling pastoraat is in de kerken in Nederland de laatste vijftien jaar sterk ontwikkeld.5 Het uitgangspunt is de opvatting dat pastoraat een roeping is van het hele volk van God.6 Die visie van het zo-genaamde BEM-rapport van de Wereldraad van Kerken (1982) sluit aan bij de opvatting van ‘het priesterschap van alle gelovigen’ als basis voor het gemeentepastoraat.7 In dit licht wordt onderling pastoraat in pastorale hand-boeken beschouwd als ‘de grondvorm van alle pastoraat’.8 Desondanks is de feitelijke aandacht voor het subject van het onderlinge pastoraat in de lite- ratuur gering, qua omvang en inhoud. De Heidelbergse praktisch-theoloog W. Drechsel zegt daarover in 2015 dat ‘die Gemeindeseelsorge kein Thema poimenischer Theoriebildung ist’.9 Onderlinge pastoraat blijkt in de theorie dus geen basis maar bijwagen te zijn.

Het gemeentelid stem geven

Door veranderingen in het gemeentezijn gedurende de laatste twee decennia lijkt het onderlinge pastoraat aan belang te winnen. Te denken valt aan het zogenaamde vloeibare karakter van de kerk vanwege veranderende, meer flexibele bindingspatronen en daarmee samenhangend de vorming van net-werken en tijdelijke ‘kerkplekken’.10 Deze veranderingen vragen om meer aandacht voor de participatie van gemeenteleden en de erkenning van hun behoeften. Praktisch gezien speelt ook een rol dat het beroep van predi-kanten verandert (meer deeltijdbanen en het bevorderen van een ‘cultuur van mobiliteit’) en dat het aantal pastorale ouderlingen en medewerkers af-neemt.11 Tegelijk zijn er gemeenteleden die aangeven dat ze geen behoefte hebben aan contact met de ouderling, en met de predikant slechts in bij-zondere gevallen.12 In de netwerksamenleving kiezen mensen zelf met wie zij over levensen geloofsvragen willen spreken. Vaak zijn dat vrienden of familieleden.13

Die eigen keuze betekent dat de grenzen van wie het subject is van onder-ling pastoraat vervloeien. Immers, ‘omzien naar elkaar’ is iets wat mensen onder elkaar doen, binnen en buiten de kerk, bijvoorbeeld op het schoolplein, in de straat, tijdens het boodschappen doen, op het werk en de sportclub. Ganzevoort merkt daarover op: ‘Men kan zelfs zeggen dat het meeste pas-toraat niet georganiseerd wordt, maar gewoon gebeurt waar mensen elkaar ontmoeten. In die ontmoeting is er vaak sprake van onderlinge zorg.’14 Of het bij die onderlinge zorg om pastoraat gaat, hangt volgens Ganzevoort niet af van kerklidmaatschap, maar van de inhoud van het contact, of die zorg ‘op de een of andere manier verbonden wordt met het verhaal van God’.

Om recht te doen aan die eigen keuze van gemeenteleden en tegelijk te voorzien in de leemte in de pastorale theorie, deed ik in het voorjaar van 2016 een empirisch-theologisch onderzoek naar het onderlinge pastoraat in een gemeente in het brede midden van de Protestantse Kerk in Nederland. Met de kerkenraad is afgesproken dat respondenten en gemeente worden geanonimiseerd. De centrale vraag luidde: welke betekenissen kennen ge-meenteleden in een lokale protestantse geloofsgemeenschap toe aan prak-tijken van onderling pastoraat? Dus hoe verstaan zij dit begrip (cognitief) en hoe waarderen zij deze praktijk (existentieel)? Het onderzoeksdoel is om gemeenteleden met hun opvattingen en ervaringen een stem te geven in de pastorale theorievorming. Daarom is gebruik gemaakt van kwalitatieve on-derzoeksmethoden als interview en participerende observatie. In totaal zijn, inclusief de predikant, 23 gemeenteleden geïnterviewd, veertien vrouwen en negen mannen, op één na allemaal kernleden: regelmatige kerkgangers die meer of minder actief zijn in de gemeente. De leeftijd is tussen 27 en 89, redelijk gelijkmatig verdeeld over drie leeftijdscategorieën: 17-40 (7), 41-60 (7) en 60+ (9). Het aantal hoogopgeleiden is oververtegenwoordigd.15 Daarnaast zijn vier deelnemers aan een bijbelkring in een focusgesprek ge-interviewd.

In het vervolg worden in zeven thema’s de onderzoeksresultaten weerge-geven. Daarin bespreek ik de conclusies uit de analyse en interpretatie van het onderzoeksmateriaal. Dat materiaal bestaat uit codes die verwijzen naar uitspraken van respondenten die vastgelegd zijn in de uitgeschreven interviews en de notities van de observaties. Verwante codes zijn geordend in ca-tegorieën.16 Hier beschrijf ik zeven categorieën met als focus de conclusie die ik in de thema’s weergeef. Bij het derde thema bespreek ik twee categorieën in samenhang. Voorafgaand sta ik bij het eerste thema stil bij de categorie ‘begrip vormen’ waarin codes zijn verzameld over uitspraken die betrekking hebben op de (on)bekendheid met het begrip ‘onderling pastoraat’.

Zoeken naar begrip

Hoewel de respondenten allemaal het begrip ‘pastoraat’ kennen en dat verbinden met het traditionele huisbezoek, blijken velen niet bekend te zijn met het begrip ‘onderling pastoraat’. Drie van hen zeggen dat ronduit, zoals een man (R18, 40+), voormalig kerkenraadslid: ‘Ja, ik ken dat begrip niet zo goed. Eerlijk gezegd hoor ik het nu voor het eerst.’ De para-verbale reacties bij vier anderen, zoals stilte en ‘uhm’, wijzen erop dat men zoekt naar een antwoord. Weer drie anderen stellen een tegenvraag: ‘Wat verstaat u onder onderling pastoraat?’. Men gebruikt ook uitdrukkingen als: ‘Ja, hoe moet ik dat nou zeggen?’, of: ‘Ja, dat weet ik nog niet’. Wat anderen er in eerste instantie over zeggen, wijkt vaak af van de gangbare opvatting van omzien naar elkaar. Zeven gemeenteleden denken aan de omgang met elkaar in de bijbelkring. Ten minste dertien respondenten ontwikkelen tijdens het interview hun begrip van onderling pastoraat.

Na enige uitleg of in de loop van het gesprek kunnen de meesten echter wel benoemen wat onderling pastoraat voor hen betekent als een contact van pastorale aard tussen gemeenteleden onder elkaar. Ze gebruiken termen als omzien/omkijken naar elkaar, en oog voor elkaar (21x), meeleven (16x), aandacht/aan elkaar denken (16x), zorg voor elkaar (11x), een luisterend oor (10x), naastenliefde (6x), betrokkenheid en verbondenheid (6x), een goed gesprek of goed contact (6x), belangstelling (4x), voelsprieten uitzetten of een antenne hebben (3x). Bij de analyse werd geleidelijk duidelijk dat al deze termen verwijzen naar een kernkwaliteit die ik typeer als een ‘aandachtige betrokkenheid op elkaar’. Het volgende portret geeft inzicht in de kwaliteit van deze betrokkenheid.

Portret 2

Thuis

Respondent 15 (vrouw, 40-) associeert pastoraat met een herderlijke functie. Ze brengt dat in verband met de functie die ze zelf thuis ver-vult: ‘dat mensen hier terecht kunnen, uh, en kunnen praten over wat hun bezig houdt en dat we daarin proberen te ondersteunen’. Dat betreft mensen zowel binnen als buiten de gemeente. Van die laatste groep noemt ze als voorbeelden een goede vriendin die in een therapie zit, jongere zussen met familieproblemen of een buurvrouw die tobt met haar gezondheid. Binnen de gemeente noemt ze een vrouw die graag kinderen wil krijgen ‘en dat lukt niet en dan daar wel af en toe wat over vertelt en dat we dan even samen staan te huilen over weer een mislukte poging of zo.’ Het pastorale daarin is volgens haar ‘dat je voor iemand even aandacht hebt en tijd hebt en neemt om te luisteren naar diegene om daar, ja, wel een soort van betrokkenheid op te hebben’. Het doel van de aandacht is dus meeleven laten merken en de ander verder helpen.

Dit onderlinge pastoraat lijkt veel omvangrijker en frequenter te gebeuren dan het traditionele pastoraat. Veertien respondenten (bijna twee derde) ver-tellen zelf voorbeelden waarbij ze zulke ‘aandachtige betrokkenheid’ hebben ontvangen. Omgekeerd hebben zestien respondenten ervaring met het geven van aandachtige betrokkenheid, terwijl tien van hen tevens ontvangers zijn. Dat is aanzienlijk meer dan de vijf respondenten die verwijzen naar een eigen ervaring met traditioneel huisbezoek door predikant of ouderling.

Betrekking gaat boven inhoud

Het tweede thema is een kerncategorie. Een kerncategorie is een categorie die steeds terugkomt in het materiaal waarmee de zes andere categorieën verbonden zijn en die de variatie in de praktijk van het onderlinge pasto-raat helpt verklaren.17 Tijdens de structureringsfase van de analyse is via constante vergelijking gezocht naar de samenhang tussen de categorieën. Daarbij kwam de ‘aandachtige betrokkenheid op elkaar’ als kerncategorie naar boven. Het is de kernkwaliteit die de respondenten toekennen aan het onderlinge pastoraat. Wat is nu volgens hen hiervoor kenmerkend?

De belangrijkste conclusie is, in vergelijking met het onderscheid van Watzlawick c.s. tussen het inhoudsaspect (wat) en het betrekkingsaspect (hoe) van de communicatie, dat de respondenten de relationele dimensie centraal stellen, ook al is die altijd verbonden met een bepaalde inhoud. Als gemeenteleden gevraagd wordt onderling pastoraat in eigen woorden te omschrijven, gebruiken zij opvallend vaak het wederkerig voornaamwoord ‘elkaar’. Als kenmerkend voor deze betrokkenheid op elkaar noemen zij ‘persoonlijke aandacht’, ‘belangstelling’ voor en ‘meeleven’ met de ander, ‘wederkerigheid’, ‘elkaar begrijpen’, ‘een klik ervaren’, ‘gekend worden’ en ‘vertrouwen’. Het antwoord van de vrouw uit portret 2, met haar nadruk op aandacht en betrokkenheid, is hiervan een illustratie. Daarnaast worden handelingen genoemd als ‘(onder)steunen’ en ‘helpen’.

Naast omzien en meeleven wordt aandacht het vaakst genoemd. Die aandacht betreft zowel de intentionaliteit, het denken aan de ander of een houding van open staan voor de ander, als de handelingen waaruit blijkt dat iemand aan je denkt. Deze aandacht wordt ervaren als meeleven met wat jij meemaakt. Zij wordt gevoed doordat mensen elkaar kennen en van elkaars situatie weten. Dit kennen en gekend worden is als het ware een bouwsteen, of, zoals een oudere vrouw (R11, 60+) zegt: ‘Het is toch de aandacht voor elkaar, het pastoraat, is toch het cement ook wel hoor’.

Tien respondenten (zeven vrouwen en drie mannen) typeren de betrok-kenheid op elkaar als een vorm van zorg. Anderen gebruiken werkwoorden waarbij zorg een connotatie is: meeleven (bij moeiten en ziekte), de ander (onder)steunen, gedragen worden, bemoedigen, troosten en helpen. Dan gaat het niet om het soort zorg van de zorgsector, de zorgverlening, maar om een kwaliteit van aandacht als zorg om, zorg dragen voor de ander (caring about).18 Ik typeer dit als zorgzame betrokkenheid. Een jonge vrouw (R21, 40-) zegt daarover: ‘Ik heb het idee dat er wel echt aan je gedacht wordt en dat je echt in de praktijk echt naaste bent en voor je naaste zorgt.’ Zij ver-bindt de zorg voor elkaar met de bijbelse notie van de naaste.

In deze aandachtige, zorgzame betrokkenheid zijn de fysieke dimensie en de affectieve lading belangrijk. De betrokkenheid wordt lichamelijk be-middeld door oogcontact, een open oor en een goed gesprek, maar ook via handen en voeten. Mensen komen in beweging en gaan naar elkaar toe. Hoe de fysieke ruimte een rol speelt, laat portret 3 zien.

Portret 3

Winkelen

Een oudere vrouw (Respondent 5B, 60+) noemt als voorbeeld het meele-ven bij ziekte. Dat gebeurt doordat mensen bellen, of in de kerk vragen hoe het gaat. ‘Als ze het weten hè. Want dat gaat als een lopend vuurtje altijd.’ Het meeleven gebeurt ook in de winkelstraat: ‘Ja. Het is niet dat je het alleen in de kerk hebt, maar het is overal. Bijvoorbeeld als ik hier in de straat iemand tegen kom, dan is het: hallo! De hand opsteken. Jawel, en dat vind ik wel heel prettig ook.’ Zoals ze het vertelt zie je haar door de winkelstraat lopen: ‘Want dan zeg ik wel eens gedurig: Ik hoef niet met de fiets met de boodschappen, als ik lopende terug moet, ik kom die tegen, ik kom die tegen.’ Het zijn niet alleen leeftijdgenoten: ‘Het is jong en oud door elkaar, alles.’ Het pastorale is volgens haar het meeleven, de belangstelling: ‘Echt uh, weten hoe het met jullie gaat en ja, dat is wederzijds dan zo.’

De affectieve lading is ook duidelijk in portret 2 in het ‘even samen staan te huilen’ na een mislukte poging om een kind te krijgen. Elders in het gesprek noemt deze respondent het ‘vriendelijk toeknikken’ tijdens een avondmaals-viering omdat ze vanuit de bijbelkring weet dat de ander moeite heeft met het avondmaal. De belichaamde zorgzame aandacht wordt vaak opgeroe-pen door de lichamelijke of sociale kwetsbaarheid van de ander: ziekte, vermoeidheid, slechthorendheid, moeite met lopen, kraamcatering na een bevalling. Dat maakt de affectieve lading van de betrokkenheid begrijpelijk, zoals blijkt uit wat een werkloos geworden alleengaande vrouw (R20, 40+) vertelt over het meeleven tijdens het koffiedrinken na de kerkdienst: En dat laatst dan, nou dan zitten we daar aan tafel en ja, dan wordt het op een gegeven moment wordt het je toch een beetje te kwaad en dan komt er gewoon een mevrouw waar je het helemaal niet van verwacht en die (ze maakt een gebaar) en een knuffel en even een kus en uh, ja. En dan denk je toch van: jee. Dan voel je je toch.

Kortom: de betrokkenheid op elkaar als kernkwaliteit wordt volgens de res-pondenten gekenmerkt door aandacht en zorgzaamheid die fysiek wordt be-middeld en gepaard gaat meer of minder sterke gevoelens zowel bij degene die aandacht of zorg geeft als bij degene die het ontvangt.

Spreken en doen

Het derde thema betreft de uitspraken van gemeenteleden waarin ze vertel-len hoe de ‘aandachtige betrokkenheid op elkaar’ gestalte krijgt, dus het inhoudsaspect van de communicatie. Hier onderscheid ik twee categorieën: codes die betrekking hebben op het ‘gesprek over persoonlijke dingen’ en codes die verwijzen naar het ‘blijk geven van medeleven’ in de vorm van handelingen. Bij dit thema is de wisselwerking tussen beide gestalten van belang: gesprek leidt tot doen en doen kan een aanleiding vormen tot gesprek. Portret 1 is daarvan een voorbeeld: het contact op het schoolplein leidt tot een bloemetje brengen, en het bloemetje leidt tot een gesprek. Zo ook portret 3: de ontmoeting in de kerk leidt tot meeleven op straat. Vaak wordt de bijbelkring genoemd waar bij de inventarisatie voor het kringgebed persoon-lijke dingen ter sprake komen. Daardoor krijgen mensen kennis van elkaars situatie en leren ze elkaar beter kennen. Dat kan de behoefte oproepen om door een blijk van meeleven de ander te steunen of bemoedigen.

Bij het onderlinge gesprek zit de pastorale kwaliteit zowel in de gele-genheid: dat er mensen zijn aan wie je je verhaal kunt vertellen, als in de inhoud: dat je met hen kunt spreken over persoonlijke dingen die voor jou belangrijk zijn. Respondenten noemen dat ‘een goed gesprek’, ‘een gesprek met diepgang’. Drie factoren vinden zij belangrijk: elkaar kennen, de ver-trouwelijkheid van het gesprek, en het gedeelde geloof. Bij de bijbelkring wordt de intimiteit van de kleine groep gewaardeerd, waardoor geborgenheid en veiligheid worden ervaren.

Als gespreksonderwerpen worden levensen geloofsthema’s genoemd. De levensthema’s gaan over ziekte, overlijden, werk, zorgen, moeilijkhe-den, de kinderen. Ouderen noemen verlieservaringen en eenzaamheid. De geloofsthema’s zijn gegroepeerd in drie codes: kerkelijke onderwerpen (ge-meenteleven, kerk, preek, doop, avondmaal), verwijzingen naar geloof en het christenzijn. Vrouwen noemen geloofsthema’s vaker dan mannen. Zo vertelt een vrouw (R19, 40+) over haar gesprekken met iemand die ze kent van een gebedsclubje:

Maar ik vind ook wel dat stukje geloven dat je met elkaar uitdeelt, dat doen wij wel eens, en dan, dat vind ik ook wel, ja, dat versterkt je eigen ge-loof ook weer, en dat van haar, en dát vind ik wel, dat is die kern voor mij.

Bij de tweede gestalte van de ‘aandachtige betrokkenheid’ worden 16 ver-schillende manieren genoemd om ‘blijk te geven van medeleven’. Het sturen van een kaart of een briefje komt verreweg het meest voor. Bij doorvragen heeft het pastorale karakter te maken zowel met de aanleiding: de situ-atie van de ander, als met de inhoud: de tekst op de kaart. Het gaat vaak om ingrijpende life events als ziekte en overlijden, maar ook verhuizing en geboorte. Men is daarvan op de hoogte via kerkelijke kanalen zoals de zon-dagse kerkbrief, de bloemengroet in de kerk, de bijbelkring. In de kerkdienst besteedt de predikant voorafgaand aan de voorbeden bijzondere aandacht aan de situatie van gemeenteleden. Ook contacten op het schoolplein worden meer dan eens genoemd.

Aan de inhoud van de tekst besteedt men zorgvuldig aandacht. Som-migen vertellen dat ze zich daarvoor proberen in te leven in hoe het bij de ander zal overkomen. Ook hier speelt dus het relationele aspect van de aandachtige en zorgzame betrokkenheid op elkaar een belangrijke rol. De inhoud bevat vrijwel altijd een verwijzing naar het geloof, soms wordt een Bijbeltekst aangehaald, of een liedtekst of gedicht. Enkele voorbeelden kun-nen dit illustreren. ‘Van uh: je bent Gods kind of zo, of: je bent geliefd, ja, misschien dat het dan meer onder pastoraat [valt]’. ‘Ja, meestal troostwoor-den, opbeurend. En met een tekst er vaak wel bij’. De formulering hangt af van of het iemand uit de kerk is. Op een enkele uitzondering na zijn het altijd de vrouwelijke respondenten die het sturen van een kaart noemen, zoals het volgende portret laat zien:

Portret 4

In het ziekenhuis

Respondent 7 (man, 60+) noemt als voorbeeld dat mensen op visite komen als je ziek bent, en ook dat je dan post krijgt: ‘Ja, heb ik ook gehad, en veel, ik heb verschrikkelijk veel post gehad toen ik in het ziekenhuis lag.’ Het pastorale daarin is dat je merkt dat mensen aan je denken: ‘Ja, want er zijn natuurlijk een hoop mensen die zeggen: O dat is die, die man die altijd in die hoek zit. Nou, dan krijg je een briefje, of een kaartje. Ja, dat is pastoraat. En dat deed me wel goed.’ Een rol speelt dus dat mensen elkaar kennen van hun plaats in de kerkdienst. Bij doorvra-gen vertelt hij dat het uitmaakt dat sommigen iets opschrijven: ‘Ja, dan hebben ze gewoon een tekstje of weet ik veel wat, die echt gewoon, dan denk je: verrek, die is voor mij geschreven.’ Zo komt hij bij de vrouwen: Ja, dat vind ik wel een pastoraal gebeuren ook, en uh. Ja, en er zijn in-derdaad een paar oudere dames die zijn heel fantastisch. Dat zijn een soort halve predikers hè. Die halen gewoon een tekst uit de Bijbel, waar vandaan dan ook, en die plaatsen ze op een brief en die krijg je dan. Daar is over nagedacht. En dat is heel goed.

Wat hem goed doet is de belangstelling: ‘Überhaupt hoor, alle belang-stelling wel, maar, ja dat is eigenlijk allemaal van de kerk uit. Want ik zit niet meer op clubs of zo, dus. […] En dan blijkt dat er dus iemand achter je staat, in de vorm van, ja, iemand die ook in de kerk zit, of de dominee, en uh, altijd heel goed.’

Andere vaak genoemde manieren zijn: vragen hoe het gaat, iets praktisch doen, een bloemetje brengen, een bezoekje brengen, telefoneren, even een praatje maken. Het gaat steeds om handelingen die belangstelling tonen. Andere manieren van meeleven worden slechts enkele keren genoemd: een CD met liedjes maken, groeten op straat, voor iemand koken, een boodschap doen, een koffiegroepje, voor iemand bidden of zeggen dat je dat zult doen, samen uitgaan. Opvallend is dat social media slechts door één respondent wordt genoemd en mailen door twee.

Waardering vanwege de werking

Het vierde thema betreft de positieve waardering van veel respondenten voor onderling pastoraat. Negen van hen spreken dat expliciet uit, drie anderen laten dat impliciet blijken. Die waardering komt vooral naar voren in uitspra- ken over wat de betrokkenheid, het gesprek en de blijken van meeleven bij de respondenten uitwerken. De daarvoor gebruikte codes heb ik geclusterd in de categorie ‘effect ervaren’. De gemeenteleden gebruiken veelal affectief geladen woorden: wat er in het contact gebeurt is ‘prachtig’ en ‘fijn’, ze erva-ren ‘vreugde’, het geeft een ‘goed gevoel’, ze raken erdoor ‘geëmotioneerd’ of ‘ontroerd’, het contact voelt ‘veilig’ of ‘vertrouwd’. Wat betreft het effect noemen ze het meest de ervaring van bemoediging en van ondersteuning.

De verschillende (werk)woorden voor dat effect zijn te verbinden met drie van de vier klassieke pastorale functies: begeleiden (geloofsgroei, persoon-lijke verrijking, een ander perspectief krijgen), bijstaan (steun, bemoediging, opbeuren, kracht geven, troost, je begrepen voelen) en (in mindere mate) helen (loslaten, opluchting, zich goed voelen, opfleuren).19 Bijstaan komt het meest voor, de functie van verzoenen ontbreekt in de uitspraken. Wel worden vaak effecten genoemd die verwijzen naar de functie gemeenschapsvorming (erbij horen, (geloofs)verbinding, dat er aan je gedacht wordt). Kortom: on-derling pastoraat wordt gewaardeerd vanwege de affectieve lading van zowel de bemoediging en steun in persoonlijke situaties als van de verbondenheid met de gemeenschap.

Persoonlijke factoren

Naast de werking van het onderlinge pastoraat waarderen de respondenten ook het spontane en persoonlijke karakter ervan. Dit vijfde thema betreft de categorie met codes over de betrokken personen: het gemeentelid als pastor en een ander. Het spontane en persoonlijke karakter onderscheidt onder-ling pastoraat van het formele, traditionele huisbezoek. Persoonlijke facto-ren spelen op verschillende manieren een rol, bijvoorbeeld in de voorkeur voor het medium om blijk te geven van medeleven. Mensen kunnen daarin zichzelf zijn. Dat is een beperking, maar tegelijk een kracht: ze doen waar ze goed in zijn en waarin ze hun hart kunnen laten spreken (zie portret 4). Het maakt dat het fijn is om iets voor een ander te doen, wat bijdraagt aan de intrinsieke motivatie die kenmerkend is voor dit soort informele zorg.20 Vier gemeenteleden zeggen dat hun karakter een rol speelt bij de manier waarop ze met anderen meeleven. Vier mensen noemen hun beroep in de zorg als motivatie en bron. Gaven en vaardigheden, eigen ervaringen en de houding maken ook verschil.

De kerkelijke socialisatie speelt een rol in de zin dat respondenten met een meer orthodox gereformeerde achtergrond het begrip onderling pasto-raat niet kennen en moeite hebben om het meeleven met elkaar een pastoraal karakter toe te kennen. Hun beeld van pastoraat wordt gedomineerd door het traditionele, vaak jaarlijkse huisbezoek.

Leeftijd speelt ook een rol. Zo geven alle zeven respondenten van 37-45 jaar expliciet aan dat zij bij voorkeur omgaan met leeftijdgenoten. Ook twee oudere respondenten merken dat op. Het is te zien bij het koffiedrinken na de kerkdienst dat leeftijdsgenoten in groepjes bij elkaar staan (de 30’ers en 40’ers) of zitten (ouderen). Tijdens een gesprekje merkt een jonge man daarover op: ‘het is leuk om je vrienden weer even te zien. Die ontmoet je hier ook.’ Een ander noemt de vergelijkbare levenssituatie: ‘maar je spreekt in ons geval snel mensen die ook kleine kinderen hebben’. Wellicht speelt bij deze voorkeur opleidingsniveau mee, omdat deze gemeenteleden van rond de veertig jaar allemaal hoger opgeleid zijn. Ouderen hebben ook hun eigen netwerk, maar sommigen hechten daarnaast aan aandacht en bezoek door de predikant. Hoe dan ook: door die persoonlijke kenmerken trekken mensen naar elkaar toe, waardoor onderling pastoraat vaak plaats vindt tussen vrienden en mensen die elkaar goed kennen, met als beperking dat ze eigen ‘clubjes’ vormen.21

Geloofsdimensie

Als zesde thema noem ik de rol van het geloof als kenmerk van onderling pastoraat, niet als afzonderlijk thema van gesprek, maar als rode draad door de andere categorieën heen. Het geloof is als het ware de verticale dimen-sie die de andere kenmerken van de ‘aandachtige betrokkenheid’ kleurt. Te denken valt aan de motivatie (geloofsovertuiging, naastenliefde) en de ge-spreksinhoud (geloofsthema’s). Ook het voor elkaar bidden wordt genoemd, of het samen bidden tijdens een gesprek of op de bijbelkring. In de blijken van meeleven speelt de christelijke context een rol of worden met zorg ge-loofsverwijzingen gekozen. Met Gerrit Immink kunnen we spreken van de ‘ideële dimensie’ van het sociale verkeer, naast de institutionele dimensie ervan in de vorm van kerkelijke samenkomsten. Daarmee wijst hij erop dat de interactie tussen mensen ‘zowel een sociaal als een theologisch gebeuren is: de gemeenschap met God is ingebed in de tussenmenselijke communica-tie en werkt ook weer door in de tussenmenselijke verhoudingen.’22 Overigens hoeft voor het pastorale karakter het geloof niet expliciet ter sprake te komen. Daarover wordt verschillend gedacht. Enkele responden-ten merken op dat voor hen het pastorale van het gesprek eerder zit in het relationele dan in het inhoudelijke van een geloofsgesprek. Een vrouw (R19, 40+) zegt daarover: Ik heb niet zozeer dat dat nou, want ik vind juist aandacht en meeleven en zo vind ik wel iets, uhm, héél zorgzaams hebben, iets heel, het heeft bijna iets heiligs, zo van: ik geef mijn tijd aan jou, ik vind jou belangrijk om te weten hoe het met je gaat. Voor mij hoeft daar niet zozeer geloof bij te zitten.

Toch denkt ze hier niet zwart-wit over, want tegelijk ervaart zij voor zichzelf, zoals we zagen, het delen van het geloof als een versterking. Ze noemt dit de kern van het omzien naar elkaar. Een andere vrouw (R15, 40-) vindt het belangrijk dat mensen ‘wat meer zicht krijgen op wie God is en wat God voor hen, wie hij voor hen is of wil zijn’, maar het moet geen ‘opgelegd riedeltje’ zijn. Als het gesprek niet matcht met het gedrag of de houding, dan zijn die woorden holle klanken, zo zegt ze. Ze zegt er meteen bij dat ze anderen hel-pen op geloofsgebied niet als haar kernkwaliteit ziet. Vermoedelijk spelen in deze nuanceringen ervaringen mee waarbij mensen het geloofsgesprek in het pastoraat als formeel hebben ervaren.

De geloofsdimensie is in dit onderzoek nadrukkelijk aanwezig, maar hierbij moet bedacht worden dat de respondenten vrijwel allemaal behoren tot de kernleden van de geloofsgemeenschap en dat de geestelijke ligging van de kerkelijke gemeente ook een rol kan spelen.

Samenhang

De zes tot nu toe genoemde categorieën hebben betrekking op het persoon-lijke niveau van de interactie, het microniveau. Bij de analyse bleek echter dat de respondenten de betekenis van de persoonlijke betrokkenheid telkens weer verbonden met andere ontmoetingen op het mesoniveau van de ge-meenschap. De codes die daarnaar verwijzen vormen een zevende categorie: ‘verbondenheid met/in de (geloofs)gemeenschap’. Dan gaat het niet alleen om kerkelijke samenkomsten. Zes respondenten (vier jongeren en twee ou-deren) noemen ontmoetingen in de publieke ruimte: het schoolplein, een sociale activiteit als een bioscoopof een theaterbezoek met vrienden of vriendinnen, of samen naar de kroeg of een nieuw restaurant proberen. Of iets meer privé: een avond bij iemand thuis waar twee of meer stellen hebben afgesproken. Bij dit zevende thema wijs ik op het belang van de samenhang tussen onderling pastoraat en andere ontmoetingen.

In dit onderzoek speelt het gemeentelidzijn een belangrijke rol. Door de deelname aan kerkelijke samenkomsten of activiteiten leren mensen elkaar kennen en raken zij meer betrokken bij de geloofsgemeenschap. Respon-denten doen in dat verband affectief geladen uitspraken: een familiegevoel, zich thuis voelen in de gemeente, een band met anderen ervaren. Omgekeerd wordt door de deelname aan het gemeenteleven op het microniveau van de interactie de onderlinge betrokkenheid gewekt en onderhouden. Dat leidt tot sociale contacten die op den duur bij verschillende respondenten vriend-schappen binnen de gemeente tot gevolg hebben, zowel bij jongeren als bij ouderen. Kortom: het gaat om wat Robert Putnam heeft aangeduid als de bonding vorm van sociaal kapitaal.

Van belang is nu dat voor veel respondenten de wisselwerking tussen het microen het mesoniveau van de gemeenschap medebepalend is voor de kwaliteit van de aandachtige betrokkenheid op elkaar vanwege de band die ontstaat. Dat merk je in de straat waar kerkleden met elkaar omgaan, zoals we zien in portret 5.

Portret 5

In de straat

Een echtpaar (R18 en 19, beiden 40+) noemt als voorbeeld van de band met elkaar het contact met een oudere vrouw in de straat die ze ook kennen vanuit de kerk. De vrouw vertelt: ‘daar zit ik regelmatig even koffie te drinken. Eventjes horen hoe het ermee is’. Haar man brengt haar een keer per maand een bloemetje, ‘omdat ze vlakbij woont. Dat geeft gewoon iets meer band’. De man merkt op: ‘Dus zij nodigt ons uit als ze jarig is en uh, ze komt hier ook wel eens, ’s zomers vooral’. Zijn vrouw vult daarop aan: ‘Ja, maar die band is natuurlijk ook wel wat je in de kerk met elkaar meemaakt’. Van die band geeft ze een voorbeeld:

Dat vind ik echt gemeentezijn, ook als ze hier bijvoorbeeld op een feestje is, we vragen haar altijd wel als ik jarig ben of hij, komt ze hier, dan zit ze hier ook lekker een wijntje te drinken. Dat maakt toch, en dan zeggen wij soms wel eens tegen elkaar: dat is ook gewoon het lichaam van Christus, dat je dus ervaart.

Het pastorale daarin is de combinatie van bij de gemeente horen en het omzien naar elkaar. De man benadrukt daarin ‘dat je weet hoe het met mensen gaat. Dat je ook een beetje kunt ondersteunen, zal ik maar zeggen. Blijken van waardering of blijken van belangstelling kunt laten zien’. Daarbij speelt het horen bij de kerk voor hem een rol: ‘Maar ik vind ook wel, als er echte grote dingen in het leven zijn, dan lijkt het me toch heel belangrijk dat je een geloofsgemeenschap hebt, waar je op terugvalt.’ Beiden voegen daaraan toe dat het ook van belang is dat het met de ander klikt qua persoon. Voor deze verbondenheid gebruiken vier respondenten het bijbelse beeld van samen het lichaam van Christus vormen. De kracht van dit beeld is dat daarin de onderlinge verbondenheid van de leden en de betrokkenheid op Christus samenkomen. In aansluiting bij Calvijn kunnen we het (onderlinge) pastoraat vergelijken met de spieren van het lichaam. De spieren zorgen er-voor ‘dat de lichaamsdelen, ieder op zijn eigen plaats, onderling verbonden blijven’.23 Calvijn gebruikt hier het werkwoord cohaero, samenhangen, nauw verbonden zijn. De aandachtige betrokkenheid van de gemeenteleden op elkaar vormt dus de spierkracht van de geloofsgemeenschap. Deze draagt enerzijds bij aan de samenhang (cohesie) binnen de gemeente. Anderzijds worden deze spieren getraind door de ‘bewegingen’, dus de contacten tijdens verschillende samenkomsten van de geloofsgemeenschap.

Het belang van deze samenhang voor het onderlinge pastoraat vormt een aanvulling op de literatuur. Daarin wordt het vaak opgevat als een momentane, op zich staande interactie die ergens ‘plaats’ vindt en het karakter heeft van omzien naar elkaar. Door de samenhang van het gemeenteleven is on-derling pastoraat tegelijk een dynamisch gebeuren dat zich ontwikkelt in de loop van de tijd, in een opeenvolging van diverse ontmoetingen. Als gevolg daarvan kan de aandachtige betrokkenheid zich intensiveren, maar ook weer verzwakken. Bovendien zorgen de verschillende soorten samenkomsten voor variatie in gestalte en intensiteit van de persoonlijke interacties en daarmee voor diversiteit. Dat komt tegemoet aan de verschillende voorkeuren van mensen. Koffiedrinken na de kerkdienst leidt tot andere gesprekken dan een contact bij iemand thuis of op de bijbelkring.

Reflectie en aanbevelingen

Op basis van wat gemeenteleden in dit onderzoek zeggen, kan onderling pastoraat omschreven worden als een persoonlijke, aandachtige betrokken-heid op elkaar vanuit een belangstellende en veelal zorgzame houding, die in het alledaagse leven fysiek getoond wordt en een affectieve lading heeft, en die levensbeschouwelijk gemotiveerd is. Deze betrokkenheid krijgt gestalte in persoonlijk gesprek en blijken van meeleven, waarbij de geloofsdimensie vaak een rol speelt, en is verbonden met samenkomsten van de gemeen-schap zowel in de publieke als in de kerkelijke ruimte. Onderling pastoraat is dus niet alleen een dimensie van kerkelijke activiteiten, zoals de theorie beschrijft,24 maar ook van het publieke sociale verkeer. De persoonlijke in-teractie vindt plaats op een bepaald moment en in een bepaalde ruimte en ontwikkelt zich tegelijk in de loop van de tijd. Het onderzoek laat zien dat de pastorale prioriteit in de laatste twintig jaar op tenminste twee manieren is verschoven. Allereerst van het institutionele, georganiseerde bezoek vanuit de kerkenraad naar het alledaagse, spontane meeleven met elkaar in het eigen netwerk.25 Het subject van pastoraat is pri-mair het gemeentelid. In de leemte in de pastorale theorie is in de praktijk inmiddels voorzien: onderling pastoraat is ‘de grondvorm van alle pastoraat’. Op de predikant doen gemeenteleden alleen in speciale gevallen een beroep, op eigen initiatief, en de ouderling komt in hun verhaal nog nauwelijks voor. Voor gemeenteleden tot ongeveer zeventig jaar is dat eenduidig het geval. Mensen die kwetsbaar zijn vanwege crisiservaringen of beperkingen qua gezondheid of sociaal netwerk – vaak zijn dat ouderen – geven op kritieke momenten nog wel voorkeur aan de aandacht en het bezoek vanuit de ker-kenraad en in het bijzonder de predikant, liefst op diens initiatief. Toch komt ook bij hen het onderlinge pastoraat als de ‘aandachtige betrokkenheid op elkaar’ op de eerste plaats en brengen zij dat zelf ook in praktijk.

De tweede verschuiving is een gevolg van de eerste: de context van het pastoraat is verplaatst van de kerk naar de straat. Of beter: de kerk wordt als ontmoetingstent voor even in de publieke ruimte opgezet. Het is een vorm van wat Henk de Roest ‘grensoverschrijding’ heeft genoemd: kerk-zijn met de buren,26 maar dan op persoonlijk niveau. Het pastorale wordt ervaren in de aandacht voor elkaar en de band met elkaar. Het je gekend weten en de vertrouwelijkheid bepalen de kwaliteit. De relatie heeft iets heiligs, zoals een enkeling het noemt. Daarin spelen voor de gemeenteleden zowel de ge-loofsdimensie een rol, zij het vaak impliciet, als het lid zijn van de gemeente. Onderling pastoraat is ingebed in en wordt gevoed door de samenkomsten van de gemeenschap. Deze waardering van onderlinge betrokkenheid en gemeenschap, in het bijzonder door mensen van rond de veertig, is te ver-staan als een reactie op de individualisering en als een teken van de behoefte aan kleine gemeenschappen en lichte verbanden. Vriendschap en affectieve aspecten spelen daarbij een rol.27 De waardering van de geloofsdimensie laat zien dat daaraan in de seculiere context van het alledaagse leven vaak voorbij wordt geleefd. Gemeenteleden zoeken daarom naar vertrouwde en vertrouwelijke ontmoetingen om hun geloofsidentiteit te onderhouden.

De verschuivingen vragen om een herbezinning op de rol en functie van het georganiseerde pastoraat en de taak van de kerkenraad bij het pastorale beleid.28 De hier onderzochte documenten noemen onderling pastoraat wel als hoofddoel, maar het beleid wordt in feite gericht op het pastorale team, dus het georganiseerde pastoraat. De eerste aanbeveling is daarom dat ker-kenraden de genoemde dubbele verschuiving in het beleid serieus nemen: dat de gemeenteleden primair het subject van pastoraat zijn, niet het pastorale team (predikant, ouderlingen, pastorale medewerkers).29 Dat pastorale beleid dient daarom primair gavenen behoeften-gestuurd te zijn in plaats van aanbodgericht.

De tweede aanbeveling betreft de uitwerking van dit beleid in drie taken voor de kerkenraad: erkennen, signaleren en faciliteren. Eerst is het nodig om het spontane en alledaagse pastoraat te erkennen als een kracht van ge-meenteleden en als de spierkracht van de (geloofs-)gemeenschap. Het is een stille kracht en de aandacht van de kerkenraad gaat vaak eerder uit naar de missionaire werfkracht. Maar zonder spierkracht geen werfkracht. Daarom moet de kerkenraad deze pastorale kracht in beeld krijgen, haar in de com-municatie benoemen en de gemeenteleden expliciet erkenning geven. Dat kan bijvoorbeeld en onder andere op de zondag na de landelijke pastorale dag in het voorjaar. Daarnaast moet de kerkenraad signaleren wat de beper-kingen zijn van het onderlinge pastoraat. Dit onderzoek roept de vraag op of en hoe onderling pastoraat functioneert bij niet-kernleden, bij jongeren en bij mensen met een klein of zwak netwerk. En hoe in onderling pastoraat naast bonding het bridging-aspect van sociaal kapitaal functioneert. Hierin kan het pastorale team een aanvullende en gespecialiseerde taak hebben, maar dat is hier niet onderzocht.

Bijzondere aandacht vraagt de derde taak, het faciliteren van de ‘aandach-tige betrokkenheid op elkaar’. Een gevarieerd aanbod van samenkomsten is van belang vanwege de wisselwerking met de aandachtige betrokkenheid op persoonlijk niveau. Daarnaast kan de kerkenraad onderling pastoraat ook op drie manieren gericht faciliteren: door participeren, communiceren en intensiveren. Zelf participeren in onderling pastoraat, persoonlijk en in kringen, kan een nieuwe invulling zijn van de pastorale taak van ouderlingen. Het tweede, communiceren, houdt in dat manieren en media gezocht worden om zowel de spierkracht als de nood aan ‘aandachtige betrokkenheid’ ge-meenschappelijk te maken. In dit onderzoek werden als goede voorbeelden genoemd de aandacht voor zulke nood bij de voorbeden in de kerkdienst of op de bijbelkring. Intensiveren is een derde aspect. Het vrijwilligerswerk kent de term ‘altruïstische overschot’ (Evelien Tonkes). Onderzoek van het SCP laat zien dat 35% van de burgers wel iets willen en kunnen doen voor hun naasten, maar het in feite niet doen.30 Betrokkenheid bij anderen en aandacht geven en ontvangen zijn basiskenmerken van ons menszijn. Toch ervaren sommigen drempels om hulp te geven. Vooral ouderen (75-plussers) en mannen kennen deze ‘handelingsverlegenheid’.31 Meer mensen aanmoedigen tot onderling pastoraat en mensen meer ondersteunen in wat ze daarvoor nodig hebben, is uitvoering geven aan de herderlijke taak van de kerkenraad op een manier die past in de netwerksamenleving.

1 PKN, Kerkorde en ordinanties (2016), 69: Ordinanties art. 8.4.3. Vgl. Kerkorde art. XII.2

2 G. Heitink, Pastorale zorg. Theologie, differentiatie, praktijk, Kampen: Kok, 1998, 18. 247 v.; P. van de Kamp, Verhalen om te leven. Levensverhalen in het pastoraat, Utrecht: Kok, 2013, 159.

3 A. Romkes & N. van der Voet (red.), Priesterlijk pastoraat, Zoetermeer: Boekencentrum, 2017, 170-183.

4 PKN, Kerkorde, 69: Art. 8.4.3; Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKv), Kerkorde in tweede lezing (Ede, 2014), 12: art. C49.1. In beide kerkorden gaat onderling pastoraat vooraf aan ambtelijk pastoraat.

5 Vgl. R.J. de Vries, ‘Opwekken tot omzien naar elkaar’, Kerk en theologie 65/2 (2014), 165-181.

6 E.A.J.G. Van der Borght, Theology of Ministry. A Reformed Contribution to an Ecumenical Dialogue, Leiden: Brill, 2007, 175 v.v.

7 W. Drechsel, Gemeindeseelsorge, Leipzig: Evangelische Verlagsanstalt, 2015, 31-33.

8 Heitink, Pastorale zorg, 34. Vgl. R.R. Ganzevoort en J. Visser, Zorg voor het verhaal. Achtergrond, methode en inhoud van pastorale begeleiding, Zoetermeer: Meinema, 2007, 26: ‘de meest basale vorm van zorg’.

9 Drechsel, Gemeindeseelsorge , 14.

10 H. de Roest, Een huis voor de ziel. Gedachten over de kerk voor binnen en buiten, Zoetermeer: Meinema, 2010, 150-195.

11 R. Brouwer, A.C. Meesters, L.H. Westra (red.), Predikant voor de toekomst. Themanummer Kerk en Theologie 66/4 (2015). Vgl. PKN, KERK 2025. Waar een Woord is, is een weg, Utrecht: PKN, 2016, 27-30.

12 P. Valstar, Verbinding en aandacht. Nieuwe wegen voor gemeentepastoraat, Handreiking voor het pastoraat, Utrecht: PKN, 2008, 8.

13 T. Bernts en J. Berghuijs, God in Nederland 1966-2015, Utrecht: Ten Have, 2016, 29.

14 R.R. Ganzevoort, ‘Verantwoord pastoraat’, Ouderlingenblad 936 (maart 2004), 22-25, hier 23.

15 60% tegenover het landelijk gemiddelde van bijna 11 %. Zie: https://www.onderwijsincijfers.nl/kengetallen/sectoroverstijgend/nederlands-onderwijsstelsel/hoogst-behaalde-onderwijsniveau [be-zocht 10-04-2017].

16 Voor de gevolgde werkwijze van het kwalitatieve onderzoek, zie: H. Boeije, Analyseren in kwalitatief onderzoek. Denken en doen, Amsterdam: Boom, 2014, hoofdstuk 4.

17 Boeije, Analyseren, 107.

18 Joan Tronto, Moral Boundaries. A Political Argument for an Ethic of Care, Londen: Routledge, 1993, noemt als eerste fase van zorgdragen caring about, d.w.z. het waarnemen van de behoefte aan zorg bij de ander met als moreel element attentiveness, aandachtigheid.

19 Heitink, Pastorale zorg, 127-147.

20 Mirjam de Klerk, Alice de Boer, Inger Plaisier, Peggy Schyns, Sjoerd Kooiker, Informele hulp: wie doet er wat? Omvang, aard en kenmerken van mantelzorg en vrijwilligerswerk in de zorg en ondersteuning in 2014, Den Haag: SCP, 2015, 10 en 169-171.

21 Romkes en Van der Voet, Priesterlijk pastoraat, 180.

22 F.G. Immink, In God geloven. Een praktisch-theologische reconstructie, Zoetermeer: Meinema, 2003, 72.

23 J. Calvijn, Institutie IV,12,1, vertaald door C.A. de Niet, deel 2, Houten: Den Hertog, 2009, 418.

24 Ganzevoort en Visser, Zorg voor het verhaal, 26.

25 Zie noot 10.

26 De Roest, Een huis voor de ziel, 283.

27 De bevindingen van H. van Wijnen, Faith in small groups of adolescents. Being together as a basic given, Delft: Eburon, 2016, 57-60, gelden blijkens dit onderzoek ook voor dertigers en veertigers.

28 In lijn met de desbetreffende kerkordelijke bepalingen, zie noot 4.

29 Dit is de omgekeerde beweging vergeleken met Romkes en Van der Voet, Priesterlijk pastoraat, 177 die inzetten bij de kerkenraad die het pastoraat delegeert.

30 De Klerk e.a., Informele hulp, 16.

31 A.w., 193-196.

< Terug