< Terug

Aarde zonder hemel?

Over bijbelse theologie als interpretatie

In het boekje Religie zonder God zegt filosoof Theo de Boer dat de ‘bijbelse theologie’ de manier bij uitstek is om in de huidige tijd betekenisvol over God te spreken. Het discours, de eigen redeneerwijze waarvan die bijbelse theologie zich bedient, typeert hij als ‘interpretatie’. Daar wil de redactie van Interpretatie, tijdschrift voor bijbelse theologie graag het fijne van weten.

Het eerder dit jaar verschenen boekje Religie zonder God bevat een dialoog tussen de filosofen Theo de Boer en Ger Groot. Van beiden is eerst een uitvoerige uiteenzetting opgenomen, waarna elk van hen, reagerend op de bijdrage van de ander, de eigen positie nog eens preciseert. Beide auteurs zijn het erover eens dat de tijd van het klassieke filosofische godsbegrip definitief voorbij is. Ooit waren het bestaan en de eigenschappen van God wijsgerige ‘evidenties’ – het was ondenkbaar dat er geen almachtige, alomtegenwoordige, onveranderlijke godheid zou zijn als oorsprong van al het andere wat gedacht kon worden. Die tijd is lang voorbij, maar de theologie heeft nog lang impliciet op dat ‘natuurlijke’ godsbegrip geteerd. Theo de Boer wijst erop dat ook Karl Barth, die in zijn theologie stelt dat de God van Israël alles behalve zo’n evidente natuurnoodzakelijke godheid is, zijn theologie nog steeds op het klassieke stramien componeert, compleet met de goddelijke eigenschappen. Maar als de evidente godheid dood is, is dat stramien gedateerd. er nog wel betekenisvol over God gesproken worden? En als in de religie, die klaarblijkelijk een blijvend verschijnsel is, hoe dan ook over God gesproken blijft worden, op welke manier zouden die uitspraken dan nog aanspraak kunnen maken op geldigheid of waarheidswaarde?

Ger Groot, een niet-religieus filosoof met rooms-katholieke wortels, meent (heel kort gezegd) dat religie vooral betekenis aan het leven van gelovigen geeft door middel van ritueel, en dat een transcendente God daarvoor helemaal geen noodzakelijk element is. Niet enige waarheid omtrent God, maar de geleefde religieuze ervaring is de grond waarop religie rust. Theo de Boer is protestant, en alleen al daarom was het te verwachten dat hij in zijn denken over religie meer op waarheid betrokken is dan op ritueel. Hij wil weten of er nog een manier van spreken over God mogelijk is waarbij werkelijk het transcendente ter sprake komt – waarbij we dus niet alleen elkaars religieuze ervaringen analyseren, maar het ook werkelijk hebben over iets dat onszelf en ons bestaan volstrekt overstijgt.

In dat verband komen bij Theo de Boer de begrippen ‘bijbelse theologie’ en ‘interpretatie’ aan de orde. Hij is van mening dat de bijbelse theologie een begaanbare weg is om betekenisvol over God te spreken, en hij stelt dat de bijbelse theologie zich voor dat spreken bedient van een discours dat aangeduid worden als ‘interpretatie’.

Omdat we ons hier wel heel dicht bij de bestaansgrond van dit tijdschrift lijken te bevinden, is Piet van Veldhuizen als redactielid van Interpretatie met de auteur in gesprek gegaan. Wat hieronder volgt is een weergave van dat gesprek.

In de bijbelse theologie, die niet op een stellende manier over God spreekt, maar die reflecteert op het verhalende spreken over God in de Bijbel, ziet u een begaanbare weg om over God te blijven spreken nu de tijd van wat u de onto-theologie noemt, definitief voorbij is. Daarmee zou dan ook gezegd zijn, vermoed ik, dat de bijbelse geschriften zelf die begaanbare weg representeren. Dat is bijzonder: het werkbare discours was dus naast of zelfs voorafgaand aan de voorbije klassieke theologie altijd al aanwezig.

Ja, dat is inderdaad mijn mening, die ik ook al heb verdedigd in mijn boek over de God van de filosofen en de God van Pascal.1 Voor de academische godsdienstfilosofie is dat moeilijk te verteren. Een academische discipline moet, vindt men, een basis hebben in de ‘rede’, een begrip dat meestal niet nader gedefinieerd wordt. Als men zich eenvoudig baseert op overgeleverde teksten, wordt dat gezien als een breuk met de laïcité. Wat mij betreft kan de bijbelse theologie gewoon zorgvuldig haar werk doen en de vragen rond de status van haar uitspraken aan de filosofie overlaten. Ik stel me hier pragmatisch op, me aansluitend bij een onderscheid dat men ook in de eredienst maakt tussen uitleg en verkondiging. Er is veel interessant werk te doen voor een bijbelse theologie waarbij de waarheidsvraag , opgevat als waarheid voor het leven, even opgeschort wordt. Laat die kwestie aan een filosoof als Ricoeur over. Een monument van een dergelijke samenwerking is het boek Penser la Bible, geschreven samen met André LaCocque. Dat zou eens vertaald moeten worden.

De bijbelse theologie zoals wij die kennen, is in belangrijke mate schatplichtig aan de dialectische theologie van Karl Barth.

Mijn bezwaar tegen Barth is dat hij van de klassieke theologische schematiek uitgaat.2 Hij baseerde zich daarbij op Die Dogmatik der evangelisch-reformierten Kirche van Heppe uit 1935. Je raakt dan meteen verzeild in de leer van Gods eigenschappen, Gods eeuwige raad et cetera – dat wil zeggen in wat ik de theïstische constructie noem. De aseitas van God bijvoorbeeld, de eigenschap dat God zijn bestaan niet aan iets anders dan zichzelf ontleent, wordt dan door Barth omschreven als ‘die unaufhebbare Subjektivität Gottes in seiner Offenbarung’. Eén voorbeeld van de klassieke theologie voorafgaand aan Barth wil ik u niet onthouden: de leer over de Raad Gods in het werk E Voto Dordraceno van Abraham Kuyper.3 Hij onderscheidt daar de raad, het bestel en de wet Gods, als eerste oorzaken; daarnaast zijn er de tweede oorzaken: Gods geopenbaarde en verborgen wil. Hier wordt Gods raad een ‘eeuwige raad’. Net als bij een veldheer is er bij God eerst een gedachte, dan een woord en dan de daad. Aangezien er bij de schepping nog niets buiten God is, moet het doel ervan wel in God zelf liggen. Dat is zijn ‘glorie’. Et cetera. Toen ik dit als student las, dacht ik: de drie-eenheid vergadert en Kuyper maakt de notulen.

Dan is het wel een verademing hoe Karl Barth deze en dergelijke leerstukken christologisch herschrijft. Maar hoe dan ook, de bijbelse theologie is niet het eigendom van Barth.

In Religie zonder God, en ook zojuist, sprak u over het opschorten van de waarheidsvraag. U bedoelt dan dat de bijbelse theologie zich zorgvuldig zou moeten bezighouden met het verhalende spreken over God zoals we dat in de Bijbel aantreffen, in het vertrouwen dat zal blijken dat we het daadwerkelijk over God hebben. Want ook al kunnen we over God buiten het verhaal geen stellende uitspraken doen, de God over wie de verhalen vertellen, is er wel.

Kuitert stelt dat God een constructie is, maar dat is niet zo. Het theïsme is een constructie. Er bestaat religieuze ervaring daarvoor en daaronder. Bij mij liggen de bronnen in de verhalen, de symbolen, de mythen, de gedichten, de riten. Daarbinnen moet er een onderscheid gemaakt worden tussen die elementen op zich en wat ik in Religie hun ‘essentie’ noemde.4 Die platonische term is niet zo gelukkig. Ik spreek liever van zinsverbanden. Deze zijn in die bronnen belichaamd in feiten, niet in eeuwige ideeën. Het gaat altijd om ‘het verhaal van een levende’, om met Schillebeeckx te spreken.

Het gedicht Journey of the Magi van Eliot formuleert perfect wat ik bedoel. Of, om een roman als voorbeeld te nemen: het boek van Tommy Wieringa, Dit zijn de namen. Let wel: de namen, niet de begrippen. Het zijn de openingswoorden van het boek Exodus. Wieringa’s boek beschrijft een dergelijke exodus op tweeërlei niveau, van een politiechef in de stad en van een groep zwervers door de woestijn. Toen ik het voor de tweede keer las ontdekte ik pas hoe concreet en angstwekkend precies hier het ontstaan van een religieuze overtuiging beschreven wordt. Een snipper van een tekst kan een document zijn, het delen van een rest voedsel het stichten van een communauteit, het intuïtief kiezen van een route een ommekeer. Dit alles ‘in zwakheid volbracht’, met een uitdrukking van Paulus. Daar ligt de ‘glorie’ waarnaar Kuyper op zoek was.

U gebruikt het woord ‘interpretatie’ – het titelwoord van ons tijdschrift – als de aanduiding van een specifiek soort discours, een wijze van spreken die anders is dan die van de klassieke theologie en van de godsdienstfilosofie.

Als ik zoiets als een levensovertuiging moet omschrijven, steun ik vooral op Hans-Georg Gadamer. Die laat zien dat interpretatie een eigen rationeel discours is, een structuur die overeenkomt met die van de phronêsis bij Aristoteles. Ik heb dat ooit uitgewerkt in mijn boek Pleidooi voor interpretatie, om psychotherapie te verdedigen als iets dat rationeel verantwoord kan worden, als vorm van kennis, als prudentie.5 Interpretatie heeft net als phronêsis drie eigenschappen: het gaat om kennis die ons aangaat, dus relevant is, het is kennis van het concrete en individuele, en er is altijd een indirecte relatie met de ethiek. Ik licht ze alle drie toe.

1. Het belang van relevantie is, denk ik, het minst omstreden. Iedereen ziet tegenwoordig wel in dat de universiteit zich moet bezighouden met ethische en politieke problemen. Ook Max Weber, die voor waardevrije wetenschap was, vond dat. Bezinning op waarden stond wel degelijk op zijn academische agenda. Zijn opvattingen worden vaak zeer gesimplificeerd weergegeven. En dan kun je in de theologie niet heen om de waarheidsvraag.

2. Klassiek gesproken zou kennis alleen van het algemene kunnen bestaan: scientia non est individuorum. Heidegger gebruikt echter al in Sein und Zeit de uitdrukking ‘Hermeneutik der Faktizität’. Ricoeur en Derrida volgen hem daarin. Ricoeur beroept zich op Kant, die van de poëzie zegt dat ze ‘te denken geeft’. Dat geldt dan ook voor het verhaal, de roman, de mythe. Kundera zei hierover: ‘Het bestaan is niet wat er gebeurd is, het bestaan is het hele scala van menselijke mogelijkheden. De roman moet die in kaart brengen.’ Je kunt deze cultuuruitingen niet kentheoretisch afdoen als fantasie of als ‘van verbeelding’ (Kuitert). Een rationele discussie over de betekenis van dergelijke teksten zou dan immers geen zin hebben. Andere voorbeelden van het interpreterende discours dat zich met het individuele en concrete bezighoudt zijn de interreligieuze dialoog en de Verenigde Naties. Een pure schijnvertoning? Nee, al kun je hier geen beslissingen afdwingen. Religie en recht, de preek en de pleitrede zijn de grote voorbeelden van interpretatie als eigen discours. Het lijkt tegenstrijdig – zo diep is in ons het metafysische denken over waarheid verankerd – dat er op dit gebied zoiets als waarheid en redelijkheid zou bestaan. Toch wordt ook algemeen beseft, ingezien en erkend dat onze mening op deze gebieden weliswaar ‘een’ mening is, maar juist daarom getoetst moet worden aan andere meningen. Meningen zijn niet per se irrationeel en daarom irrelevant.

3. Ten slotte is er in de interpretatie altijd een indirecte relatie tot de ethiek. Een politicus moet wel het vermogen hebben iets voor elkaar te krijgen, maar toch is volgens Aristoteles een opportunist niet verstandig. Alles wat ik hier boven gezegd heb, impliceert dat de mens een verantwoordelijk wezen is en moet zijn. Als er alleen kennis in de vorm van ‘redewaarheden’ zou bestaan, is denken, in de zin van Hannah Arendt, overbodig.

Alles wat in deze drie punten gezegd is, geldt ook voor de bijbeluitleg. De basis van de religieuze kennis ziet er vaak schamel uit. Schriftuurlijk gezien lijkt het op zo’n plaatje van een snipper van de Dode Zeerollen. Bijna verkruimeld. Maar dan wel een restant waar toevallig, zoals in Exodus 3 of Matteüs 25, een dragende waarheid in geboekstaafd is.

Het boekje dat u samen met Ger Groot publiceerde, heeft als titel Religie zonder God. Naar analogie daarvan, en in lijn met het thema van deze aflevering van Interpretatie, zouden we dit stuk graag de titel ‘Aarde zonder hemel?’ meegeven. Kunt u zich daarin vinden?

Die titel is mooi gevonden. Alleen moeten we dan wel ‘hemel’ in de metafysische zin nemen met de engelen als formae separatae. In Religie zonder God heb ik geschreven dat de hemel in de bijbelse geschriften geen transcendente ruimte is waar de zalige zielen bewaard worden, maar deel uitmaakt van de schepping.6 De aarde moet het dus weliswaar zonder de klassiek-theologische hemel stellen, met de bijbelse hemel blijft ze altijd verbonden. Het inzicht dat aarde en hemel beide de zijnswijze van het geschapen zijnde hebben, dank ik overigens aan de bijbelse theoloog en geestverwant Karel Deurloo.

< Terug