< Terug

Advocaat wordt aardappelboer

Arwin Bos was advocaat op de Zuidas en is nu aardappelboer in de Haarlemmermeer. We spraken hem over deze opvallende carrièreswitch. Wat veranderde er? Arwin werd 37 jaar geleden geboren in Nieuw-Vennep. Op de boerderij groeide hij op: ‘Ik ben de vierde generatie die hier boert. Mijn overgrootvader kwam in 1914 hiernaartoe. Hij pachtte een stuk land. Na de oorlog kon mijn opa – zijn schoonzoon was dat, mijn overgrootvader had maar één dochter – dat kopen.’

Rechtenstudie

‘Ik heb altijd een brede interesse gehad dus ik wilde niet direct na school het akkerbouwbedrijf van mijn vader in. Bovendien stimuleerden mijn ouders mij ook om te studeren. Het was in die tijd, rond de millenniumwisseling, heel moeilijk in de akkerbouw. Daarom ging ik rechten studeren.

Al tijdens mijn studie werd ik door mijn hoogleraar gevraagd om als werkstudent bij een advocatenkantoor te komen. Dat zat op de Zuidas in Amsterdam. Het was een harde leerschool. Ik werd er echt in het diepe gegooid maar daardoor was het een steile leercurve, zoals dat heet.

Ik werd beëdigd. Ik had een riant inkomen, een eigen secretaresse en mijn eigen specialisme: met name de grond- en mensenrechten.’

Maar toen besloot je terug te gaan naar je wortels. Waarom?

‘Dat was een combinatie van factoren. Ik was de balans aan het opmaken: wil ik nog veertig jaar als advocaat werken? Ook had ik een extra opleiding gevolgd over ondernemerschap. Dat prikkelde mij.

In die tijd werd mijn vader zestig. Hij had ons als kinderen uitgenodigd voor een gesprek: willen jullie nog iets? Mijn zus en broer hadden daar geen trek in. Toen dacht ik: ik voel me toch verantwoordelijk voor dit familiebedrijf. Ik wil me daar niet aan onttrekken. Noem het rentmeesterschap.

Tegelijk ben ik nuchter. Ik dacht: laat ik het vijf jaar proberen. Ik heb het trouwens eerst twee jaar gecombineerd. Ik kreeg een nulurencontract bij het advocatenkantoor. Als het nodig was, kon ik daar beschikbaar zijn. Toch werkte dat niet echt, want ik had al mijn aandacht en energie nodig voor het bedrijf.

Ik nam namelijk niet alleen het bedrijf van mijn vader over, ik wilde het ook anders gaan doen. Ik besloot een aantal oude en speciale aardappelrassen te telen en deze rechtstreeks aan de horeca te leveren. Dit bleek uiteindelijk toch te weinig basis. Toen gingen we ons ook richten op de verse friet. We telen frietaardappelen. Maar nog steeds leveren we deze rechtstreeks.’

Reacties

‘Mijn kantoorgenoten reageerden verbaasd, maar ook enthousiast. Tenminste mijn generatiegenoten. Die vonden het boeiend. Zij hadden wel een romantisch beeld van boer worden. Mijn oudere kantoorgenoten waren minder enthousiast. Die begrepen niet waarom ik dat gespreide bedje van de advocatuur verliet.

Maar misschien wel het negatiefst waren de reacties uit de agrarische sector: weet waar je aan begint! Zo rooskleurig is de toekomst van onze sector niet. Er is zoveel onzekerheid. Die reactie snapte ik ook wel. Van huis uit weet ik dat boer zijn ook sappelen is: keihard werken, met zoveel wat je niet in de hand hebt.’

Wat was voor jou de grootste verandering?

‘Destijds had ik als advocaat privé en werk gescheiden. Hier is het een. Alles speelt zich af rond dat ene boerenerf. Dat heeft ook iets moois, iets bijbels wat mij betreft. Maar het eerste jaar dacht ik weleens: waar ben ik aan begonnen?

Op de Zuidas is het altijd hectisch. Er is veel energie. Ik heb daar echt van genoten. Nu zat ik samen met mijn ouders mijn boterhammetje te eten. Voor mijn gevoel ging ik terug in de tijd. We hebben trouwens twee locaties, dus vaak genoeg was ik ook alleen. Daar moest ik echt aan wennen.

Het was ook spannend. Zeker toen we de eerste oogst binnenhaalden: hoe zou deze zijn? Wat zou deze opleveren? Gelukkig was het goed. Ik voelde me echt gezegend. Ook als ik terugdenk aan dat ongeluk dat ik kreeg…’

Ongeluk?

‘Ja, een “klassieker” (Arwin grimlacht erbij). Ik kwam met het puntje van mijn handschoen in de aardappelrooimachine en werd erin getrokken. Op wonderlijke wijze liep dit goed af. De meeste boeren raken bij zoiets een arm kwijt, of nog erger. Maar ik was de week erna alweer aan het werk. De dokter had zoiets nog nooit meegemaakt. Hij had gezegd dat het herstel maanden zou duren.

Ook dit gaf mij energie. Ik kon ons bedrijf uitbreiden. Intussen heb ik twee vaste werknemers, die voltijds meedraaien. En in drukke tijden schakel ik meer mensen in.’

Je gebruikt een aantal keer het woord ‘gezegend’. Dat is een geloofsterm. Is jouw geloof veranderd door die switch van advocaat naar boer?

‘Als advocaat had ik ook een levend geloof. Maar ik beleefde het vooral op zondag. Nu is het veel meer verweven met mijn dagelijkse bestaan. Ik bid om goed weer. Ik ben daar als boer echt afhankelijk van. Ik bedoel: ik stop voor tonnen euro’s in de grond: het zaaigoed, de kunstmest enzovoorts. Dat doe ik in de hoop dat het gewas opkomt, dat er een goede oogst is en een goede prijs.

Er is zoveel onzeker. Je moet echt geloof en hoop hebben. Daar bid ik om. Ook bidden we als gezin om veiligheid. Wij boeren werken met zulke zware machines. Dan zijn veiligheid en bescherming geen luxe.

Als advocaat bad ik eigenlijk nooit voor mijn zaken. Tegelijk ben ik ook nuchter: als het niet loopt, moet ik weer iets anders gaan doen.’

Zou je dan weer advocaat worden?

‘Of ik echt weer terug zou willen naar de Zuidas, weet ik niet. Maar iets bestuurlijks in de landbouw zou zomaar kunnen. Sterker nog: ik ben nu al vicevoorzitter van een grote coöperatie. Dat kost me twee dagen in de week. Dat vind ik ook heel leuk.

Je snapt dat ik daar de jurist ben. Sowieso heb ik veel profijt van mijn juridische achtergrond. Als boer heb ik te maken met zo veel regelgeving en in mijn geval ook met certificaten. Dat vinden veel boeren lastig. Die rijden het liefst op de trekker. Maar zo ben ik weer niet. Daarom zeg ik tegen jonge boeren: ga vooral ook iets anders studeren. Dat helpt je echt voor later.’

Kees van den Berg is wijkpredikant van de Pauluskerk (Protestantse Kerk Gouda) en voorzitter van de redactie van Woord & Dienst.


Cover tijdschrift 'Woord & Dienst' 2022, nr. 1

Woord & dienst 2022, nr. 1: Verandering

Kameleons staan erom bekend dat ze zich aan hun omgeving aanpassen; veranderen hoort bij een kameleon. Hoe is dat bij mensen? De vraag om zich te blijven ontwikkelen, kan als druk ervaren worden, schrijft Jannie Eijmael. Anne Timmer legt uit wat er moeilijk is aan veranderen. Toch doen we dat voortdurend, zoals ook de andere bijdragen laten zien.

En als altijd verandert Woord & Dienst mee. Dit nummer bevat niet alleen een nieuwe rubriek die eens in de twee maanden gevuld zal worden door Piet de Jong. Ook mogen we Arie Kok verwelkomen als nieuwe columnist.

< Terug