< Terug

Alle begin is klein

Kerstverhaal

‘Wil jij nog even voor mij naar de winkel?’ Loes kijkt traag op van haar mobieltje.

‘Huh?’ Haar vader herhaalt de vraag .

‘Of je even naar de winkel wilt gaan.

Ze zijn bijna dicht, en we hebben nog kerstlichtjes nodig.’

‘Maar we hebben toch helemaal geen boom?’ sputtert Loes.

‘Jawel, dat sparretje in de voortuin. Zou leuk zijn als dat met Kerst nog zou branden.’ Met een diepe zucht en hoorbare tegenzin staat Loes op van de bank. ‘Oké, waar moet ik naartoe?’

Het is de avond voor Kerst. Loes en haar vader wonen nog maar kort in het kleine huis met tuintje. Overal staan nog dozen. Ze hebben een heftige en pijnlijke tijd achter de rug. Loes ziet geregeld het verdriet in de ogen van haar vader, verborgen achter gespeelde vrolijkheid. Hij houdt zich groot voor haar. Zelf wil ze er niet over praten. Ze is stiller geworden, gevoeliger, maar ook harder. Kwetsbaar wantrouwend. Niets zal haar nog een keer zó raken!

‘Hey, Loetje!’ Ze kijkt om en ziet Mark, met zijn eeuwig lachende ogen en open gezicht. Zo’n jongen voor wie ieder glas halfvol is. In de korte tijd dat ze hem kent, is hij een goede vriend geworden. Hoe verschillend ze ook zijn, hij is de enige die haar begrijpt. Misschien juist omdat ze zo verschillend zijn. Of ze meer voelen voor elkaar?

‘Waar gaat de reis naartoe?’ vraagt Mark.

‘Loop effe mee’, antwoordt Loes, ‘ik moet stomme kerstlampjes halen’. Ze is wel blij dat ze niet alleen de donkere avond door moet. Zwijgend lopen ze naast elkaar.

Loes is druk in gesprek met haar telefoon als een man op een fiets hen in volle vaart passeert… en vol op de rem gaat staan. Hijgend van inspanning en wild gebarend vraagt hij Loes of hij even haar telefoon mag lenen. ‘Ik word vader. Mijn vrouw staat op bevallen. Het is haar eerste. Ik moet weten waar ze nu is.’

Hoewel Loes best geschrokken is, ontroert de opgewonden chaos van de man haar. Met een glimlach geeft ze hem haar mobiel. ‘De weeën zijn al begonnen?’ … ‘Welk ziekenhuis?’… ‘Ik kom er meteen aan!!’ Na deze flarden telefoongesprek zien Loes en Mark de man op de fiets springen en als een speer verdwijnen in de nacht. Of is het als een dief in de nacht…? ‘Mijn telefoon’, schreeuwt Loes de man opeens achterna. Hij hoort haar niet meer. Ze rent in wanhoop nog een heel eind in zijn spoor, maar het heeft geen zin. Hijgend ploft ze ergens neer.

Ook Mark is achter adem als hij naast Loes in het gras gaat zitten. ‘Ben je nou genept?’, vraagt hij. ‘Ik weet het niet. Ik baal vreselijk. Maar ik geloof dat hij echt een kindje krijgt. Jij vertrouwde hem toch ook?’ Mark ziet in alle duisternis niet dat het gezicht van Loes opeens getekend wordt door verdriet. Ze herinnert zich de foto’s die op haar telefoon staan. Foto’s van vóór het grote verdriet. Van mooie, gelukkige en zorgeloze tijden. Ze heeft ze sindsdien niet meer bekeken. Dat durfde ze niet. Om de onvermijdelijke tranen. En nu zijn die herinneringen weg.

‘Weet jij waar we zijn?’ vraagt Mark. Ze zitten in de berm van een bospad. De duisternis overvalt hen, en het is angstig stil.

‘Bel jij even met je ouders?’ fluistert Loes. Mark voelt in zijn zakken om enkel bevestigd te krijgen wat hij al weet: zijn telefoon ligt thuis. ‘En nu?’ Zwijgend zitten ze op de grond.

‘Kan ik helpen?’ Loes en Mark horen een zachte stem. Hun ogen zoeken waar die vandaan komt. ‘Kan ik helpen?’ herhaalt de stem. Dan zien ze in het gras een glimworm stralen. Een klein kwetsbaar lichtpuntje in het avondzwarte gras. ‘Dat kan toch niet?’, roept Mark verbaasd terwijl hij naar achteren schiet. ‘Pas op’, zegt de glimworm, ‘mijn familie loopt hier ook’.

Loes neemt de glimworm op haar hand en bekijkt het wonderlijke schijnsel vol aandacht. ‘Hoe heet jij?’, vraagt ze, ‘en waar kom je vandaan?’ ‘Ach, ik mag geen naam hebben, daarvoor ben ik te klein. Maar noem me maar Worm’, antwoordt hij met lichte stem. ‘We zijn een beetje verdwaald’, zegt Mark die zijn moed heeft hervonden. ‘Dat weet ik. Daarom ben ik hier’, antwoordt Worm, ‘Ik geef licht in de duisternis, en wijs de weg als je die kwijt bent’. ‘Ben je daar niet wat te klein voor?’, vraagt Loes. Worm wriemelt wat ongedurig. ‘Alle begin is klein, vertrouw me.’

‘Maar waar kom je vandaan?’ wil Loes weten.

‘Ik besta door jou’, zegt Worm. Hij ziet hun stomverbaasde gezichten en gaat er even voor zitten op de hand van Loes. ‘Luister. Iedere keer als iemand een goede daad verricht of echte liefde laat zien, krijgt een glimworm zijn leven. Zonder dat geven we geen licht. En kunnen we ook de weg niet wijzen.’ De gezichten van Loes en Mark zijn nog steeds vol onbegrip, dus gaat Worm verder. ‘Toen jij die man je telefoon gaf, deed je dat vanuit je hart. Hij was in nood, jij hebt hem geholpen.’ ‘Maar ze is haar telefoon wel kwijt’, valt Mark Worm in de rede. ‘Wees geduldig’, zegt Worm met wijze stem, ‘een benefact wordt altijd beloond’. ‘Een bene-wat?’ vraagt Loes. ‘Ach ja, jullie kennen geen Glimworms’, zegt Worm, ‘Ik bedoel een goede daad.’

‘Maar waarom hebben we nooit eerder een glimworm gezien?’, vraagt Mark. ‘O, de wereld is vol met glimwormen’, zegt Worm, ‘je moet er alleen oog voor hebben. Er is zoveel liefde, maar soms wordt die overschaduwd.

Of misschien is het beter te zeggen overbelicht. Er schijnt zoveel in deze wereld, dat je soms het kleine niet ziet wat er daadwerkelijk toe doet’.

‘Kun je ons de weg naar huis wijzen?’, vraagt Loes.

‘Dat kan met alle gemak. Maar ik moet je ook nog een andere weg wijzen. Je hebt een mooi hart, maar je hebt ook verdriet. Veel te veel voor zo’n jonge meid. Je bent je thuis kwijt en de weg naar een nieuw thuis kost moeite. Je zit vol liefde, maar degene aan wie je die liefde wilt geven, is er niet meer.

Vertrouw me, het wordt beter. Niet dat je vergeet, maar wel dat je weer opengaat.’ De woorden van Worm maken Loes aan het huilen. Mark pakt haar hand vast. ‘Worm heeft gelijk’, zegt hij, ‘je bent niet alleen.’ En op dat moment glimt er nog een worm. ‘Dat is mijn zus’, zegt Worm, ‘Door liefde schijnt er steeds meer licht in de duisternis.’

‘Mijn neef zal jullie nu de weg wijzen naar huis’, zegt het zusje van Worm. Die neef is een vuurvlieg en vliegt om hen heen. ‘Wij zijn te traag’, legt Worm uit. Vuurvlieg, die ook geen naam mag hebben, vliegt lichtend voor hen uit tot ze de weg weer weten naar het kleine huis met tuintje. ‘Dag Vuurvlieg, groeten aan Worm’, zegt Mark. Heel even fluistert Vuurvlieg nog iets in het oor van Loes. Ze glimlacht.

Vader staat al in de deur. ‘Gelukkig, daar zijn jullie. Ik maakte me zo ongerust. Er was hier iemand die je telefoon teruggebracht heeft, maar hij kon niet vertellen waar jullie waren. Kom binnen, snel. Ik heb warme chocolademelk voor jullie… O ja, het is een jongetje… ik bedoel de baby van die man.’ Loes en Mark drinken de warmte binnen. Alles is goed zo. ‘O nee, we hebben helemaal geen kerstlichtjes’, roept Loes verschrikt.

Maar als ze door het raam naar buiten kijken, zien ze de wonderschoonste boom die ze ooit gezien hebben. Het sparretje is gevuld met glimwormen en vuurvliegjes. En lichte stemmetjes tinkelen: ‘Zalig kerstfeest’.

‘Wat fluisterde Vuurvlieg nou in je oor?’, vraagt Mark. ‘Een prachtig verhaal’, antwoordt Loes, ‘over herders en engelen, en een kind in een voerbak. Alle begin is klein.’

Harold Schorren, predikant van de wijkgemeente Laurenspastoraat, city pastor van Rotterdam, en redactielid van Open Deur.

< Terug