< Terug

Alleen de Schrift?

Vier of vijf sola’s, dat zijn de piketpalen die de reformatie al vroeg heeft geslagen. Niet door Maarten Luther als een soort ‘mission-statement’ zelf op papier gezet, maar wel direct ontleend aan zijn gedachtegoed. Sola Scriptura – alleen de Schrift; Sola Fide – alleen het geloof; Sola Gratia – alleen de genade; Solo Christo – alleen Christus; en als een soort paraplu boven dat alles ook nog het Soli Dei Gloria – alleen God de eer. Voor veel protestanten was en is het sola scriptura een vanzelfsprekendheid en als vanzelfsprekendheid is het zelden kritisch bevraagd. Nu echter kunnen we met een afstand van zo’n vijfhonderd jaar opnieuw bezien hoe het sola scriptura zich ontwikkeld heeft en ook de vraag stellen of het ook voor de toekomst nog wel houdbaar is.

Luther en zijn tijd

Luther heeft zijn tijd ingrijpend gekleurd, al betekent dat natuurlijk volstrekt niet dat ook hij zelf geen kind was van zijn tijd. Aan het einde van de vijftiende en het begin van de zestiende eeuw staat het laatste oordeel op veel schilderingen centraal; het beeld van de oordelende Christus die de schapen van de bokken scheidt. Dat beeld bracht in persoonlijke levens ook angst. Niet voor niets zien we in deze beelden naast de tronende Christus zijn moeder Maria en zijn geliefde leerling Johannes als voorsprekers getoond, die deze strenge Heer in zijn oordeel mild moeten stemmen. Met het laatste oordeel speelde als vanzelf ook de gedachte aan een mogelijk spoedig einde van de wereld een rol. Luthers vraag hoe je een genadige God krijgt, past helemaal in dat beeld. Tegelijkertijd moet in deze jaren, zoals eerder omstreeks het jaar duizend, de gedachte aan een resttijd zijn gegroeid. God gunt ons blijkbaar nog langer de tijd op onze aarde en zo kon in het humanisme een nieuwe hoop opbloeien.

Voor Luther lag die hoop op het vlak van de theologie. Eerst als een persoonlijke overtuiging, maar daarbij bleef het niet. De overtuiging werd al snel een (kerk)politiek instrument en uiteindelijk zelfs een waarheidscriterium. Alleen de Schrift, alleen het geloof, alleen de genade. Er was een nieuwe tijd aangebroken, theologisch met de reformatie en cultureel met de renaissance. Die nieuwe tijd speelde voor verschillende partijen die tegenover elkaar kwamen te staan geen eenduidige rol. Deze tijd was eerder chaotisch dan eenvoudigweg zwart-wit of links-rechts. Zo was de kerk (met een grote K) behoudend als het ging om de leer en de macht, maar vernieuwend in het toepassen van de destijds nieuwe kunst waarmee de Sint-Pieter in Rome werd verrijkt. En het vroege protestantisme bleef niet beperkt tot een innerlijk geloof, maar kreeg onverwacht opeens ook revolutionaire trekken. Zowel kerkelijk als maatschappelijk. Er gloorde een vrijheid. Allerhande factoren – sociaal, politiek, religieus en maatschappelijk – maakten deze tijd, die we kunnen zien als een breukvlak in de geschiedenis, tot een ingewikkeld geheel. Afscheid van wat wel de duistere middeleeuwen is genoemd en hoop op een nieuwe toekomst.

Wereldwijd lijkt een nieuw solo actief te zijn geworden: Solo Spiritu!

Luther raakte ervan overtuigd dat alleen de Schrift de weg naar die toekomst zou kunnen wijzen. Maar al vroeg werd er ook bedacht dat ‘alleen de Schrift’ niet genoeg was. De Schrift legt zichzelf misschien wel uit, maar uitsluitend op voorwaarde dat je ook het juiste geloof hebt en het besef dat alles alleen maar genade is. Het ‘alleen de Schrift’ staat dus niet op zichzelf. Alleen is niet alleen; het is niet los verkrijgbaar. Luther dacht oprecht dat hij met zijn nadruk op de genade alleen een sleutel in handen had om de hele Schrift te kunnen begrijpen. Her en der echter bleek die sleutel, nog los van zijn schriftinterpretatie, toch niet zo goed op de hele Schrift te passen.

Niet op de brief van Jakobus bijvoorbeeld, die de nadruk niet legde op de genade, maar op een geloof dat zonder werken niks is. Deze brief, door Luther een strooien brief genoemd, paste niet naadloos in zijn nieuwe inzicht(en) en hij koos er dan ook voor om in zekere zin aan deze brief voorbij te gaan.

Luther heeft niet kunnen voorzien hoe zijn gedachtegoed zich door de tijden heen zou ontwikkelen. Zowel de toenemende individualisering van de samenleving als de toenemende alfabetisering zouden zijn beweging niet voorziene vleugels geven. Daarom zal het sola scriptura een ieder die een beetje protestants is opgevoed nog steeds sympathiek in de oren klinken. De vraag die we echter na zo’n vijf eeuwen wel moeten stellen is: welke Schrift? Een ieder kreeg hetzij in kerkelijk verband, hetzij in zijn of haar persoonlijk geloof een eigen Schrift. De scheuring van protestantse kerken bleef maar doorgaan. En wereldwijd lijkt daarvoor een nieuw solo actief te zijn geworden: solo Spiritu (alleen de Geest).

Luther en zijn Bijbel

Vóór Luther was het (in West-Europa om ons daartoe te beperken) de Kerk met een grote K die de Bijbel als Schrift door de eeuwen heen had gekoesterd en behoed als de heilige Schrift, het boek der boeken, Gods eigen woord. Dat had niet gekund als de mens door alle tijden heen in die heilige Schrift geen klankbord had gevonden; ingebed in liturgie en rituelen bleek het boek zeer geschikt om mensen te begeleiden in leven en bij sterven. In die zin had de Bijbel altijd al een existentiële betekenis voor de nog collectieve christenheid. Maar Luther slaagt erin het boek uiterst persoonlijk en daarmee individueel-existentieel te lezen. Hij vond erin het antwoord op de voor hem zeer nijpende vraag hoe je een genadig God krijgt. De vraag is nog ronduit middeleeuws, maar het antwoord zal de nieuwe tijd gaan kleuren.

Het is voor Luther een geloofsovertuiging en voor Erasmus een humanistisch ideaal dat ervoor zorgt dat beiden de wens hebben dat de Bijbel altijd en overal voor iedereen beschikbaar moet kunnen zijn. En zover kwam het ook. Luther en Erasmus hebben ons de Bijbel letterlijk in handen gegeven en daarvoor mogen we ze oprecht dankbaar zijn. Maar er blijft ruis bestaan als het gaat over het verstaan van de Schrift. Luther was ervan overtuigd dat de Schrift zichzelf uitlegt en met de opeenstapeling van de verschillende sola’s was de weg naar misverstaan voor de vroege reformatie, zo dacht men, wel afgesloten. Erasmus ging deze weg zo niet; hij kende meer betekenis toe aan de heilige Geest. Naar zijn overtuiging zou die Geest ons helpen bij het juiste verstaan van de Schrift. Niet alles, maar toch wel dat wat God zijn mensen vergund had te begrijpen. En dat we dan niet alles begrijpen bewijst volgens Erasmus alleen maar dat het inderdaad de heilige Schrift is; Gods eigen woord.

We gebruiken de Bijbel als een grabbelton waaruit je naar boven kunt halen wat je lief is

En passant kan hier gezegd worden dat de heilige Geest, of wat we daarvoor hebben gehouden, het behoorlijk af heeft laten weten. Kennistheoretisch weten we niet of nauwelijks onderscheid te maken tussen de heilige Geest en onze buikgevoelens, die met name in opwekkingsbewegingen gemakkelijk in de schoenen van de Geest worden geschoven. Je kunt van alles roepen, en dat gebeurt dan ook her en der met slechts drie woorden: ‘De Bijbel zegt…’ Dat is genoeg voor autoriteit. Maar de Bijbel is zo kleurrijk dat het boek niet eenduidig kan spreken. We gebruiken de Bijbel als een grabbelton waaruit je naar boven kunt halen wat je lief is. En spreekt God dan of zijn we dat dan toch zelf? Is ook de Geest niet een instrument geworden? Een instrument dat in onze handen levensgevaarlijk kan zijn? Terug naar Luther. Zijn hoogst persoonlijke benadering valt in de Europese geschiedenis na de middeleeuwen samen met een toenemende individualisering in de samenleving, die een grote vlucht zal nemen en tot op de dag van vandaag voortgaat. Tegelijkertijd nam de alfabetisering van het ‘gewone volk’ toe met de overtuiging dat het goed is als eenieder de Bijbel in zijn eigen volkstaal kan (gaan) lezen.

Nu was Luthers vertaling van de Schrift niet de eerste vertaling in het Duits. Zijn vertaling echter zou wel een onnavolgbaar grote invloed uitoefenen op de Duitse taal, zoals de Statenvertaling in Nederland en de King James in Engeland dat vervolgens ook zouden doen. Waar de bijbelvertalingen in Europa een relatieve eenheid in de verschillende landstalen wisten te bewerkstelligen, was dat bepaald niet het geval voor het verstaan van de Bijbel – zeker niet in Nederland waar zich een lappendeken bevond en nog bevindt van gescheurde kerken en kerkjes. Nog geen honderd jaar na Luther legde Friedrich von Logau (1605-1655) de vinger al op de zere plek toen hij schreef: ‘Luthrisch / Påbstisch vnd Calvinisch / diese Glauben alle drey / Sind verhanden; doch ist Zweiffel / wo das Christenthum dann sey’. Vrij vertaald: Luthers, pauselijk en calvinistisch, drie geloven die voorhanden zijn, toch is er de twijfel waar het christendom dan is.

Alfabetisering en individualisering

Sinds de tijd van Luther en Erasmus, en ook dankzij hen, maakte de alfabetisering van wat wel ‘het gewone volk’ is genoemd enorme sprongen vooruit, zodat vrijwel een ieder na verloop van tijd ook daadwerkelijk in staat werd gesteld om altijd en overal de Bijbel te (kunnen) lezen. Lezen echter is nog niet hetzelfde als begrijpen. Het toenemende individualisme bracht ook met zich mee dat wij ons in ons bijbelverstaan niet (meer) laten sturen. Inzichten die in de bijbelwetenschappen zijn opgedaan, vinden maar zelden een weg naar de gemiddelde bijbellezer, die zich vrij voelt om vast te houden aan wat hem of haar ooit is geleerd met de daarbij behorende en vooronderstelde uitleg van de Bijbel. En… in Europa wordt de Bijbel niet langer zoveel gelezen als Luther en Erasmus voor ogen stond. Het conventionele christendom waarin het geloof al lezend als vanzelfsprekend op volgende generaties werd overgedragen, is echt voorbij. Daarbij is er bij het leesproces dat nog wel geschiedt, nog meer sprake van willekeur. De Schrift alleen. Maar ja, dan toch of uiteindelijk wel die van mij!

De vraag naar betekenis is wezenlijker dan de niet-bijbelse vraag naar waarheid

Een overtuiging in beweging

Wat voor Luther met het sola scriptura eerst en vooral een persoonlijke overtuiging was, werd in zijn tijd een (kerk)politiek instrument. Dat instrument kreeg vleugels in de tijden die volgden, niet slechts in vooral noordelijk Europa, maar later ook in Amerika. Vervolgens werd het sola scriptura ook nog eens een criterium voor waarheid en daarmee vloog de aanvankelijke persoonlijke overtuiging volledig uit de bocht.

Kerkpolitiek heeft het sola scriptura de oude moederkerk doen scheuren. De meningen stonden lijnrecht tegenover elkaar en leken wel gegoten in beton. In de standpunten was geen beweging meer te krijgen. En zo staan het sola scriptura aan de ene – en het Vaticaanse magisterium (dat in mijn ogen overigens geen alternatief is) aan de andere kant nog steeds lijnrecht tegenover elkaar. En dan kwam er in de tijd dus ook nog het probleem van de waarheid. Nu is Waarheid of de waarheid wijsgerig een uitermate abstract begrip dat ons niet, of in ieder geval niet goed verder helpt in het verstaan van de Bijbel. Als je postuleert dat de Bijbel met het sola scriptura altijd en overal waar is, dan heb je het boek onbedoeld op slot gedaan omdat het een onzuivere verhouding blootlegt tussen geloof en waarheid onderling. Geloof werd minder ‘vertrouwen op’ en meer ‘voor waar houden’. Daardoor is het ons gelukt aan de Bijbel niet passende vragen te stellen. Met grote gevolgen overigens.

Wie in de Bijbel zoekt naar een definitie van God, die hoeft het boek niet te lezen, want die definitie vind je niet. Wie in de Bijbel zoekt naar een sluitende verklaring voor het kwaad in de wereld, die hoeft het boek ook niet te lezen, want ook zo’n verklaring vind je er niet. En wie ten slotte zoekt naar de waarheid in de Bijbel (letterlijk of wijsgerig), die kan het boek ook ongelezen laten. De waarheid zoals wij die verstaan vind je er niet. Bovendien lijkt het abstracte begrip waarheid tegenwoordig gereduceerd te zijn tot ‘meten is weten’ en wordt er in onze dagen zelfs al gesproken over een postfactuele samenleving waarin de feiten er niet meer toe doen. Wij hebben de waarheid niet meer in pacht. Laat mij toevoegen dat ik hoop dat u als lezer mij niet verkeerd verstaat. Ik acht de Bijbel dermate bijzonder en hoog dat er geen enkele reden is om hem niet meer te lezen. Integendeel zelfs, maar ik sta een andere lezing voor. We zullen mijns inziens toe moeten naar een nieuw perspectief in ontvankelijkheid – minder vooringenomen. Een zoektocht naar betekenis en een gesprek daarover dat in redelijkheid gevoerd wordt en niet vanuit een bastion van het gelijk. Daarmee zouden we de Bijbel meer recht doen dan het boek tot op heden gedaan is.

Alleen de Schrift?

We kunnen in mijn ogen niet meer terug. We zijn aan Luther voorbij. De sola’s bleken in de praktijk onmogelijk en de Geest helpt ook niet als verondersteld. Aan de andere kant is ook het Vaticaanse magisterium geen optie als het gaat om het alleenrecht de Bijbel uit te leggen. Wat ons overblijft is een welwillende benadering van de teksten, die ons niet slechts bevestigen, maar ook verbazingwekkend verrassend kunnen zijn en de bereidheid om met alle redelijkheid die we op kunnen brengen te zoeken naar de betekenis van het oude woord. En dan is het al mooi als we die betekenis er niet zelf zomaar meer inleggen. Waardevol daarbij is dan zelfs een toenemende sprake van waardering voor de Bijbel onder lezers die zeggen niet meer te geloven. Eind jaren zeventig van de vorige eeuw schreef de Franse filosoof Bernhard Henri Levi: ‘Als God dood is, dan heeft Hij toch een mooi testament nagelaten!’ En recent verscheen het Oerboek van de Mens, waaruit eveneens een grote waardering spreekt voor de Bijbel als menselijk document, ook al noemen de auteurs zich agnost.

Vandaag kan er mijns inziens maar één conclusie zijn: we zijn aan het sola scriptura voorbij. De vraag naar betekenis is wezenlijker dan de niet-bijbelse vraag naar waarheid.

Gerard van Broekhuizen is theoloog en kunstenaar.

< Terug