< Terug

Allerheiligen – de heiligen uit Openbaring

Bij Jesaja 60,1-11.17-22, Openbaring 7,2-4.9-17 en Matteüs 5,1-12

De verbreding van het getelde naar het ontelbare is zichtbaar in zowel Jesaja 60 als Openbaring 7. In Jesaja 60 horen we eerst dat de zonen en dochters van Israël tot de aangesproken Vrouwe komen (Jesaja 60,4). Daarna, erg mooi: ‘Wie zijn deze, die daar komen gevlogen als een wolk, en als duiven tot haar vensters?’ (60,8). Dan stroomt een menigte heidenen toe: ‘Het heir der heidenen zal tot u komen’ (60,5 – Statenvertaling). In Openbaring 7 vindt een soortgelijke verbreding plaats.

Eerst worden uit iedere stam twaalfduizend verzegeld, om samen de volheid van de kinderen Israëls te representeren. Daarna zien we een schare die niemand tellen kan, voor de troon staan (Openbaring 7,9).

Overigens zou bij Jesaja 60 beter uit Openbaring 21 gelezen kunnen worden, dat er meermalen uit citeert. Daarom concentreren we ons hierna op Openbaring 7.

Het boek met de zeven zegels

Openbaring 5-8,5 draait om het boek met de zeven zegels. Het Lam is waardig bevonden om die zegels te openen (Openbaring 5). In hoofdstuk 6 worden de eerste zes zegels geopend, in 8,1-5 het zevende zegel, dat weer grotere weeën inluidt. Ingeklemd tussen het zesde en het zevende zegel staat Openbaring 7. De spanning is na het zesde zegel om te snijden. In een windstilte, gecreëerd door vier engelen (7,1), horen we opeens vertellen over een ‘zegel van de levende God’. Is dit soms het zevende zegel? Er wordt geen telwoord genoemd. In de ademloze stilte voor het zevende zegel krijgt Openbaring 7 haar plaats.

Het verzegelde boek – dat eerst tot Johannes’ grote verdriet door niemand geopend kan worden, maar dan Goddank door het Lam – kan de toedracht van de geschiedenis symboliseren. De geschiedenis is een gesloten boek waaraan geen zin valt te ontdekken. Zinloos geweld lijkt te regeren. Werkelijke vooruitgang is ver te zoeken. Alleen het slachtoffer, het Lam dat staat terwijl het is geslacht, is waardig het boek te openen. Vanuit zijn perspectief valt er licht over een donkere geschiedenis. Zegel voor zegel gaat het boek open. Tumult in de geschiedenis blijkt toorn van het Lam te zijn. En toorn blijkt de buitenkant te zijn van een goddelijk hart vol mededogen, blijkt brandende liefde te zijn.

Honderdvierenveertigduizend

Openbaring 7,1-8 gaat over een zegel van God, dat behelst de verzegeling van honderdvierenveertigduizend – voluit geschreven, want 144.000 staat te mathematisch. Getallen moeten kunnen vertellen, vooral in Openbaring. Terwijl er steeds zegels geopend worden, worden hier juist mensen vérzegeld. Miskotte schrijft: ‘Zoo worden ook menschen gemerkt (zoals schapen door een eigenaar, W. van Voorst) uit de massa perditionis, uit de massa der verlorenheid en verordend tot een betere toekomst. En dat zegel is toch niets anders, kan niets anders zijn, dan het heilig sacrament.’ De titel van het hoofdstuk waarin hij dit schrijft, luidt: ‘De bescherming der gemeente’. Er is, schrijft hij, ‘(…) een volk verzegeld, verzekerd, immuun gemaakt, onschendbaar, onaantastbaar.’1 Het gaat hier om een omgrensd aantal mensen.

Ook mooi is Kroons verwijzing naar Hooglied 8,6: ‘Zet mij als een zegel op Uw hart, als een zegel op Uw arm.’ Paulus gebruikt dit beeld ook: ‘En bedroeft de Heilige Geest Gods niet, waardoor gij verzegeld zijt tot de dag der verlossing’ (Efeziërs 4,30). Kroon: ‘Er is een zegel op je gelegd, je bent gemerkt, gestempeld tot de bevrijding. Je bent bestemd om open te gaan, om mens te worden, om eindelijk vrij mens te zijn. Dat is geen eigenschap van je, maar een merk op je leven.’2 Bij de doop wordt een dopeling dan ook gemerkt, niet voor zichzelf, maar omwille van alle mensen om hem/haar heen. Het zijn mensen die heel wat op zich af krijgen, maar tóch niet kunnen vertwijfelen aan God.

Naastepad schrijft: ‘Johannes (…) hóórde dat getal. Hij kreeg geen inzage in doopregisters. (…) Hij had ook geen pompeuze landdag voor ogen, zo’n kerkdemonstratie die alleen zichzelf staat te bedoelen. Hij hóórde het getal en wij horen het getal. Wij hebben het van horen zeggen dat er op aarde een gemeente is, van joden en jodengenoten. (…) Overigens moet mij van het hart dat het van een plebejersmentaliteit getuigt als een voorlezer op de kansel deze namenlijst (nl. vs. 5-8, W. van Voorst) gewoon overslaat bij het voorlezen.’3

De door God beminde massa

Het gételde representeert het óntelbare. ‘Die zijn niet in tel. Maar ze zijn er wel. (…) Het enige specifieke aan hen is dat ze niets specifieks hebben. Ronduit gezegd: ze zijn de grote grauwe massa.’4 Juist de door niemand beminde massa is door God bemind. Ze zijn stemvee, consumentendom, een en al middelmatigheid, door massacommunicatiemiddelen en massaproductie tot massa damnata gemaakt. Hun leven wordt samengevat in deze woorden: ‘de grote verdrukking’. Maar pas als deze door iedereen – de kerk niet in het minst – verachte massa God aanbidt, is er werkelijk sprake van heil. ‘Hoe heeft een kerkvader het ooit in zijn hoofd gehaald te spreken van een massa damnata, om daarmee voor eeuwen de kerk te isoleren tot een circuit waar men alleen bedacht is op eigen heil? Alsof dat de inhoud van de predestinatie is. De engelen hebben op die massa nu juist gewacht. Eerder kan de hemel niet beginnen.’5

Genoeg geciteerd. Het lijkt me gepast om op Allerheiligen de verbinding te maken tussen de geprofileerde heiligen die opvielen door hun geloof en de vormeloze massa van mensen die zich juist in niets onderscheidden. Echte heiligen kenmerken zich volgens mij hierdoor: dat ze niet gered willen worden zonder die massa. Over Jezus lezen we iets dergelijks: ‘En Hij, de scharen ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat zij vermoeid en verstrooid waren, gelijk schapen, die geen herder hebben’ (Matteüs 9,36).

< Terug