< Terug

Allerheiligen: zij die opgaan naar Sion

Bij Jesaja 60,1-11.17-22, Psalm 24 en Matteüs 5,1-12

Een kerkelijk prelaat van de Rooms-Katholieke Kerk werd eens bij Knevel en Van den Brink gevraagd wat heiligen nou precies zijn. Het antwoord was heel eenvoudig: heiligen zijn mensen die eens op aarde geleefd hebben en nu in de hemel zijn.

Wanneer we de officiële rooms-katholieke richtlijnen volgen die nodig zijn om iemand zalig c.q. heilig te verklaren, dan komt daar nog wel wat bij kijken. Zo dient een aanwijsbaar wonder, miraculeus gebeuren aan de voorspraak van de zalig te verklaren persoon te kunnen worden toegeschreven, en voor een heiligverklaring dient een tweede wonder bewezen te zijn. Het maakt van heiligen wel mensen die behoren tot een pantheon van personen dat ver van mij vandaan staat.

De lezingen voor deze kerkelijke feestdag wijzen, denk ik, een andere richting aan. En daarmee ook een andere manier van omgaan met, kijken naar de heiligen.

De nieuwe schepping

We lezen van Matteüs de aanvang van de Bergrede met de zaligsprekingen. Daarbij moeten we direct opmerken dat de richting in het verhaal van belang is. Jezus gaat namelijk ‘de’ berg op (Mat. 5,1). Er is niet zomaar een berg die wordt beklommen, omdat Jezus een grote menigte gaat toespreken en dat makkelijker is wanneer Hij wat hoger staat. Neen, er staat ‘de’ berg. Het is dus een bepaalde berg, en aangezien Matteüs verder geen nadere aanduidingen verstrekt, mag je ervan uitgaan dat hij bij zijn lezers c.q. hoorders een en ander bekend veronderstelt.

Wanneer ‘de’ berg bestegen wordt, dan kan het niet anders of het gaat om Sion. Het gaat om de hoogte waarop Jeruzalem gebouwd zal zijn. Zál zijn, want we worden toegesproken in visioenen. Visioenen die worden verwoord in de zaligsprekingen. Sommigen leggen de nadruk op het Koninkrijk der hemelen uit de eerste zaligspreking (5,3) en het zien van God in de zesde zaligspreking (5,8), om te stellen dat het dus om zes (of zeven) uitspraken gaat, zoals in den beginne er zes (of zeven) scheppingsdagen zijn; anderen komen tot negen uitspraken en tellen daar de volgende zin bij op die aanvangt met: ‘Verheugt u’ (5,12), en komen zodoende tot het aantal van tien. Beide opvattingen zouden gezien kunnen worden als verwijzingen naar het begin. Het begin van zeven dagen, het begin toen God ook sprak, en wel tien keer. En steeds zag dat alles zeer goed was.

Wie mag de berg van JHWH beklimmen?

De eerste grote rede bij Matteüs, de Bergrede, vangt aan met de proclamatie van dat wat we kennen als Gods Koninkrijk, het Beloofde Land, bij Matteüs aangeduid met het Koninkrijk of met ‘het Koninkrijk der hemelen’. Om dat en om niets anders dient het te gaan. Dat wordt niet alleen verwoord in de zaligsprekingen, maar ook in de weg die Jezus in het verhaal gaat: de weg richting Sion, zijn opgang naar Jeruzalem. In het leesrooster voor deze zondag staat Psalm 138 voorgesteld en Psalm 24 als alternatief. Ik zou voor deze zondag voor het alternatief kiezen. Juist in Psalm 24 gaat het om de opgang richting Jeruzalem, gaat het om mensen die mogen staan in de heilige stad, die God willen zien met eigen ogen (24,3). Niet omdat ze wonderen doen in de zin van dat ze tot allerlei miraculeuze handelingen in staat zijn, maar omdat ze mensen zijn die doen wat gedaan moet worden. Mensen die recht doen wedervaren aan hun naasten (24,4). En recht doen aan de naasten is zoveel als zorg hebben voor de weduwen en de wezen en gastvrijheid betrachten voor de vreemdeling. Het troosten van de bedroefden, het voeden van de hongerigen en het laven van de dorstigen, het is allemaal meegegeven in de tekst van de psalm. Een tekst die rijmt op het visioen dat we horen in de zaligsprekingen.

Een volk van rechtvaardigen

Ook Jesaja spreekt zich in die zin uit. Jeruzalem, de stad van God, zal herbouwd worden. Dat is toch echt wel het einde van alle ballingschap, alle vervreemding. Het is het einde van onrecht in de wereld. En wat meer is, die boodschap is kennelijk bestemd voor eenieder die het wil horen. Want koningen komen van overal naar de heilige stad (60,3), vreemdelingen zullen de muren van de stad herbouwen (60,10) en de poorten van die stad zullen altijd openstaan (60,11). En: ‘Uw volk zal geheel uit rechtvaardigen bestaan’ (60,21). ‘Heft poorten, uw hoofden omhoog’, zo horen we in de psalm. Opdat de koning der glorie zal binnen gaan.

Zij die helen wat gebroken is

Het is uiteindelijk die samenleving die in allerlei toonaarden bezongen wordt: de nieuwe schepping. En daar hoort ook de mens bij die zich opnieuw van zijn roeping bewust wordt: beeld van God te zijn hier op aarde. Juist in het voeden van degene die honger lijdt, het laven van degene die dorst heeft, in het troosten van de bedroefden, in het omzien naar elkaar – daar komt die nieuwe schepping tot leven. Daar wordt geheeld wat gebroken is. Daar worden wonden geheeld. ‘Heel’ en ‘heil’ zijn eigenlijk hetzelfde woord. ‘Heiligen’ wil dan ook zoveel zeggen als: ‘heel maken’.

Heel maken, zelf een ‘heilige’ zijn, is niet afhankelijk van een wonder, van welke sterk staaltje van kunde dan ook. Heel maken, een heilige zijn, is de verhalen van deze dag voor en van ons allen goed verstaan. Wij zelf kunnen heiligen zijn, door de mens te helen die naast ons zit of staat, door in onze omgang met de aarde de schepping te helen. Zulke heiligen hebben geen mirakels nodig. Maar wanneer hun handelen helend mag zijn voor anderen, dan worden er elke dag onder ons wonderen verricht.

< Terug