< Terug

Amos

De profeet Amos is bekend om zijn inzet voor recht en gerechtigheid en zijn kritiek op routineuze offers. Deze elementen maken Amos geliefd bij bevrijdingstheologen. Tegelijk geldt hij als donderprediker in een decadente tijd. Want zijn bejegening van de toplaag van de bevolking, die ‘omhangt op divans en uit plengvaten wijn drinkt’ (6:4-6), is niet mals. Op hun misdaden zal een oordeel volgen dat zijn weerga niet kent.

Ik weet immers hoe talrijk jullie misdaden zijn

en hoe groot in getal jullie zonden:

datje de rechtvaardige benauwt,

steekpenningen aanneemt

en de armen in de stadspoort verdrukt.

Amos 5:12

Daarom, zo zegt JHWH, de God van de machten, de Heer:

op alle pleinen zal rouwbeklag klinken,

op alle straten zal men ach en wee roepen (…)

wanneer Ik door je midden trek,

zegt JHWH.

Amos 5:16-17

De doortocht van JHWHdoor het volk, synoniem voor het voltrekken van het oordeel, zal links en rechts dood en verderf zaaien. Het resultaat zal een totale begrafenissfeer zijn. In het boek Amos zitten veel van zulke rouw- en dood-beelden (5:2-3; 8:3.10; 9:1-3). Ze functioneren als uiterste consequentie van de wantoestanden die de profeet in Israël signaleert.

Naast zulke voortvarende woorden staan er ook hymnische passages in de tekst. Daarin wordt vol lof de scheppingsmacht van JHWHbezongen en worden de brede en kosmische dimensies van zijn gezag aangeduid. Het zijn imponerende passages die het geheel uittillen boven de praktijk van alledag.

Want zie

die de boetseert en de wind schept

en de mens zijn plannen onthult,

die de dageraad tot duisterheid maakt

en de toppen der aarde betreedt:

JHWH, God van de hemelse machten, is zijn naam.

Amos 4:13

Structuur van Amos

Deel I woorden van de profeet

1:1-2

Inleiding

Inhoud: introductie van Amos en van het machtige woord van JHWH

1:3-2:16

Acht gerichtsspreuken

Inhoud: gericht tegen de volken èn als climax ook tegen Israël

3:1-15

Het vonnis over de dreigende interventie van JHWH jegens Israël

Terminologie uit een rechtszaak: de introductie van het vonnis (1-2), oproep van getuigen (9-12) en rol van de getuigen (13-15)

4:1-6:14

De misstanden toegespitst: over valse en oprechte religie

Inhoud: wat is heilig? Offers en weelde of de zoektocht naar recht?

Deel II verteld vanuit de profeet als ik-figuur

7:1-9:6

Vijf visioenen, het Bethel-incident en twee orakels

Inhoud: twee plagen over Israël, twee symbolen dat de maat vol is en ten slotte verwoesting van de tempel

9:7-15

Twee slotpassages

De harde aanpak van het volk (7-10) en een belofte van heil (11-15)

Wat is er verder bekend over de persoon van Amos? Hoewel hij afkomstig is uit Juda betreffen zijn woorden, zo is de klassieke opvatting, vooral het Noordrijk Israël (1:1; 4:1; 5:5; 6:1). Amos opereert dus om zo te zeggen buitenslands en als buitenstaander (vgl. 7:12-13). Deze visie is, wanneer men het geheel van het boek beluistert, niet overtuigend. Ook Juda en Jeruzalem zijn betrokken in de profetie. Jeruzalem wordt zelfs genoemd als bakermat van de goddelijke stem (1:2) en geldt in het slotvisioen ook als oriëntatiepunt (9:11-15). Het noordrijk met zijn heiligdommen in en Gilgal en met zijn hoofdstad mag dan centraal staan, het gaat in Amos niet uitsluitend over het Noordrijk.

In welke tijd speelt het boek? De koningsnamen Uzzia en Jerobeam wijzen naar de tijd rond de profetieën van Amos wordt ook verwezen naar de komende wegvoering en ballingschap van Israël in 722 (6:7.14; 7:10.17). De slotprofetie in Amos 9:11-15 maakt melding van de ‘vervallen hut van David’ en zinspeelt op de vervallen staat van Jeruzalem. Het is een heilsvoorzegging met jeremiaanse motieven (uitrukken, planten, herbouw van de stad) op grond waarvan men vaak denkt aan een datering na elk geval is duidelijk dat in het boek Amos gegevens zijn geïntegreerd uit verschillende perioden van Israëls geschiedenis. Dat is blijkbaar geen probleem zolang het gaat om herkenbare situaties zoals ballingschap en wederopbouw.

Over de achtergrond van de profeet – hij is de enige van alle schriftprofeten van wie het beroep vermeld staat – doen romantische speculaties de ronde. Schapenfokker, veehouder en vijgenkweker zijn de raadselachtige kwalificaties die op hem van toepassing zijn (1:1; 7:14). Amos zou dus een arme boer zijn geweest, of juist een grootgrondbezitter op grond van een parallel met II Koningen 3:4. Hoe dit ook zij, twee observaties lijken van belang: Amos is ‘achter de schapen vandaan gehaald’ wat een parallel biedt met de grote profeet Mozes (Ex. 3:1) en hij is geen profeet van professie maar komt uit de landbouw en veeteelt. Dat sluit aan bij twee belangrijke thema’s in het boek, namelijk de omstreden rol van profetie temidden van een weerspannig volk (2:12; 7:13) en, aan de andere kant, de geweldige kracht van het goddelijk woord dat niet ongedaan kan worden gemaakt (1:2; 3:8; 7:10-17).

Literaire structuur

In de tekst van Amos komen veel series voor: van uitspraken, vragen en visoenen. Door het ritme van de herhaling wordt vaak toegewerkt naar een climax. Door deze herhalingen is een onderverdeling van de tekst goed te maken. Opvallend is de cesuur tussen Amos 1-6 en 7- het tweede deel is de profeet als ik-figuur aanwezig. Daarin komt ook een verhalend gedeelte voor: de confrontatie tussen de profeet en de priester van het rijksheiligdom in .

Toelichting

De eerste twee hoofdstukken van Amos bestaan uit een verzameling van orakels tegen de volken. Dat is een bekend genre uit de grote profeten (zie o.a. Jes. 13-21 en Jer. 46-51). Despreuken zijn allemaal op dezelfde manier opgebouwd. Op een stereotiepe beginzin volgt een aanduiding van de misdaad en daarna volgt de goddelijke represaillemaatregel.

Om drie overtredingen van ,

nee om vier zal Ik het niet herroepen.

Omdat ze met ijzeren sleden hebben vertrapt,

slinger Ik vuur in het huis van Hazaël.

Amos 1:3-4

Gilead is Israëlitisch grondgebied in het Overjordaanse en Hazaël koning van . De terugkerende beginzin (… zal ik het niet herroepen) verschillend worden geïnterpreteerd omdat het object niet staat vermeld. Meestal kiest men als betekenis dat JHWHzijn oordeel over deze volken niet zal herroepen. Dat zal dus voltrokken worden. Het drie-nee-vier patroon dient om de overmaat van overtredingen aan te geven. Deze stijlfiguur drukt uit dat het niet gaat om een eenmalig incident maar om ontelbare overtredingen.

De opbouw van de serie van acht spreuken is regelmatig en fraai. Eerst komen , en Tyrus aan de orde: volken ten noorden en zuidwesten van Israël. Daarna volgen , Ammon en : buurvolken ten oosten die als verwant werden beschouwd (zie voor de familierelaties Gen. 19:36-38 en 36:1-7). Ten slotte, en dat is verrassend, volgen in de opsomming Juda en Israël. Deze worden beschouwd als vergelijkbaar met de vreemde volken, op zich al een depreciatie: hen treft eveneens de woede van JHWH. Tot en met het zevende orakel is de opbouw identiek: steeds keert het vuur terug als instrument van verwoesting. In het achtste orakel wordt van dit patroon afgeweken: het is de climax van het geheel. Uitgebreid wordt onthuld hoe ook Israël is afgeweken van de verbondsnorm.

Omdat zij de rechtvaardige voor geld verkopen

en de arme in ruil voor een paar schoenen,

het hoofd van de geringe vertrappen in het stof der aarde

en het bestaansrecht van de armen verkrachten;

een man en zijn vader gaan naar dezelfde deerne

om mijn heilige naam te grabbel te gooien.

Amos 2:6-7

De beschermende en bevrijdende inzet van JHWHvoor het volk wordt daar als contrast naast gezet (9-11). In militaire termen en via de versterkende stijlfiguur van de ontkenning worden de consequenties getekend en wordt aangeduid hoe het volk zal ‘kraken’ onder de belegering door JHWH.

De sterke zal dan zijn kracht niet kunnen ontplooien

en de krijgsheld zal het er niet levend van afbrengen;

ook de boogschutter zal niet standhouden,

de snelvoetige zal niet ontkomen

en de ruiter zal het er niet levend van afbrengen.

Amos 2:14-15

Na dit begin volgt een middendeel in het boek (3-6), driemaal (3:1; 4:1 en 5:1) ingezet met de introductie: hoor! Dit middenstuk bevat allemaal kortere eenheden die overwegendbestaan uit directe rede aan het adres van Israël of van groepen uit de bevolking. Een kernthema is de aandacht voor hoog en laag. Er schemert door dat er een welvarende bovenklasse is. De dames en heren van houden drinkgelagen, ze wonen in huizen van steen (in plaats van klei) en zijn dol op de feesten in de tempel (5:23). Ze beschikken over de voortreffelijkste olie als parfum, en eten vlees – een luxe – naar believen (6:4-6). Kortom, ze zwelgen in overvloed.

Maar tegelijk, luidt de donderpreek van de profeet, zijn anderen het kind van de rekening. Armen en weerlozen zijn het slachtoffer van de genotscultuur van de toplaag. Recht en gerechtigheid (5:7.15.25; 6:12), die de identiteit van het verbond en van het volk Israël bepalen, worden ondermijnd. Wat moeten we onder het profetische begrip gerechtigheid verstaan? Niet de blinde toepassing van regels of de gelijke behandeling van allen maar: de zorg voor en solidariteit met de arme en geringe. Waar de klappen vallen, vallen ook de beslissingen als het gaat om het doen van gerechtigheid. Je zult, aldus de thora, je hand – dat is je bezit – wijd openen voor de ellendige en arme in het land (Deut. 15:11). Waar dat niet gebeurt, ontspoort het volk. De profeet heft om die reden zelfs een begrafenislied (!) aan over Israël.

Gevallen is zij, zij zal niet weer opstaan:

jonkvrouwe Israël,

neergegooid op de bodem

en er is niemand die haar doen opstaan.

Amos 5:1

In hoofdstuk 7-9 volgen vijf visioenen die stuk voor stuk het karakter hebben van een nachtmerrie. In tegenstelling tot het voorafgaande waar het ging om het woord en het gehoor, ligt het accent nu op het zien en het gezicht. De profeet krijgt een kijkje in de goddelijke keuken en functioneert daarbinnen als gesprekspartner en interpreet van de gezichten. De vijf visioenen bestaan uit twee series van twee en de laatste vormt de climax.

In de eerste nachtmerrie (7:1-3) ziet hij een zwerm sprinkhanen die dreigen alle gewas van het land op te vreten. De profeet komt tussenbeide:

Toen zij bezig waren het gewas van het land volledig op te vreten,

zei ik Heer JHWH, vergeef toch!

Hoe moet Jakob dit overleven,

hij is immers klein?!

JHWH kreeg hierover berouw:

het zal niet gebeuren, zei JHWH.

Amos 7:2-3

In het tweede gezicht komt het apocalyptische beeld voor van een vuurregen die de grote watermassa onder de aarde verzwelgt en ook de bouwgronden. Weer speelt God de rol van bemiddelaar en wendt het dreigende onheil af. In de tweede serie krijgt Amos twee symbolische voorwerpen te zien die aanduiden dat het einde nabij is: een paslood en een korf vol rijpe vruchten. Hier is geen sprake meer van respijt. Twee keer klinkt de zin: Ik zal mijn volk voortaan niet meer sparen (7:8 en 8:2).

Tussen deze visioenen in staat de confrontatie van Amos met Amasja in (7:10-17). Dit narratief intermezzo lijkt midden in de opsomming van vijf visioenen een vreemdeeend in de bijt, maar de dreigende aankondiging aangaande koning Jerobeam (7:9) vormt een duidelijk verband. Het buitenissige visioen wordt als het ware meteen opgepakt en zo uitermate serieus genomen. De oppositie die Amos ondervindt in is ook thematisch van belang. De priester Amasja adviseert Amos namelijk om vanwege zijn negatieve boodschap maar te vluchten en te stoppen met profeteren. Maar deze repliceert:

Ik ben geen profeet of lid van een profetengilde,

ik ben veehoeder en vijgenkweker.

Maar JHWH nam mij achter mijn kudde vandaan

en JHWH zei tegen mij: ga en profeteer tegen mijn volk Israël!

Amos 7:14-15

Vanwege zijn ‘diplomatieke’ poging om de profetie ongedaan te maken treft Amasja zelf een ondubbelzinnig onheil dat zijn hele familie omvat: schande en onheil, wegvoering en ballingschap. Het lot dat de priester treft is exemplarisch voor het lot van het volk als geheel. De hele Bethel-episode heeft dat karakter: het duidt heel direct de spanning aan die profetie oproepen in een volk: het zijn onwelkome woorden die weerstand oproepen en tegelijk is er geen houden aan, noch voor Amos noch voor Amasja. Het goddelijk spreken is als het brullen van een leeuw die uit zijn schuilplaats komt (1:2; 3:8; vgl. Jer. 25:30.38), overdonderend, onontkoombaar en onheilspellend.

Het slotvisioen in 9:1-6 gaat over de verwoesting van de tempel. De tempel, centrum van de religie en symbool van de open communicatie tussen god en mens, zal veranderen in een ravage. In de klopjacht van JHWHdaarna – de goddelijke ik-figuur verschijnt hier in het beeld van een achtervolgende vijand – niemand ontkomen: in een climactische serie van vijf uitspraken wordt duidelijk dat alle vluchtwegen, hoog en laag, zijn afgesneden (9:2-5).

De heilsprofetie aan het slot lijkt op een plotselinge windstilte na de orkaan. Het is een bloemlezing van motieven van herstel en wederopbouw die ook elders voorkomen (Jer. 3031; Jes. 65:21; Joël 4:18). De belofte handelt over de renovatie van de vervallen hut van David – de stad Jeruzalem – en spreekt beeldend over de grote vruchtbaarheid en welvaart van het volk. Geen lege stoppelvelden na de maaitijd, maar er wordt net zo lang oogst binnengehaald tot het al weer tijd is om te ploegen.

Zie de dagen komen – godsspraak vanJHWH

dat de ploeger de maaier op de voet volgt

en de druivenperser de zaaier;

dan zullen de druipen van jonge wijn

en al de heuvelen daarvan overvloeien.

Amos 9:13

Maakt deze belofte alle dingen zoet en het voorafgaande ongedaan? Nee. Het voorafgaande laat hoogstens zien hoe kwetsbaar en onvanzelfsprekend de belofte van het goede is. Tegelijk men in deze heilsprofetie ook een teken zien van ironie: ondanks de herhaling dat het oordeel zonder reserve zal worden voltrokken (Amos 1-2), volgt in het slot van het boek toch een teken van goddelijke reserves: een belofte van herstel.

THEMATIEK

Een van de thema’s die eruit springen bij Amos is de aandacht voor de volkeren. Behalve uit de gerichtswoorden in Amos 1-2 blijkt ook verder in het boek de kosmopolitische blik van de profeet (3:9; 5:26; 6:2.13; 8:8; 9:7). Kernthema is dat Israël gelijk geworden is aan de volken (1-2; 4:10; 9:7) en zich niet meer beroepen op een bijzondere positie. De bevrijding uit Egypte en de woestijntijd worden wel genoemd als referentiepunt (2:10; 3:2; 5:25) maar de verbondenheid tussen God en volk speelt nauwelijks een rol in het appèl dat op Israël wordt gedaan. Steeds weer worden de volken genoemd, om toe te kijken bij het oordeel over , als instrument van straf voor Israël (6:14) en als punt van vergelijking (4:10; 6:2). Is het dan zo dat de volken ook vallen onder de zeggenschap van JHWHen gemeten worden aan de claims van het verbond? Of moet men de gelijkschakeling aan de volken en de opsomming van hun wreedheden opvatten als een retorisch middel om Israël te confronteren met zijn status als zogenaamd verbondsvolk? Dat laatste is goed mogelijk – temeer omdat de acht spreuken jegens de volken zo’n weloverwogen en gestileerde indruk maken dat ze meer op een literaire – en geschreven – compositie lijken dan op een gesproken betoog.

Een tweede motief is dat van de brede scheppingsmacht van JHWH. Hij is de god van hemel en sterren, die het water van de zee gebiedt, die heer en meester is over dag en nacht, regen en zonneschijn. Ook de titel ‘god van de hemelse machten’ past hierbij (3:13; 4:13; 5:14.15.16.27; 6:8.14; 9:5).

Hij die het Zevengesternte en Orion maakt,

die het doodsdonker verandert in morgenlicht

en de dag verduistert tot nacht;

die de wateren van de zee bijeenroept

en ze uitgiet over de aarde:

JHWH is zijn naam.

Amos 5:8-9

Op die dag – godsspraak van de Heer JHWH

laat Ik de zon ondergaan op het middaguur

en verduister Ik de aarde op klaarlichte dag;

dan verander Ikjulliefeesten in rouw,

al je liederen in een klaagzang.

Amos 8:9-10a

De mogelijkheid om in te grijpen in processen van de natuur en in de gegeven afwisseling van dag en nacht onderstreept de superioriteit van JHWH. Dergelijke passages laten er geen twijfel over bestaan dat de straf aangekondigd aan Israël maar een fractie is van het totale vermogen van JHWH. Door zijn potentie in een kosmisch perspectief te plaatsen, krijgt het profetisch appèl extra overtuigingskracht.

Het repertoire van Amos is daarmee anders dan dat van Hosea. Voor Amos geldt dat JHWHweliswaar de nationale god is van Israël maar tegelijk staat Hij op een soevereine afstand van het volk. Het gaat bij Amos om de imposante en overtuigende macht van JHWHdie het leven onder zijn gunst voor Israël – en voor de volken – tot een onontkoombare opdracht maakt.Ten slotte is karakteristiek voor Amos hoe godsdienst bijna vervangen wordt door het doen van gerechtigheid.

Ik haat en veracht jullie feesten,

Ik jullie plechtigheden niet luchten! (…)

Doe van Mij weg het lawaai vanje liederen,

het getokkel vanje harpen wil Ik niet horen!

Maar laat het recht golven als water

en gerechtigheid als een nooit droogvallende beek.

Amos 5:21-24

Met radicaal elan wordt de bestaande liturgie van tafel geveegd en door een schijnbaar (!) seculier doel vervangen. Het beeld van het bewegende water (a) dat nooit droogvalt en alle seizoenen door stroomt (b) roept levendigheid, dynamiek en bestendigheid op. In de sfeer van het rechtdoen krijgt zo de toenadering tot God vorm.

Intertekstuele verbanden

Amos is verbonden met het voorafgaande boek Joël door een aantal motieven. De inzet van Amos – JHWHdie als een leeuw brult uit Sion – is zo letterlijk te vinden in Joël 4:16. In de heilsprofetie aan het slot van Amos (9:11-15) keert het motief terug van de die druipen van wijn (Joël 4:18). De boeken hebben ook de thema’s van de dag des Heren (Joël 1:15; 2:1-2; Amos 5:18) en de sprinkhanenplaag (Jöel 1:2 en Amos 4:9; 7:1-3) gemeenschappelijk. Dit verklaart mogelijkerwijs waarom Amos niet direct op Hosea volgt, zoals te verwachten zou zijn op grond van lengte, inhoud en chronologie, maar Joël er tussenin staat.

Verder zijn in Amos veel stijlfiguren en thema’s te herkennen uit de grote profeten Jesaja en Jeremia: de qina – klaagzang – over jonkvrouw Israël (Jer. 31:4.21; 9:17-23), de spreuken jegens de volken en het primaat van de ethiek (o.a. Jes. 1:11-17; 5:11-16).

In het Nieuwe Testament wordt niet vaak letterlijk geciteerd uit het boek Amos.

  • In Handelingen 15:16-18 staat een lang citaat uit de heilsprofetie van Amos 9:11-12, met het oog op de inclusie van de volkeren in het heil.

  • In Handelingen 7:42 wordt de polemiek tegen de afgodsbeelden uit Amos 5:25-26 geciteerd, met een kleine actualiserende variatie.

Toch ademen vooral de evangeliën sterk de geest van deze profeet. De bergrede in Matteüs 5-7 (o.a. 5:6; 6:3 3; 7:21) en de lofzang van Maria in Lucas 146-55 waarin de werkwijze van de komende messias wordt aangeduid, laten zien hoe sterk Amos’ accent op de integriteit van leven en leer heeft doorgewerkt en een plaats heeft gekregen in het messiaanse programma van Jezus.

< Terug