< Terug

Angst en de omgeving

Informatie over de gevolgen van angststoornissen voor de omgeving, de rol die partner, kinderen en vrienden kunnen vervullen en hoe om te gaan met angststoornissen in geloof en pastoraat.

Een angststoornis kun je moeilijk los zien van de omgeving. Eerder kwam al aan de orde dat andere mensen een rol kunnen spelen in het ontstaan van een angststoornis, bijvoorbeeld wanneer een negatieve thuissituatie grote invloed had op iemands ontwikkeling. Een ander punt is dat een angststoornis gevolgen heeft voor alle betrokkenen. Niet alleen de man of vrouw met angstklachten, maar ook eventuele gezinsleden, vrienden of kennissen krijgen er mee te maken. Wanneer een van de ouders bijvoorbeeld niet op vakantie durft of niet naar het pretpark, is dat natuurlijk ook een probleem voor de kinderen

Daarnaast kunnen andere mensen ook een bron van steun en hulp zijn. Dan moet je natuurlijk wel weten hoe je iemand met een angststoornis kunt helpen.

Angst en de relatie

Wie partner is van iemand met een angststoornis, loopt ook zelf tegen de gevolgen aan. Het meemaken van een angstaanval is een heel nare ervaring. Je staat er bij, weet niet goed wat je moet doen en voelt je machteloos. Steeds maar weer proberen de ander gerust te stellen en merken dat dit niet helpt, kan op den duur ook irritatie gaan geven: wanneer is het nu eens genoeg?

Tegelijk zie je dat de ander het moeilijk heeft en wil je hem niet kwetsen. Kun je dan niet beter je mond houden? Je bent boos en teleurgesteld, maar vindt het ook moeilijk om dat met de ander te delen en zo ontstaat er verwijdering in de relatie en voel je je alleen staan met je eigen gevoelens. En moet je nu meegaan in het vermijden van dingen en daarom maar steeds meer taken buitenshuis overnemen of is het juist beter om dit niet te doen?

Over deze vragen gaat het in het vervolg. Eerst wordt echter nog ingegaan op de vraag of mensen met een angststoornis vaker een slechte relatie hebben.

Er is een tijd geweest dat relatietherapeuten dachten dat achter de angstklachten een relatieprobleem schuilging. Wanneer bijvoorbeeld een getrouwde man extreem jaloers was, zou zijn vrouw een straatvrees kunnen ontwikkelen en er zo voor zorgen dat haar man minder last had van zijn jaloezie. Als je nauwelijks het huis uit komt, gebeurt het tenslotte ook niet snel dat er een andere man naar je kijkt. Natuurlijk werd ook toen niet gedacht dat iemand dit bewust deed, maar dat geleidelijk en onopzettelijk een dergelijk patroon kon ontstaan in de relatie.

Een ander voorbeeld is dat de aandacht voor paniekklachten in een relatie er voor zorgt dat andere problemen minder op de voorgrond staan. Zolang bijvoorbeeld de man ernstige paniekklachten heeft, hoeft er niet gepraat te worden over de taakverdeling in huis. Hoewel een dergelijke achtergrond wel eens een rol kan spelen bij een angststoornis, blijkt dit in het algemeen niet op te gaan. Wat vaker gebeurt, is dat – onbedoeld – de partner een rol gaat spelen in het in stand houden van de klachten. Bij het begin van een angststoornis stimuleert de partner nog om vooral door te gaan met dingen ondernemen.

Wanneer dit echter tot teleurstellende ervaringen leidt, of tot onderlinge spanningen, kan iemand geleidelijk steeds meer taken gaan overnemen. Zo wordt de partner met de angststoornis als het ware in de luwte gehouden en kan deze situaties blijven vermijden. Het gaat dan om het letterlijk overnemen van taken, zoals het doen van boodschappen of het bezoeken van recepties. Maar ook subtielere zaken spelen een rol, zoals het vermijden van bepaalde gespreksonderwerpen of juist vaak de ander geruststellen.

Mensen met angstklachten verbergen hun probleem vaak voor anderen. In de praktijk blijkt zelfs de partner maar gedeeltelijk van het probleem op de hoogte te zijn. Wanneer er een gezamenlijk gesprek plaatsvindt bij een therapeut, hoort iemand soms met verbazing aan welke rol angstklachten spelen in het leven van de ander. Het is goed als beide partners afspraken maken over het praten over de klachten. Je kunt afspreken dat de partner met de klachten zelf er van tijd tot tijd over begint en vertelt hoe het gaat of dat juist de ander er regelmatig even naar vraagt. Een andere mogelijkheid is het afspreken van een vast evaluatiemoment, bijvoorbeeld een keer per week. Dit kan wat overdreven lijken. Tegelijk is de kans groot dat er zonder een dergelijke afspraak vooral over de klachten wordt gepraat als de nood het hoogst is en dat het onderwerp op andere momenten wordt vermeden vanuit het idee dat je beter geen slapende honden wakker kunt maken. Op een rustig moment doorpraten over het probleem is echter vaak veel beter bij het samen zoeken naar oplossingen.

Een dergelijk overlegmoment kan ook helpen om met een dilemma om te gaan: moet je de ander stimuleren zo veel mogelijk te blijven doen of juist ruimte geven om te vermijden? Zoals hierboven al werd aangegeven gaan partners zich vaak steeds meer aanpassen aan de angstklachten van de ander. Dat is voor beiden een ongunstige ontwikkeling. Als je vanwege de angstklachten steeds minder vaak naar recepties en feestjes gaat en kiest voor een vakantie in Nederland terwijl je eigenlijk naar zuid-Frankrijk zou willen, verliest je leven steeds meer kleur. Hierdoor kun je samen in een neerwaartse spiraal terechtkomen. De partner met de klachten gaat zich schuldig voelen om alle problemen die er zijn en wordt steeds meer de ‘zwakke schakel’ in de relatie.

Hierdoor raakt hij ook steeds meer bevestigd in de gedachte dat hij erg kwetsbaar is en voortdurend beschermd moet worden door anderen. In het algemeen geldt dat de verantwoordelijkheid voor de klachten het beste zo veel mogelijk bij de persoon zelf kan blijven. Deze geeft aan wat op een bepaald moment wel of niet haalbaar is. De ander houdt daar natuurlijk zo veel mogelijk rekening mee, maar probeert verder door te gaan met het gewone leven. Dit betekent bijvoorbeeld dat de ander wel naar feestjes blijft gaan, de familie in Limburg bezoekt, of reist met het openbaar vervoer. De partner met angstklachten kan
hierbij geleidelijk weer gaan aanhaken als het wat beter gaat. Eén punt is hierbij van groot belang, namelijk dat de partner met de klachten wel gesteund wordt door de ander. Angstklachten zijn erg naar en ingrijpend. Ga daarom niet over de klachten zelf in discussie, maar laat weten dat je merkt dat de ander het moeilijk heeft. Vanuit deze basis kun je dan samen overleggen over de manier van omgaan met de klachten.

Angst en de kinderen

De invloed die een angststoornis bij ouders kan hebben op de eigen kinderen, is een gevoelig onderwerp. Veel ouders met een angststoornis menen vanwege hun klachten tekort te schieten in de opvoeding van hun kinderen. Daar komt dan vaak nog bij dat mensen bang zijn om de eigen angsten over te dragen op de kinderen. Met deze gevoelens kun je op verschillende manieren omgaan. Sommige ouders geven zichzelf bij voorbaat de schuld van alle mogelijke problemen bij hun kinderen. De gedachte is dan: omdat ik angstklachten heb, ben ik geen goede ouder en breng ik mijn kinderen in de problemen. Dergelijke
zelfverwijten helpen natuurlijk niet om met het probleem om te gaan. Bovendien is het de vraag of het terecht is om er zo naar te kijken. Allereerst heb je niet gekozen voor een angststoornis, dus kun je dit jezelf ook niet kwalijk nemen. Daarnaast hoeven zeker niet alle eventuele problemen van je kinderen door de angststoornis veroorzaakt worden. Ten slotte is het belangrijk om te bedenken dat je als ouder meer bent dan je angstklachten.

In plaats van jezelf dingen te verwijten kun je als een struisvogel je kop in het zand steken en doen alsof er niets aan de hand is. Ook dat is een reactie die weinig helpt. Zeker langdurige angstklachten van een van de ouders vormen wel degelijk een risico voor de ontwikkeling van de kinderen. Het is beter om deze mogelijkheid eerlijk onder ogen te zien en eventuele problemen zo veel mogelijk voor te zijn.

Eerst bespreken we iets over de manier waarop angstklachten een rol kunnen spelen in de opvoeding. Gebleken is dat angstig gedrag van ouders goed wordt aangevoeld door de kinderen en ook kan worden overgenomen. Wanneer vader steeds zeer gespannen wordt wanneer de telefoon gaat, kunnen kinderen leren dat telefoon krijgen een bedreigende gebeurtenis is. Ook het vermijden van veel situaties heeft gevolgen voor de kinderen. Het vermijden van het openbaar vervoer kan kinderen de indruk geven dat een treinreis erg riskant is. Daarnaast krijgen kinderen zo ook niet de kans positieve ervaringen op te doen met de bus en de trein en de vaardigheden te ontwikkelen die nodig zijn bij het maken van een reis. Verder blijken angstige ouders hun kinderen vaker te waarschuwen en ook meer controle over hun kinderen uit te oefenen.

Of de bovengenoemde situaties effect hebben op het kind, hangt sterk af van een aantal factoren. Allereerst is het ene kind van zichzelf gevoeliger voor angstklachten dan het andere. Een kind met een gevoelige aanleg zal eerder angstklachten van de ouder overnemen dan een ander kind. Verder kunnen er ook beschermende factoren zijn. Als de andere ouder een heel ander voorbeeld laat zien, er in het algemeen een warme en veilige sfeer is in het gezin en het kind voldoende ruimte krijgt om buitenshuis allerlei ervaringen op te doen, is de kans op problemen veel kleiner. Angstklachten bij een van de ouders hoeven dus niet tot problemen bij de kinderen te leiden, maar dit kan wel.

Wat kun je als ouder doen om de risico’s voor je kind te beperken? Van belang is een goed beeld te hebben van het functioneren van je kind. Ga bijvoorbeeld bij de school na hoe het daar met je kind gaat en bespreek daarbij de invloed van je angstklachten in de thuissituatie. Een plotselinge verandering in het functioneren van je kind kan een aanwijzing zijn dat het zich de problemen thuis te veel is gaan aantrekken. Het is belangrijk om daar gericht naar te vragen: een kind zal er niet altijd zelf mee komen.

Een risico is dat kinderen zichzelf als verantwoordelijk voor de problemen gaan zien of zich te veel gaan aanpassen. Een kind kan er bijvoorbeeld voor kiezen maar geen vriendjes meer mee te nemen omdat dit te zwaar is voor mama. Daarom is het van belang dat je met je kind bespreekt dat je angstklachten hebt en welke invloed dat heeft op je leven. Dit kan ook al met jonge kinderen, als het voldoende op de leeftijd wordt aangepast.

Er zijn boekjes beschikbaar die hierbij kunnen ondersteunen. Belangrijk is dat je steeds probeert in te schatten wat je kind hierin aankan. Respecteer het wanneer je kind aangeeft er nu niet over te willen praten en kom er dan op een ander moment op terug. Soms is het makkelijker wanneer iemand die wat verder weg staat, zoals een oom of tante of de meester of juf, het ook nog eens uitlegt. Dit kan bij een kind ook een dubbel gevoel oproepen: ‘Is het wel eerlijk om zo over papa of mama te praten?’ Daarom is het belangrijk dat je als ouder je kind ook duidelijk maakt dat je het goed vindt dat het hierover met iemand anders praat. Er zijn bij hulpverleningsinstellingen ook speciale gespreksgroepen voor kinderen van ouders met een psychiatrisch probleem, de zogenaamde kopp-groepen. Het kan voor een kind heel belangrijk zijn om te merken dat het niet de enige is bij wie er thuis problemen zijn. Gebleken is dat openheid over de problemen kinderen helpt om zich niet te zeer verantwoordelijk te gaan voelen voor de thuissituatie.

Tenslotte is het ook belangrijk om niet door te schieten in een overreactie. Soms verwarren ouders de eigen angsten met die van de kinderen. Dat jij als ouder het heel spannend vindt om je kind achter te laten op de kleuterschool hoeft niet te betekenen dat je kind zich op dat moment ook zo voelt. Misschien huilt het dan wel, maar is het een minuutje later al aan het spelen. Tijdelijke angsten horen ook bij het opgroeien van kinderen. Niet elke angst hoeft meteen een probleem te gaan worden. Door ervaringen te delen met andere ouders of er meer over te lezen, kun je makkelijker het verschil zien tussen gezonde en ongezonde angsten bij kinderen. Daarbij kunnen je eigen ervaringen met angsten ook een bron van steun zijn. Een ouder met angstklachten kan de eigen kinderen soms ook beter aanvoelen en daardoor een goede coach voor hen zijn. Je weet tenslotte waar je het over hebt.

Angst en het sociale netwerk

Als een vriend of vriendin je vertelt over zijn of haar angstklachten is dat in ieder geval een teken van vertrouwen. Vaak speelt schaamte over de klachten een grote rol. Dat de ander jou uitkiest om erover te praten mag je als een compliment opvatten.

Het kan gebeuren dat je er na een gesprek hierover vervolgens niets meer over hoort. Dat hoeft zeker niet te betekenen dat de klachten over zijn! Het is goed om er later nog weer eens naar te vragen. Respecteer het ook als de ander daarin grenzen aangeeft. Soms is het praten over de klachten moeilijk, maar lukt het beter om het op te schrijven of er over te mailen. Net als bij de partnerrelatie geldt ook hier dat het belangrijk is om het gevoel van de ander te respecteren. In discussie gaan over de angstklachten heeft geen enkele zin. Bemoedigen van de ander helpt soms wel, als je maar duidelijk maakt dat je ziet dat de
ander het zwaar heeft door de angsten.

Zo’n teleurstellende ervaring kwam ook naar voren in het interview met Mirjam Gaastra. Haar vertrouwen in mensen raakte beschadigd toen een vriendin zei: ‘Je knokt niet hard genoeg.’ Net als bij een partnerrelatie is het in andere verhoudingen goed als de regie zo veel mogelijk bij de persoon met angstklachten blijft liggen. Hij geeft aan wat hij wel of niet aandurft. Ook hierin kun je niet verder gaan dan de ander steunen en samen blij zijn met succeservaringen. Belangrijk is ook om op te letten dat niet alle aandacht in de vriendschap uitgaat naar de klachten. Er is veel meer in het leven dan angstklachten, ook als deze heel hinderlijk aanwezig zijn. Vraag als vriend(in) ook aandacht voor wat jóu bezighoudt en zeg het er bij als je bang bent de ander te veel te belasten.

Wanneer angstklachten langdurig zijn en erg veel beperkingen met zich mee brengen, kan iemand er door vereenzamen. Soms blijven er nog maar een paar mensen over in het sociale netwerk. Deze voelen zich dan vaak erg betrokken. Duurt dit te lang, dan bestaat het risico dat de betrokkenheid omslaat in uitputting of machteloosheid. Om dit te voorkomen is het goed om in een dergelijke situatie te proberen de steun te verbreden. Een hulpmiddel kan zijn, met medeweten van de vriend(in) om wie het gaat, een overleg te organiseren tussen alle betrokkenen en de persoon zelf en dan afspraken te maken over de verdeling
van de taken. Een bezoekrooster kan bijvoorbeeld duidelijkheid geven over wat er van iedereen verwacht kan worden en voorkomt dat er in de ene week heel veel aandacht wordt gegeven en er daarna een paar weken lang niemand langs komt. Een hulpverlener of pastor kan een coördinerende rol hebben bij een dergelijk overleg.

Angst in de kerk

Ook in de kerk spelen angsten en angststoornissen een rol. Opvallend is dat de kerkdienst vaak bovenaan staat als kerkmensen met een angststoornis een lijst maken van voor hen bedreigende situaties. Ook de geïnterviewden in dit boekje vertellen over angsten met betrekking tot de zondagse eredienst. Hierbij kunnen verschillende aspecten een rol spelen. Allereerst is een kerkdienst een groepsbijeenkomst waaruit je niet zo makkelijk ongemerkt kunt vertrekken. Met name voor mensen met een paniekstoornis of een sociale fobie is dat een beangstigende gedachte. Daar komt nog bij dat je in de kerk meestal niet anoniem
aanwezig bent, terwijl je tegelijk niet met iedereen een vertrouwensband hebt. De mensen weten wie je bent, maar je kent hen niet allemaal even goed. Dat kan voedsel geven aan de gedachte dat anderen je er nog lang op kunnen aankijken wanneer je een keer een angstaanval zou krijgen tijdens een dienst.

Daarom kan een kerkdienst zelfs bedreigender zijn dan een bezoek aan een concertzaal, waar je betrekkelijk anoniem bent. Ook de plechtige sfeer in veel kerkdiensten en de aandacht voor ingrijpende thema’s als dood, zonde en oordeel kunnen juist de kerkdienst tot een spannende aangelegenheid maken. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er in veel gemeenten wel enkele leden zijn die nooit of zelden nog een kerkdienst bezoeken omdat ze er te veel tegen opzien. Ook zijn er mensen die wel regelmatig naar de kerk gaan, maar vanwege hun angsten altijd het avondmaal vermijden. Op deze manier werpen de angstklachten een drempel op om deel te nemen aan het gemeenteleven.

In deze paragraaf bespreken we enkele dingen die in de gemeente kunnen gebeuren om deze drempel te verlagen. Natuurlijk vormt dit niet voor iedereen een oplossing. Per situatie kan worden gekeken wat nodig is. Soms is het ook beter om er in te berusten dat het bezoeken van kerkdiensten tijdelijk of langdurig niet mogelijk is. Natuurlijk zijn juist dan de steun en pastorale begeleiding vanuit de gemeente erg belangrijk.

In sommige gemeentes wordt gebruikgemaakt van een aparte ruimte achter in de kerk waarin gemeenteleden die vanwege angstklachten of om andere redenen niet in de kerkzaal willen zitten, de dienst via een geluidsversterker kunnen volgen. Ook wordt voor dit doel soms een galerij opengesteld, die anders niet nodig zou zijn. Zo is er toch meer betrokkenheid dan wanneer de dienst thuis gevolgd wordt via internet of kerktelefoon. Ook kan een dergelijke ruimte een tussenstap vormen voor mensen die weer de diensten zelf willen gaan bezoeken. Deelname aan het avondmaal kan eveneens op deze manier vorm worden gegeven. Een andere mogelijkheid is dat het avondmaal ook in de thuissituatie of op een andere plek wordt bediend.

Om dergelijke (tijdelijke) aanpassingen aan te kunnen bieden, moet men natuurlijk wel weten wie hier behoefte aan heeft. In de pastorale begeleiding van gemeenteleden is het daarom belangrijk aandacht te hebben voor signalen die wijzen op mogelijke angstklachten. Soms vertellen mensen er spontaan over, maar vaak ook niet. Bijvoorbeeld bij het regelmatig verzuimen van kerkdiensten of andere activiteiten moet worden bedacht dat angsten hierbij een rol kunnen spelen. Dit kan op een vrij neutrale manier aan de orde gesteld worden. Bijvoorbeeld: ‘Ik heb wel eens gehoord dat mensen niet meer naar de kerk gaan omdat ze er erg gespannen van worden en er tegen opzien; speelt dat bij u misschien ook een rol?’

Niet altijd zijn predikanten of ouderlingen de geschikte personen om op dit gebied begeleiding te bieden. In veel gemeenten zoekt men hiervoor mensen met specifieke gaven om broeders en zusters met een psychiatrisch probleem pastoraal te begeleiden. Deelname aan een opleidingstraject van de stichting ppt (psycho-pastorale toerusting) geeft de nodige kennis en vaardigheid om deze taken te kunnen uitvoeren. Ook van belang is dat er in de kerk in het algemeen aandacht wordt gegeven aan angstklachten en andere psychiatrische problemen. Dit kan men vormgeven door er in preken bij stil te staan, in de voorbede, maar ook door het beleggen van een thema-avond of het vormen van een gespreksgroep.

Als er veel mensen in de gemeente moeite hebben met de kerkdiensten, kan ook de vraag gesteld worden wat dit eigenlijk zegt over het functioneren van de gemeente. Is er een voldoende veilige sfeer? Mag je in de gemeente eens een fout maken of het een beetje anders doen dan de anderen, of wordt dat niet getolereerd? Is er voldoende onderlinge aandacht of leven de mensen vooral langs elkaar heen? Voor leidinggevenden in de gemeente ligt er een taak om zich op dit punt te bezinnen en bezinning te stimuleren. Dit kan er toe leiden dat erkend moet worden dat de gemeente niet functioneert zoals zij bedoeld is, namelijk als een
lichaam waarin de verschillende delen elkaar steunen en helpen (1 Cor. 12). Er zal dan natuurlijk gezocht worden naar manieren om hierin te groeien. Als er te weinig ‘liefdeszuurstof’ in de gemeente is, zullen gevoelige mensen dat het eerste opmerken. Zij krijgen het er letterlijk benauwd van. Naar hen luisteren voorkomt dat de sfeer echt verstikkend gaat worden.

Hoe kunnen mensen met een angststoornis nu bemoedigd worden in het pastoraat? Natuurlijk gaat het er allereerst om dat er heel goed naar hen geluisterd wordt. Hoe staat iemand in het leven? Wat zijn veranderingen ten opzichte van vroeger? Hoe is het verband met de geloofsbeleving? In de paragraaf over ‘angst als ingrijpende ervaring’ kwam al naar voren dat de angst voor het sterven voor de een wat anders betekent dan voor de ander. Door zorgvuldig te luisteren kan men samen zoeken naar wat de betekenis van een bepaalde angst is. Daarna kan er ook een moment komen om samen de Bijbel te openen. Met name de psalmen laten veel voorbeelden zien van het omgaan met moeilijke levensomstandigheden. Ook kan naar voren worden gehaald dat verschillende personen in de Bijbel eveneens te maken kregen met angsten.

Een bijbelgedeelte dat ook vaak in dit kader genoemd wordt, is Matteüs 6:25-34. Dit is een gedeelte uit de bergrede die Jezus uitsprak. De toehoorders worden opgeroepen om zich niet bezorgd te maken om kleding, eten, drinken en de dag van morgen, maar zich te richten op Gods Koninkrijk. Zoals God zorgt voor het gras, de bloemen en de vogels, zal Hij immers ook voor jou zorgen. Mensen die de neiging hebben om veel te piekeren kunnen steun ervaren aan deze woorden. Jezus wist welke rol dit in je leven kan spelen en roept je op om je bezorgdheid los te laten. Het is wel belangrijk om dit te zien in het geheel van de Bijbel. Elders wordt geschreven over de enorme macht die angst over iemand kan hebben. Daarom hoef je je niet schuldig te voelen als het je door je angsten zwaar valt om deze woorden in de praktijk te brengen.

Een andere heel opvallende tekst is 1 Johannes 4:18. Hier worden angst en liefde tegenover elkaar geplaatst: ‘De volmaakte liefde sluit angst uit, want angst veronderstelt straf. In iemand die angst kent, is de liefde geen werkelijkheid geworden.’ (Een betere vertaling zou zijn: Iemand die angst kent is niet volmaakt in de liefde.) Het gaat hier allereerst om Gods liefde voor mensen. Deze liefde toelaten in je leven, voelen hoeveel Hij van je houdt, neemt de angst voor oordeel en straf weg en geeft ruimte om andere mensen lief te hebben. Niemand bereikt in dit leven al volmaaktheid in de liefde en angsten horen er (dus) nog bij. Die volmaaktheid hoort alleen bij God. Pastor en gemeentelid mogen samen zoeken hoe iemand Gods liefde meer kan toelaten in zijn of haar leven en welke persoonlijke blokkades dat nog in de weg staan.

Tips voor mensen met een angststoornis

  •  Vertel als ouder je kinderen over je probleem. Er zijn hulpmiddelen beschikbaar om dit te doen op een manier die bij de leeftijd past.
  • Bespreek angsten met betrekking tot de kerkgang en zoek naar praktische oplossingen. Zo voorkom je dat je er steeds meer buiten komt te staan.
  • Spreek met je partner of een vriend(in) een vast moment af om het over je angstklachten te hebben.
  • Zoek iemand die met je bidt als je dit zelf moeilijk vindt.

Tips voor betrokkenen

  • Heb ook aandacht voor de gezinsleden van iemand met een angststoornis. Kijk of er praktische of emotionele ondersteuning nodig is.
  • Stel de vraag wat de gevolgen van de angsten voor de kinderen zijn op een open en niet-veroordelende manier aan de orde.
  • Bewaak je eigen grenzen en vraag ook aandacht voor wat jóu bezighoudt.
  • Doe geen toezeggingen die je niet kunt waarmaken.

Angst en geloof

Zijn gelovige mensen banger dan andere mensen? Sommigen beantwoorden deze vraag bevestigend. De kerk wordt nogal eens gezien als een plaats waar de angsten van mensen worden gevoed. Iemand noemde haar gelovige opvoeding ‘gereformeerde bangmakerij’. Anderen menen dat religie troost biedt aan kwetsbare mensen die anders het leven niet goed aan zouden kunnen.

Het wetenschappelijk onderzoek naar het verband tussen geloof en angst laat een genuanceerder beeld zien. Er zijn zowel onderzoeken die er op wijzen dat bij gelovigen minder angst voorkomt, als onderzoeken die juist het tegendeel aantonen.

Dat is natuurlijk vreemd. Het wordt echter duidelijker wanneer ook de manier waarop mensen geloven in het onderzoek wordt betrokken. Wanneer mensen het geloof zich hebben eigen gemaakt en er persoonlijk achter staan, zijn zij minder angstig dan wanneer het geloof beleefd wordt als iets wat van buitenaf is opgelegd en vooral de normen van de groep een reden zijn om er aan vast te houden. Overigens zijn daarmee niet alle vragen beantwoord. Deze uitkomst kan namelijk nog op twee manieren worden verklaard. Het zou zo kunnen zijn dat het je eigen maken van het geloof je een bescherming biedt tegen angst. Maar er is ook nog een andere verklaring mogelijk, namelijk dat mensen die van zichzelf angstiger zijn meer moeite hebben om zich het geloof eigen te maken, en zich meer laten leiden door de normen van de groep. Ten slotte bleek ook uit onderzoek dat mensen met angstklachten vaker een negatieve verwachting hebben met betrekking tot het hiernamaals. Er bleken zelfs per angststoornis verschillen aantoonbaar. Mensen met een gegeneraliseerde angststoornis, waarbij vooral overmatig piekeren centraal staat, bleken bijvoorbeeld als enigen gevoeliger voor de verwachting dat zij na dit leven gestraft zullen worden.

Ook hiervoor geldt dat niet duidelijk is wat oorzaak is en wat gevolg. Zijn angstige mensen onzekerder over de eeuwigheid of maakt een negatieve verwachting van de eeuwigheid mensen angstig? Of misschien wel beide?

Tot zover een klein uitstapje naar het wetenschappelijk onderzoek. Wie gelovigen zelf aan het woord laat over de rol die angst in hun leven speelt, kan ook heel verschillende verhalen horen. Sommigen beleven de angst en het geloof als twee betrekkelijk losstaande delen van hun leven: ‘Nee, gelukkig staat mijn geloof er buiten.’ Anderen ervaren het geloof juist als een bron van steun: ‘Op zo’n moment helpt het alleen nog maar om te bidden; dan kom ik weer tot rust.’ Ook zijn er mensen die het geloof ervaren als een bron van angst: ‘Als ik denk aan mijn eigen sterven, dan kan ik alleen maar zien dat ik verloren ga en dat grijpt mij bij de keel.’ Ten slotte zijn er ook mensen die de angst zien als een belangrijk onderdeel van hun geloof. Omdat de angst hen dichter bij God bracht, zijn ze zich er als het ware aan gaan hechten. Ze kunnen zich het geloof maar moeilijk voorstellen zonder de angst. Bij de interviews voor in dit boekje komt vooral naar voren dat het geloof als bron van steun is ervaren in moeilijke perioden, hoewel er ook sprake is van geloofsvragen – ‘waarom overkomt mij dit?’ – en van boos zijn op God.

Het bijzondere is dat alle genoemde reacties kunnen voorkomen in eenzelfde kerk. Dus ook al hoor je dezelfde preken en ga je naar dezelfde bijbelstudievereniging, de reacties op wat je hoort, zijn erg persoonlijk bepaald.

De conclusie van deze paragraaf is dat de relatie tussen geloof en angst ingewikkeld is. Persoonlijke factoren spelen een grote rol in de manier waarop het geloof wordt ervaren. Het is goed om daar ook in de kerk rekening mee te houden. Een preek of een bijbelgedeelte dat de een troost en helpt om rustig te worden, kan bij de ander juist veel angst oproepen. Dit komt in het laatste hoofdstuk nog terug als het gaat over de pastorale begeleiding van mensen met een angststoornis.

Deze informatie is afkomstig uit Wat angst met je doet, Vincent van Bruggen, Boekencentrum, 2009.

< Terug