< Terug

Apocrief

Het Griekse woord apokrief betekent ‘verborgen’, ‘geheim’ of ‘duister’. Het meest bekend is dit woord in de uitdrukking ‘apocriefe boeken’.

Met dit begrip wordt meestal gedoeld op teksten die onderdeel zijn van de Griekse en de Latijnse versies van het Oude Testament, maar die niet voorkomen in de Hebreeuwse Bijbel. In deze zin wordt apocrief dus gebruikt als alternatief voor deuterocanoniek. In de vroege kerk werd het woord apocrief ook gebruikt voor teksten die tegenwoordig pseudepigrafisch worden genoemd (bijv. Testament van de Twaalf Patriarchen). Naast joodse apocriefe geschriften zijn er ook nog christelijke teksten die we apocrief zijn gaan noemen. Het gaat dan om apocriefe evangeliën (bijv. het Evangelie van Thomas) en andersoortige teksten.

Het woord apokrief wordt gebruikt in de opening van het Evangelie van Thomas. Dat evangelie begint met de opmerking dat het de geheime woorden (hoi logoi hoi apokrufoi) die Jezus gesproken heeft, bevat. De mensen die de betekenis (hermêneia) van deze woorden verstaan, zo gaat de tekst verder, zullen de dood niet proeven. De lezers hebben een sleutel nodig om de woorden te verstaan. Het evangelie wordt gepresenteerd als een levengevende boodschap in geheimtaal.

Het geheime plan van God

Het woord apocrief is een grondwoord in de zin dat het in de grondtekst van de Bijbel te vinden is, maar een basiswoord is het niet. Het is eerder het tegenovergestelde van een basiswoord, niet apokrufos (verborgen of geheim), maar faneros (zichtbaar of openbaar) en apokalupsis (ontsluiting of openbaring) zijn kernwoorden in de Bijbel.

De woorden apokruptô en apokrufos worden in de Bijbel daarnaast ook op een niet-theologische manier gebruikt, bijvoorbeeld voor het verstoppen van iets of iemand.

In het Evangelie van Lucas wordt het woord gebruikt om duidelijk te maken wie de boodschap van Jezus begrijpt, en wie niet. Er is sprake van een boodschap die verborgen worden en die onthuld worden. Het is de Zoon die bepaalt aan wie de boodschap onthuld wordt. Na de terugkeer van tweeënzeventig uitgezonden leerlingen zegt Jezus:

‘Ik loof u, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat u deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen (ape-krupsas), maar ze aan eenvoudige mensen hebt onthuld (apekalupsas). Ja, Vader, zo hebt u het gewild.’ (Luc. 10:21-22; zie ook de parallel in Mat. 11:25-26)

Dit theologische gebruik van het woord, waarin een onderscheid gemaakt wordt tussen een verborgen en een onthulde boodschap, ligt toch minder ver van het gebruik in het Evangelie van Thomas vandaan dan we misschien zouden denken. Dat blijkt bijvoorbeeld uit 2 Korintiërs 4:3-4, waar Paulus zegt dat er mensen zijn voor wie de waarheid niet duidelijk is: voor hen ligt er een sluier over de waarheid. Maar, zo zegt Paulus, dit zijn de mensen die voorbestemd zijn voor de verdoemenis.

Paulus schrijft bovendien in zijn eerste brief aan de Korintiërs (2:1) dat hij bij hen kwam om het geheim van God (to mustê-rion tou theou) te verkondigen. De inhoud van dat geheim is de gekruisigde Christus. Paulus spreekt (2:7) over de boodschap als Gods verborgen en geheime wijsheid (theou sofian en mustê-riôi tên apokekrummenên). Deze wijsheid is verborgen voor machthebbers, maar dankzij de Geest heeft Paulus er beschikking over, en het is zijn taak deze kennis over te brengen. Belangrijk in zijn betoog is dat de Geest nodig is om in te zien dat deze kennis geen dwaasheid bevat, maar wijsheid. De Geest vervult hier de rol die de Zoon heeft in de passage uit Lucas. (En vergelijk de rol van de Leraar van de Gerechtigheid in 1QpHab VI 12-VII 5). In de brief aan de Efeziërs wordt hierop voortgeborduurd: de tijd is gekomen dat het geheime plan van God om de mensen door Christus te redden, openbaar is geworden (Ef. 3:9). En Paulus mag de mensen hierover vertellen (vgl. ook Kol. 1:26).

Bemoediging van gelovigen

Maar er is nog een andere traditie die hier niet onbesproken mag blijven. In Marcus 4 (vgl. Mat. 13 en Luc. 8) vertelt Jezus de gelijkenis van het zaad. De uitleg van de gelijkenis wordt alleen aan de leerlingen gegeven. Deze uitleg wordt ingeleid door de welbekende mysterieuze toelichting waarom Jezus met behulp van gelijkenissen onderwijst (Mar. 4:11-12). Aan de leerlingen is het geheim van het Koninkrijk van God onthuld; zij hebben daarmee de sleutel in handen om de betekenis van de gelijkenis te verstaan. Maar buitenstaanders hebben deze sleutel niet; het is voor hen daarom niet mogelijk de gelijkenis te begrijpen. En dat is maar goed ook, zo besluit deze passage, anders zouden de buitenstaanders geen buitenstaanders blijven, maar gered worden.

In deze passage wordt het woord apocrief niet gebruikt, maar het idee van een soort geheimtaal die je alleen zou kunnen begrijpen met behulp van de juiste sleutel, is hierin gemakkelijk te herkennen. De voorstelling dat het goede nieuws alleen te vatten is door ingewijden, treffen we aan in verschillende geschriften van het Nieuwe Testament. Maar veel prominenter is de daaraan tegengestelde voorstelling: dat het goede nieuws bestemd is voor iedereen, dat de gelijkenissen bedoeld zijn om door iedereen begrepen te worden, dat iedereen die oren heeft moet horen.

De voorstelling die onderscheid maakt tussen ingewijden en buitenstaanders, is niet bedoeld als kritiek daarop, maar dient een andere functie. Alle passages waarin we deze voorstelling aantreffen zijn bedoeld om de gelovigen te bemoedigen. Het was hun natuurlijk niet ontgaan dat het goede nieuws door de meerderheid van de mensen niet werd aanvaard. En in verschillende boeken wordt daarom uitgelegd dat de afwijzing van het goede nieuws door zo veel mensen alleen maar logisch is, omdat het onderdeel is van Gods plan. Dit plan is het werkelijke geheim, dat alles bepaalt – acceptatie en afwijzing. Maar de inhoud van het evangelie moet niet geheim blijven, maar juist aan iedereen bekendgemaakt worden. Dat blijkt ook uit de uitleg van Jezus die volgt op de gelijkenis van de zaaier:

‘Je steekt toch geen lamp aan om hem onder een korenmaat te laten uitdoven of onder een bed weg te ? Nee, je zet hem op een standaard. Alles wat verborgen (krupton) is, moet openbaar worden gemaakt (fanerôthêi), en alles wat in het geheim (apokrufon) is ontstaan, moet aan het licht komen (faneron). Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren!’

(Mar. 4:21-23)

< Terug