< Terug

Apocriefe overleveringen over Jezus

Voor apocriefe boeken bestaat sinds lang belangstelling. Niet zozeer voor de deuterocanonieke boeken van het Oude Testament, die sinds de reformatie ‘apocrief’ worden genoemd en in tal van bijbeluitgaven zijn opgenomen, maar voor allerlei andere boeken, waaromheen een geheimzinnig aura hangt. Ze zouden in de schemer van de geschiedenis zijn overgeleverd en door de kerk verborgen zijn gehouden, omdat de kerk iets te verbergen had: de waarheid omtrent Jezus.

In onze tijd beleven apocriefe boeken een hoogconjunctuur. Ze worden veelvuldig vertaald (niet altijd uit de talen waarin ze zijn overgeleverd trouwens) en er wordt hoog opgegeven van hun waarde. Vaak leidt die hoge waardering tot een degradatie van de geschriften die als canoniek in de Bijbel zijn opgenomen. Niet alleen amateurtheologen, ook sommige geleerden voeden die concurrentiegedachte. Neem nu Bart Ehrman, die een groot aantal, veelal waardevolle boeken over het vroege christendom heeft gepubliceerd. De sensationele titels van sommige van zijn boeken verraden iets van zijn theologische agenda; zo bijvoorbeeld Lost Christianities: The Battles for Scripture and the Faiths We Never Knew.1 Hij wekt de indruk dat het maar weinig gescheeld had of we hadden een heel ander Nieuwe Testament gehad, en dat de huidige canon het resultaat is geweest van een verbeten strijd tussen ‘proto-orthodoxe’ ketterjagers en de arme ketters zelf. Strijd is er inderdaad geweest, maar anders dan Ehrman die voorstelt. De vorming van de canon van het Nieuwe Testament, met de bekende vier evangeliën, is een proces geweest dat ten minste vier eeuwen heeft geduurd. Aanvankelijk beschikte de ‘proto-orthodoxe’ kerk in het geheel niet over de machtsmiddelen om concurrerende groeperingen te vervolgen of hun boeken te vernietigen; de polemieken werden toen in woord en geschrift gevoerd. In de vierde eeuw veranderde de situatie toen het katholieke christendom een geoorloofde en later een bevoorrechte godsdienst werd. Maar zelfs als de kerk de ketters vanaf de vierde eeuw meer vrijheid had gegund, dan had de samenstelling van haar canon er niet of amper anders uitgezien. Wel zouden er daarnaast in het Romeinse Rijk meer heterodoxe groepen met hun eigen geschriften gebleven zijn. Vanuit hedendaags gezichtspunt is het betreurenswaardig dat de kerk, die een aanlokkelijk maar dubieus verbond met het Romeinse Rijk was aangegaan, die tolerantie niet heeft kunnen opbrengen. Zo zijn tal van apocrief genoemde boeken op den duur niet meer overgeleverd, al is een groot aantal ervan toch bewaard gebleven of later teruggevonden. Veel apocriefen zijn eeuwenlang in de kerk evenwel gewaardeerd, zodat daar niets geheims aan was. Het verhaal van de apocriefe boeken is complex.

Wat heet apocrief?

‘Apocrief’ is Grieks voor ‘verborgen’ (apokrufos), en staat tegenover ‘bekend’ of, in christelijke context, tegenover ‘canoniek’. Sommige gnostische of aanverwante werken vermelden de term ‘apocrief’ in de titel, zoals (in het Koptisch) het in Nag Hammadi gevonden Evangelie van Thomas en het in 2006 gepubliceerde Evangelie van Judas. Zo’n opschrift verraadt een polemische pretentie ten opzichte van andere, breder bekende evangeliën. Maar van de meeste nu als apocrief bekendstaande geschriften geldt dit niet en die hebben de term dan ook niet in de titel. Zo is er nog een ander Evangelie van Thomas, dat legenden over Jezus’ kindertijd bevat en dat de eeuwen door in een groot aantal talen en handschriften met de kerk is meegegaan. Hetzelfde geldt voor het Evangelie (of: Proto-Evangelie) van Jacobus, dat handelt over de geboorte en jeugd van Maria en over Jezus’ geboorte. De legenden die daarin zijn opgenomen wijken af van de canonieke evangeliën, maar al wordt dit evangelie vermeld op oude lijsten van afgewezen, apocriefe boeken, dat heeft geen afbreuk gedaan aan de populariteit ervan. De traditie van Jezus’ geboorte in een grot is hierin te vinden. Het eveneens populaire Evangelie van (Pseudo-)Matteüs vermeldt niet alleen de grot, maar ook de os en de ezel die de pasgeboren Jezus vereerden. In de icono-grafie hebben deze tradities een enorme uitwerking gehad, dus verborgen waren zij allerminst. Toch zijn ook zulke evangeliën in heel wat hedendaagse verzamelingen van apocriefe boeken opgenomen.

Dit brede gebruik van de term apocrief is al oud. Aanvankelijk heeft de vroeg-katholieke kerk, vanaf Irenaeus van (circa 180), deze aanduiding gebruikt voor gnostische werken, en zoals we zagen hadden die deze term soms inderdaad in de titel; dat was omdat zij bestemd waren voor een beperkt, ingewijd publiek. In de derde en vierde eeuw werd de term ook toegepast op joodse boeken op naam van Adam, Henoch, de aartsvaders en Mozes, die door de kerk werden afgewezen.

Later zijn er lijsten opgesteld waarin alle niet-canonieke boeken die bijbelse of quasi-bijbelse tradities bevatten als apocrief werden bestempeld. Maar menig werk heeft dat odium met gemak overleefd.

Jezus’ kindertijd

We zullen nu een indruk geven van apocriefe overleveringen over Jezus. Drie evangeliën over zijn geboorte en kindertijd werden al vermeld. Zij lijken geschreven te zijn om de schaarse berichtgeving van de canonieke evangeliën over die periode aan te vullen. Vaak genoeg bevatten zij tradities die hiervan afwijken en die, in een enkel geval, oud kunnen zijn. Dat Jezus in een grot is geboren, is hiervan een voorbeeld. ‘Oud’ betekent echter niet dat hieraan historische betrouwbaarheid worden toegekend. Het opkomen van deze evangeliën over Jezus’ kindertijd betekent evenmin dat zij waren bedoeld om de gezaghebbende evangeliën concurrentie aan te doen.2 De apocriefe verhalen waren een uiting van volksvroomheid.

Dat leverde soms een vreemd Jezusbeeld op. De kleine Jezus van het hier bedoelde Evangelie van Thomas is een onuitstaanbaar vroegrijp joch, dat betweterig zijn onderwijzer van repliek dient en bizarre wonderen doet, zodat zijn goddelijkheid al snel herkend wordt. Het Evangelie van (Pseudo-)Matteüs verhaalt onder meer dat, toen Jozef en Maria met de kleine Jezus naar Egypte waren gevlucht, de afgoden daar ter aarde vielen en de plaatselijke gouverneur Jezus aanbad.

Jezus’ doop: joods-christelijke evangeliën

Er zijn geen oude apocriefe overleveringen bekend over hetgeen Jezus voorafgaand aan zijn publieke optreden zou hebben gedaan. Geschriften over Jezus bij de Essenen of Jezus in zijn uit de negentiende en twintigste eeuw afkomstig.3 Jezus’ publieke optreden wordt in de canonieke evangeliën ingeluid door zijn doop door Johannes de Doper. Daarover zijn ook fragmenten van zogeheten ‘joods-christelijke’ evangeliën bewaard gebleven. In de eerste vier eeuwen waren er joods-christelijke groeperingen die zich afzijdig hielden van de bredere kerk, die steeds meer mensen aan zich wist te binden. Deze groeperingen heetten bijvoorbeeld Ebionieten (naar het Hebreeuwse evjon, ‘arm’), Hebreeën, Nazorenen of Nazareeërs. In hun kringen zijn evangeliën samengesteld die in de synoptische traditie staan, maar daarvan ook afwijken. Deze evangeliën zijn als afzonderlijke werken verloren gegaan omdat hun gebruikers later, vermoedelijk gedwongen, zijn opgegaan in de bredere kerk. Diverse kerkvaders waren echter met hun boeken bekend en citeerden hieruit omdat zij hieraan belang hechtten of om de verschillen met de canonieke evangeliën te laten zien. Langs die weg zijn tientallen citaten uit de joods-christelijke evangeliën toch bewaard gebleven.

Zo meldt Hieronymus dat in het Evangelie van de Hebreeën Jezus’ moeder en broers tegen hem zeiden: ‘Johannes de Doper doopt tot vergeving van zonden; laten wij op weg gaan om door hem gedoopt te worden.’ Maar Jezus zei daarop: ‘Wat voor zonde heb ik gedaan dat ik op weg zou gaan om door hem gedoopt te worden? Behalve misschien dit, dat ik in onwetendheid heb gesproken.’ Elders citeert Hieronymus het Evangelie van de Nazareeërs (of weer: Hebreeën?). Dit verhaalt dat ‘toen Jezus uit het water opkwam, de hele bron van de Heilige Geest op hem daalde en op hem rustte en tot hem zei: Mijn Zoon, in alle profeten heb ik jou verwacht, dat jij zou komen en ik op jou zou rusten. Want jij bent mijn rust, jij bent mijn eerstgeboren Zoon, die in eeuwigheid zal heersen.’ Het Evangelie van de Ebionieten, dat wordt geciteerd door Epifanius van Salamis, biedt bij deze episode een samenstelling van wat de stem uit de hemel in de verschillende canonieke evangeliën tot Jezus zegt en voegt daaraan toe dat na Jezus’ doop een groot licht die plaats omstraalde.

Jezus’ optreden en onderricht

Een groot aantal overleveringen verhaalt van Jezus’ onderricht en gesprekken op een wijze die aan de canonieke evangeliën doet denken. Het Evangelie van Thomas uit Nag Hammadi bevat tal van uitspraken van Jezus die voorheen onbekend waren. Sommige van deze woorden kunnen echt op Jezus teruggaan, omdat ze overeenkomen met de strekking van de synoptische evangeliën. Dit criterium impliceert tevens dat ze niets opzienbarends toevoegen. Daarvan sterk afwijkende uitspraken zijn hoogstwaarschijnlijk later aan hem toegeschreven en zeggen dus iets over de gevarieerde receptie en verwerking van zijn onderricht. Zo wijst Jezus, in antwoord op de vraag van zijn leerlingen wie na zijn dood hun leider zal zijn, op ‘Jacobus de rechtvaardige, omwille van wie de hemel en de aarde zijn ontstaan’. Deze uitspraak is kennelijk ontstaan in de joods-christelijke gemeente te Jeruzalem, die door Jezus’ broer Jacobus werd geleid, en wijst erop hoe hoog er van hem werd gedacht. Van een ander karakter is Jezus’ kritische kwalificatie van Israëls profeten als ‘de doden’, tegenover wie hij zichzelf als ‘de Levende’ plaatst. Elders instrueert hij zijn leerlingen wat zij moeten zeggen als zij, of eigenlijk hun zielen, terugkeren naar de Vader en dan eerst de lagere engelwachters moeten passeren. Zulke wachtwoorden zijn ook uit de Egyptische en Griekse godsdiensten bekend en hebben parallellen in gnostische teksten uit dezelfde periode. De eerder vermelde joods-christelijke evangeliën bevatten eveneens overleveringen over Jezus’ optreden en onderricht. Zo zou hij volgens het Evangelie van de Hebreeën hebben gezegd: ‘Zojuist nam mijn Moeder, de Heilige Geest, mij bij een van mijn haren en verplaatste mij naar de grote berg Tabor.’ Interessant is dat Hieronymus vermeldt wat in de Hebreeuwse versie van dit evangelie de term was voor het Griekse epiousios in het Onzevader. De betekenis van dit woord staat niet vast; de bekende vertaling ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’ is slechts een van de mogelijkheden. In het Evangelie van de Hebreeën stond volgens Hieronymus ‘mahar’, hetgeen betekent ‘voor de volgende dag’.

Ook andere niet-canonieke woorden op naam van Jezus zijn in citaten van kerkvaders bewaard gebleven. Irenaeus ontleent aan Papias van Hierapolis (begin 2e eeuw) Jezus’ onderricht over de overvloed van het toekomstige paradijs; Papias had zich weer beroepen op de mondelinge overlevering van ‘de oudsten’. Irenaeus vermeldt daarna een ongelovige vraag van Judas, die zich die overvloed niet kon voorstellen. In zekere zin is deze overlevering niet apocrief, omdat zij door een (hoewel niet door iedereen) gerespecteerde kerkvader als gezaghebbend wordt aangehaald. Eeuwenlang heeft de kerk mondelinge overlevering erkend naast de canonieke teksten. Doorgaans betreft dit korte spreuken op naam van Jezus, de zogenaamde agrapha (wat niet opgeschreven is).

In Egypte is een groot aantal papyrusfragmenten gevonden met verhalen over Jezus in het Koptisch en in het Grieks die met de nieuwtestamentische evangeliën verwant zijn, maar daarin zo niet voorkomen. Zo is in Oxyrhynchus een Grieks twistgesprek tussen Jezus en een farizeeër Levi, die opper-priester was, gevonden; het gaat over de reinheid die nodig is om de tempel in Jeruzalem te betreden. Een Koptisch fragment van onbekende herkomst bevat een gebed dat Jezus vlak voor zijn gevangenneming zou hebben uitgesproken. In 1999 is een tot dan toe onbekend, zeer fragmentarisch bewaard gebleven, Koptisch Evangelie van de Verlosser gepubliceerd. Jezus zegt er bijvoorbeeld: ‘Ik ben bedroefd over de zonden van de wereld, maar ik verheug me over jullie omdat jullie het in de wereld goed hebben uitgehouden. (…) Ik ben uitgezonden en ik wil jullie uitzenden. Amen.’ Dit evangelie vertelt van een gezamenlijke opstijging naar de hemel en de verwarring van de engelen die daar de poorten moesten bewaken.

Over Jezus’ leven vermeldt het in Nag Hammadi gevonden Evangelie van Filippus dat Maria Magdalena zijn metgezel was, dat hij haar meer liefhad dan zijn andere leerlingen en haar dikwijls kuste.

Onder de gnostische geschriften handelt het reeds genoemde Evangelie van Judas als enige over de laatste week van Jezus’ aardse leven. Meestal is zijn onderricht in gnostische openbaringsgeschriften gesitueerd na zijn aardse leven. In het Evangelie van Judas is Jezus in gesprek met zijn leerlingen en blijkt Judas onder hen een bevoorrechte positie in te nemen. Soms is Jezus echter vertrokken naar ‘het grote en heilige geslacht’, ergens in de hemelse regionen. Ondanks Judas’ geprivilegieerde positie noemt Jezus hem de dertiende demon, zegt hij dat zijn ster hem heeft misleid en kondigt hij aan dat Judas allen zal overtreffen – in slechtheid waarschijnlijk, omdat hij het lichaam van zijn meester zal opofferen aan de dwaze god Saklas. Het evangelie besluit met een uiterst korte variatie op de overleveringsscène van de synoptici, zonder te reppen van kruisiging of opstanding.

Deze teksten maken duidelijk dat er in het Egypte van de eerste eeuwen van de jaartelling in de overlevering van verhalen over Jezus en zijn onderricht een enorme variëteit bestond. De kwetsbare papyri zijn daar, zij het meestal in fragmentarische staat, geconserveerd dankzij het droge woestijnzand waardoor ze waren bedolven.

Jezus’ lijden, dood en overwinning

Ook Jezus’ dood en opstanding zijn op heel uiteenlopende manieren herverteld. Een langer fragment op perkament dat in Egypte is teruggevonden geeft hiervan een originele beschrijving. Omdat het zo wordt voorgesteld dat Petrus erin aan het woord is, kan worden geconcludeerd dat deze tekst het slot van het Evangelie van Petrus is, waarover in de oude kerk wordt bericht. De verhalen lijken enigszins op de synoptische evangeliën, maar er zijn significante verschillen. Zo worden de joden geheel en al verantwoordelijk gemaakt voor Jezus’ dood. Aan het kruis roept Jezus uit: ‘Mijn kracht, (mijn) kracht, u hebt mij verlaten’ (eli, ‘mijn God’, is dus geïnterpreteerd als cheli, ‘mijn kracht’). Daarna werd hij volgens dit evangelie meteen ‘opgenomen’. De soldaten die bij zijn graf de wacht moesten houden, zagen na de sabbat drie reusachtige mannen daaruit tevoorschijn komen; van twee reikten de hoofden tot aan de hemel, het hoofd van de derde reikte zelfs daar bovenuit. Een kruis volgde hen. Een stem uit de hemel sprak: ‘Heb je aan de ontslapenen gepredikt?’ Vanaf het kruis klonk het antwoord: ‘Ja.’

Deze prediking aan de ontslapenen duidt op de oude traditie van Jezus’ nederdaling in de onderwereld ofwel ‘ter helle’. Uitvoerig wordt hiervan verslag gedaan in de Handelingen van Pilatus, ook genoemd het Evangelie van Nicodemus. Deze en soortgelijke werken waren in de kerk eeuwenlang geliefd, blijkens het grote aantal handschriften en vertalingen waarin ze zijn overgeleverd. Dat Jezus als overwinnaar op de dood de onderwereld binnenging, had als doel dat hij de oudtestamentische vromen daaruit zou verlossen en zou meenemen naar het paradijs. Dit is opgenomen in het orthodoxe geloofsgoed en is op tal van iconen verbeeld.

Een diametraal hiertegenover staande versie van Jezus’ dood is te vinden in gnostische tradities. In één Grieks handschrift van de Handelingen van Johannes staat dat toen de Heer werd gekruisigd, Hij zich tegelijkertijd op de Olijfberg met Johannes onderhield en hem een groot kruis van licht toonde. Jezus verklaart dat Hij aan het kruis geleden had en toch niet geleden had; dat Hij doorstoken was, en toch niet gewond. In de Tweede Verhandeling van de Grote Seth, een geschrift uit Nag Hammadi, zegt Christus dat Hij alleen in schijn is gestorven omdat het een ander was die gekruisigd werd. De gnostische leraar Basilides van Alexandrië verklaarde – aldus Irenaeus – dat in feite Simon van Cyrene was gekruisigd. In de Brief van Petrus aan Filippus, ook teruggevonden in Nag Hammadi, citeert Petrus de belijdenis dat Jezus is gekruisigd, gestorven en opgestaan uit de doden, maar verklaart hij direct daarna dat dit lijden Jezus vreemd is. Veel gnostici konden niet accepteren dat de goddelijke Verlosser fysiek had geleden en echt was gestorven. Volgens hen gold dit hooguit voor de menselijke gestalte waarmee Hij zich op aarde had verbonden, en waarvan Hij zich voor de kruisiging had losgemaakt.

Verschijningen en openbaringen van Jezus

Over Jezus’ opstanding vermeldt het Evangelie van de Hebreeën dat ‘de Heer, nadat Hij een linnen doek aan de dienaar van de priester had gegeven, naar Jacobus ging en aan hem verscheen’. Hieronymus voegt aan dit citaat toe dat Jacobus had gezworen geen brood meer te eten tot hij zou hebben gezien dat Jezus uit de doden was opgestaan. Daarna liet Deze een maaltijd aanrichten en betuigde Hij tot ‘Jacobus de rechtvaardige’: ‘Mijn broeder, eet je brood, want de Mensenzoon is uit de doden opgestaan.’

Hoewel gnostici veelal ontkenden dat de hemelse Verlosser echt had geleden en was gestorven, is in hun kringen een groot aantal werken verschenen waarin Christus na zijn opname in de hemel opnieuw aan één of enkele van zijn leerlingen verschijnt. Zijn verschijning aan Jacobus wordt ook betuigd in drie geschriften uit Nag Hammadi; daarop volgen gesprekken waarin Christus Jacobus’ vragen beantwoordt. De Wijsheid van Jezus Christus (bewaard in twee Koptische versies) vertelt dat ‘de Verlosser’ na zijn opstanding op een berg in Galilea aan zijn twaalf leerlingen en zeven vrouwen verschijnt en breedvoerig ingaat op hun vragen. Het Geheime boek (of: Apokryphon) van Johannes beschrijft het onderricht dat ‘de Verlosser’ aan Johannes geeft over de hemelen, het ontstaan van de wereld en de mogelijkheid tot verlossing daaruit. De gnostische mythe van de gevallen Sofia en het ontstaan van de kwaadwillige Schepper wordt hier breedvoerig uiteengezet. Dit geschrift is in vier Koptische versies teruggevonden, en Irenaeus heeft een Griekse versie hiervan gekend. In het Evangelie van Maria richt ‘de Verlosser’ zich tot enkele leerlingen, onder wie Maria (Magdalena). Hoogstwaarschijnlijk moet ook dat leergesprek na zijn aardse leven worden gesitueerd, maar omdat de eerste zes bladzijden van het Koptische handschrift verloren zijn gegaan, is de context niet geheel zeker.

Uiterst plastisch wordt de verrezen Jezus beschreven in de Brief van de apostelen, die is overgeleverd in het Koptisch en het Ethiopisch. Daar stelt hij aan Maria en haar zusters voor om naar de apostelen te gaan om hen van zijn opstanding te overtuigen. De apostelen mogen zijn lichaam betasten om zich ervan te vergewissen dat Hij geen spook is. Daarna onderwijst Hij hen uitvoerig over zijn tocht door de hemelen, zijn wederkomst, de opstanding der doden en de opname van zijn leerlingen in de hemel. Deze schijnbaar door de apostelen geschreven brief is een anti-gnostisch getuigenis van de realiteit van Jezus’ opstanding en van de door Hem aangekondigde toekomst.

Moderne apocriefen?

In het voorgaande vermeldde ik al dat sommige ‘apocriefe’ boeken in feite in de moderne tijd zijn geschreven. In veel gevallen kan vrij eenvoudig worden geconcludeerd dat een plotseling opduikend geschrift niet echt oud is. Soms is het echter nog geen uitgemaakte zaak of een gepresenteerde tekst teruggaat op een oude bron of een moderne vervalsing is. Een langdurige discussie wordt tot op heden gevoerd over het Geheime Evangelie van Marcus. In 1973 publiceerde Morton Smith een Griekse brief van Clemens van Alexandrië, waarin twee fragmenten van een langere versie van het Evangelie van Marcus worden geciteerd. Smith verklaarde dat hij deze tekst in een kloosterbibliotheek nabij Jeruzalem had ontdekt op de schutbladen van een zeventiende-eeuws boek. Hiervan heeft hij foto’s gemaakt, maar sindsdien is het boek spoorloos, hoewel enkele geleerden hebben getuigd dat zij het hebben gezien. In het langste fragment wekt Jezus een jongeman op uit de dood; het verhaal doet denken aan de opwekking van Lazarus, maar is veel beknopter. Tijdens een nachtelijke sessie onderwijst Jezus de jongeman het geheim van Gods koninkrijk. Deze passage staat vol zinswendingen uit het canonieke Evangelie van Marcus en zou, volgens Clemens’ vermeende brief, moeten worden ingevoegd na Marcus 10:34. De authenticiteit van deze tekst is direct na verschijning ernstig in twijfel getrokken. Gesuggereerd werd dat Smith het manuscript zelf had vervaardigd, hetgeen hij verontwaardigd heeft ontkend. De tekst van dit Geheime Evangelie is in allerlei collecties van apocriefe teksten opgenomen, meestal met vermelding van de onzekerheid over zijn authenticiteit. Zolang het boek onvindbaar is, ga ik ervan uit dat deze tekst een moderne vervalsing is. Mocht het ooit worden teruggevonden, dan kan worden onderzocht uit welke eeuw de inkt afkomstig is.

Een recente kwestie betreft een Koptisch papyrusfragment waarop Jezus een potentiële leerling als ‘mijn vrouw’ aanspreekt (zie het artikel ‘Het huwelijk van Jezus’, op p. 8 van dit blad). Een jaar geleden is deze tekst gepresenteerd, en het onderzoek ernaar is nog niet afgerond. Redenen om aan te nemen dat dit een vervalsing is, zijn dat het fragment bestaat uit een pastiche van bekende Koptische teksten, vooral uit het Evangelie van Thomas, en dat een typefout uit een interneteditie van het Evangelie van Thomas ook in dit fragment voorkomt. De kans dat dit fragment ooit als authentiek wordt erkend, acht ik gering. Hoe dan ook is het verhaal van apocriefe teksten nog niet ten einde.

O ja, is nu de waarheid omtrent Jezus in de apocriefen te vinden? Wie zich in de duizenden bladzijden van deze zeer uiteenlopende oudchristelijke geschriften heeft verdiept, begrijpt dat een optimistisch antwoord niet voor de hand ligt.

Literatuur

F. Bovon, P. Geoltrain (red.), Fcrits apocryphes chrétiens I, Parijs: Gallimard 1997 (1782 pp.).

P. Geoltrain, J.-D. Kaestli (red.), Fcrits apocryphes chrétiens II, Parijs: Gallimard 2005 (2156 pp.).

J.K. Elliott, The Apocryphal New Testament, Oxford: Oxford University Press 1993 (747 pp.).

A.F.J. Klijn, De Apocriefen van het Nieuwe Testament, Kampen: Ten Have 2006 (367 pp.).

Chr. Markschies, J. Schröter, A. Heiser (red.), Antike christliche Apokryphen in deutscher Übersetzung I-II, Tübingen: Mohr Siebeck 2012 (1468 pp.).

P. Oussoren, R. Dekker, Buiten de vesting. Een woord-voor-woord vertaling van alle deuterocanonieke en vele apocriefe bijbelboeken, Vught: Skandalon 2008 (680 pp.).

J. Slavenburg (red.), Het Grote Boek der Apokriefen. Geheime vroegchristelijke teksten, : Ankh-Hermes 2009 (1170 pp.).

< Terug