< Terug

Armoede: eigen schuld?

Bij Amos 6,1-10, Psalmen 146 en Lucas 16,19-31

Gods Koninkrijk

Boontje komt om zijn loontje, zouden we deze zondag kunnen zeggen. Daarbij doelend op die mens die in het verhaal van Lucas in weelde heeft geleefd, maar zich van het lot van de arme Lazarus niets heeft aangetrokken. We zouden ons daarbij kunnen afvragen hoe het komt dat die daar in de goot ligt. Wat heeft ervoor gezorgd dat iemand in zo’n erbarmelijke situatie is terechtgekomen? Op deze vragen krijgen wij geen antwoord, omdat de tekst daarover niets meldt. Zijn het vragen die ertoe doen?

Nu, laten we dan maar blijven bij onze eigen wereld en onze ogen niet allereerst richten op wat er eventueel later, na ons aardse leven, voor ons in het verschiet ligt. Het gaat uiteindelijk altijd weer om Gods Koninkrijk. Dat Rijk, door ons hemel genoemd, waarvan wij in het Onze Vader vragen of dat ook op aarde mag komen. Uw wil geschiede, in de hemel, zo ook op de aarde. Ons handelen hier op aarde dient dus niet allereerst gericht te zijn op het ‘veiligstellen’ van een plaats in een of ander hiernamaals, maar we dienen ons de vraag te stellen in hoeverre ons handelen in de wereld bijdraagt aan de komst van het Rijk.

Hoe om te gaan met de armen?

Als je Amos leest, handelend ongeveer 750 jaar vóór onze jaartelling, en Lucas, dan blijkt armoede van alle tijden te zijn. De wijze waarop erop gereageerd wordt, is kennelijk een scharnierpunt waar het gaat om het verbond van de Eeuwige met zijn volk. Laten we de tegenstelling maar duidelijk benoemen: wanneer je zelf behoort tot die mensen die het voor elkaar hebben, wanneer je je schaapjes op het droge hebt, hoe ga je dan om met de armen in je omgeving? In een mondiale economie, waarin mechanismen werkzaam zijn waar we niet altijd zicht op hebben, kan het verleidelijk zijn om te verzuchten dat je uiteindelijk niets kunt doen; dat je niet de hele wereld op je nek kunt nemen. Je kunt ook proberen om de ernst van het geschrevene te ontkrachten door te benadrukken dat het toch ook moet gaan om allerlei geestelijke waarden in het leven. Dat we bij het lezen van de verhalen van deze zondag niet al te zeer moeten blijven focussen op het concrete, het materiële. Dat zou toch werkelijk getuigen van een armzalige visie op het leven? Een prima manier om de angel uit het vlees te halen!

Dankbare vragen

Amos laat er geen onduidelijkheid over bestaan waar het om gaat. ‘Zij verkopen de rechtvaardige voor geld en de arme voor een paar schoenen, zij vertrappen het hoofd van de geringen in het stof van de aarde en verkrachten het recht van de armen’ (Amos 2,6 – Willibrordvertaling). Het gáát juist om de concrete werkelijkheid, de wereld waarin wij leven.

Daar kritisch naar kijken, naar dúrven kijken is kennelijk nog altijd moeilijk, ook in onze tijd. Ook nu nog zijn de verschillen tussen arm en rijk groot en soms schrijnend. Maar bij het spreken over oplossingen komen mensen vaak niet verder dan de vragen die ik in het begin ophoestte: Hoe komt het dat die ene mens daar in de goot ligt? Waardoor is iemand in zo’n erbarmelijke situatie terechtgekomen? Het zijn dankbare vragen, omdat ze ons van argumenten voorzien waarmee we die arme om de oren kunnen slaan. Want zijn werkloosheid is toch het gevolg van het feit dat hij voortijdig, zonder diploma zijn opleiding heeft beëindigd? En wanneer iemand zijn geld niet zo had verbrast, dan had hij nu niet hoeven aankloppen bij de overheid voor financiële ondersteuning. Het zijn ook dankbare vragen, omdat we met behulp ervan vluchtelingen kunnen etiketteren en kunnen stellen dat men hier niet louter om economische redenen een verblijfsstatus kan krijgen. Waarbij we dan kennelijk voorbijgaan aan de armoede waaraan mensen trachten te ontkomen.

De Heer beschermt de vreemdeling, de wees en de weduwe

Confrontatie met armoede wereldwijd kan moedeloos maken. Maar armoede in onze directe omgeving, waarbij de vraag zich opdringt wat we daarmee aanmoeten, doet ons terugdeinzen. Doet ons grijpen naar allerlei argumenten waarmee we mensen vooral wijzen op hun eigen verantwoordelijkheid, wat dan een ander woord wordt voor zelfredzaamheid.

In de aanklacht tegen Israël, bij Amos in bijzonder harde bewoordingen gesteld, klinkt met enige regelmaat dat het volk zich niet bekeert, of dat het de Tora veronachtzaamd heeft. Het is juist in de zorg om, het erbarmen jegens de arme, de weduwe en wees, de vreemdeling, de minsten van een samenleving, waarin het volbrengen van de Tora zichtbaar wordt. Daarvan getuigt Psalmen 146 (,6-9):

Hij blijft bedacht op trouw voor altijd,
voor het recht van de onderdrukten komt Hij op,
Hij geeft de hongerigen brood,
de Heer maakt gevangenen vrij,
de Heer opent blinden de ogen,
de Heer richt verslagenen op,
de Heer heeft de rechtvaardigen lief;
de Heer neemt de vreemdeling in bescherming,
wees en weduwe staat Hij bij.

Hier is het de Heer die voor de armen en verdrukten zorgt. Maar spreken over God is ook altijd spreken over de mens, immers geschapen naar zijn beeld, op Hem gelijkend. De eigenschappen die wij aan God toeschrijven – barmhartigheid, trouw, vergevingsgezindheid, etc. – zijn altijd ook de eigenschappen waarmee wij onszelf hebben te bekleden.

Hoe komt het dat die ene mens daar in de goot ligt? Wat heeft ervoor gezorgd dat iemand in zo’n erbarmelijke situatie is terechtgekomen? Het zijn vragen waarmee we willen aangeven dat het vooral de vreemdeling, de arme, de werkloze zelf is die bekering nodig heeft. Ik denk dat we met zulke redenaties onze eigen bekering, onze eigen roeping vergeten.

< Terug