< Terug

Augustinus borduurde voort op de ‘wonderbaarlijke ruil’

In de Bijbel en in het vroege christendom vinden we de traditie van de ‘wonderbaarlijke ruil’: de visie dat de mens deel krijgt aan het goddelijke mysterie. Augustinus beschrijft in zijn kerstpreek de beweging die de verlossing van de mens beoogt: Gods Zoon werd Mensenzoon om de mensen tot zonen en dochters van God te maken. Dit sluit aan bij wat men de ‘wonderbaarlijke ruil’ noemde.

Geloven is een gebeuren, waardoor wij deel krijgen aan het goddelijke mysterie dat ons te boven gaat. Deze visie heeft oude papieren, en wordt de ‘wonderbaarlijke ruil’ genoemd. Deze traditie vinden we in de Bijbel en in het vroege christendom. De Griekse kerkvaders hebben deze theologische gedachte overgenomen en aangeduid als theosis. De focus in deze bijdrage ligt op het westerse christendom en niet op het oosterse christendom.

Transformatie, twee wegen krijgen deel aan elkaar. (beeld Bernhard Falkinger)
Transformatie, twee wegen krijgen deel aan elkaar. (beeld Bernhard Falkinger)

Ik begin met de beschrijving van deze traditie in de Bijbel, en vervolg met enkele teksten van de vroegchristelijke schrijver Irenaeus van Lyon (ca. 200), die beschouwd wordt als de grondlegger van deze traditie.

Daarna behandel ik een kerstpreek van Augustinus (354-430) waarin hij de ‘wonderbaarlijke ruil’ aan de orde stelt. Daarin speelt Maria als moeder een belangrijke rol. Dankzij haar heeft het mysterie van de incarnatie plaatsgevonden, waardoor de aardse mens deel krijgt aan het goddelijke leven.

De ‘ruil’ in de Bijbel

Voor vroegchristelijke schrijvers was de Bijbel de fundamentele bron van waaruit zij een leven konden leiden dat aan God was gewijd. Daarin wordt over de ‘wonderbaarlijke ruil’ gesproken. In een psalm staat geschreven:

‘Ooit heb ik gezegd: “U bent goden, zonen van de Allerhoogste, allemaal.”’ (Psalm 82:6, NBV) Het woord ‘zonen’ moeten we hier natuurlijk inclusief opvatten: mannen en vrouwen worden uitgenodigd te participeren in de goddelijke natuur.

De apostel Petrus schrijft in zijn brief: ‘Hiermee zijn ons kostbare, rijke beloften gedaan, opdat u zou ontkomen aan het verderf dat de wereld beheerst als gevolg van de begeerte, en opdat u deel zou krijgen aan de goddelijke natuur.’ (2 Petrus 1: 4)

Petrus sluit aan bij de benadering van de mens als beeld van God. Dit beeld is niet door de zonde aangetast. Daarom roept hij zijn toehoorders op hun begeerte om te bezitten, te gebruiken en te beheersen, te breken, opdat zij deel krijgen aan het goddelijke leven.

De ‘ruil’ bij Irenaeus

Irenaeus van Lyon wordt gezien als de grondlegger van de theologie van de ‘wonderbaarlijke ruil’. Hij schreef er al over in de tweede eeuw, maar helaas heeft zijn theologische visie geen school gemaakt en werd die in het westerse christendom vergeten. Toch is zijn leer over de wonderbaarlijke ruil zeer harmonisch en rijk, en heeft deze aan actualiteit niets ingeboet.

Irenaeus koppelt de ‘wonderbaarlijke ruil’ aan het mysterie van de incarnatie en de verlossing. In zijn visie ontbreekt geheel het element van het offer. Hij benadrukt de mogelijkheid van de vereniging tussen God en de schepselen, in het bijzonder de mens. In zijn werk Tegen de ketters (Adversus Haereses) brengt hij zijn visie als volgt tot uiting: ‘Hij (Gods Woord), onze Heer Jezus Christus, is door zijn grenzeloze liefde geworden wat wij zijn, om ons te maken tot wat hij is.’

Pagina van 'Adversus Haereses'. (beeld onbekend)
Pagina van Adversus Haereses. (beeld onbekend)

Door het mysterie van de incarnatie worden mensen weer verenigd met God en krijgen zij weer deel aan de goddelijke natuur. Dit mysterie vindt plaats aan ‘het einde der tijden’.

Daarmee doelt hij niet op de laatste dagen van de geschiedenis, maar het moment waarop het Woord mens is geworden:

‘Het Woord, dat in het begin bij God is, en door wie alles is geschapen, en die te allen tijde het mensengeslacht bijstond, dat Woord heeft zich op het einde der tijden (…) verenigd met zijn maaksel en is een sterfelijk mens geworden (…). En door mens te worden, heeft Hij de lange reeks der mensen in zich opnieuw hersteld en onder één hoofd gebracht, en ons in kort bestek het heil geschonken. Zo herkrijgen wij in Christus Jezus, wat wij in Adam hadden verloren, namelijk naar Gods beeld en gelijkenis te zijn.’ (Tegen de ketters III 18, 1)

‘Breek met bezitten, gebruiken en beheersen’

De mens echter heeft door zijn ongehoorzaamheid de gelijkenis met God verloren, en daarmee de eeuwige dood veroorzaakt. Want zoals ‘wie God zien, in God zijn, en zijn glans delen, en dus het leven deelachtig zijn’, zo betekent de ‘scheiding van God: de dood, en de scheiding van het licht: de duisternis’. Maar ondanks zijn ontrouw ‘ontsnapt Adam niet aan de hand van God’, aldus Irenaeus. God blijft op hem betrokken, opdat de mens zijn zwakheid zou ervaren en open zou worden voor Gods genade. Ten slotte is Gods Zoon mens geworden om de mensen de mogelijkheid te schenken om kinderen van God te worden:

‘Daarom is het Woord van God mens geworden en Gods Zoon Mensenzoon, opdat de mens door het Woord te ontvangen aangenomen zou worden tot kind van God (…). Want hoe konden wij de onvergankelijkheid en onsterfelijkheid deelachtig worden, als niet eerst de onvergankelijke en onsterfelijke werd wat wij zijn.’

Met de onvergankelijke en onsterfelijke wordt Jezus Christus aangeduid.

Dankzij zijn goddelijkheid kan de mensheid vergoddelijkt worden.

De ‘ruil’ bij Augustinus

Maria vervulde een belangrijke functie bij het mysterie van de incarnatie. Zij werd immers geroepen het goddelijke Woord te ontvangen, te dragen en te baren. Daardoor kon de mensheid worden verheven tot het kindschap van God. Deze gedachten vinden we bij Augustinus en ze sluiten aan bij de ‘wonderbaarlijke ruil’. Hij beschrijft Maria als de aardse moeder van haar kind Jezus. Vanaf zijn conceptie had Jezus een relatie tot zijn moeder.

En toch ontsnapt Adam niet aan de hand van God

Als kind was hij afhankelijk van zijn moeder, die hem droeg in haar moederschoot en hem voedde aan haar moederborst. Augustinus beschrijft Maria als moeder en maagd. Hij benadrukt dus niet haar maagdelijkheid, zoals in de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel. Daarin staat dat Christus ‘vlees is geworden door de heilige Geest uit de maagd Maria’. Haar moederschap wordt daarin niet genoemd. Bij Augustinus staat het moederschap van Maria niet in tegenstelling met haar maagdelijkheid. Haar maagdelijkheid bevestigt juist het goddelijk handelen bij de ontvangenis van het Woord, de zwangerschap en geboorte van Jezus Christus. Daarin toont zich haar moederschap.

Geboorte

Augustinus beschrijft zowel de geboorte van Jezus uit Maria als zijn goddelijke geboorte uit de Vader.

Hij was een woordeloos kind, én het Woord

Deze tweevoudige geboorte past in de context van het Concilie van Nicea (325) waarop Jezus Christus werd uitgeroepen tot God en mens. Augustinus drukt de menselijkheid en de goddelijkheid van het kind Jezus uit in paradoxale taal. In een kerstpreek (preek 184) beschrijft Augustinus de tweevoudige geboorte van Jezus Christus:

‘Hier heeft degene die uit de Vader geboren is de gehele tijd geschapen, uit de moeder geboren, deze dag bij de tijd bemind gemaakt. En díe geboorte kon geen moeder hebben, noch heeft deze gevraagd naar een menselijke vader. Uiteindelijk is Christus geboren zowel uit een Vader als uit een moeder; zowel zonder vader als zonder moeder: uit de Vader als God, uit een moeder als mens; zonder moeder als God, zonder vader als mens.’

In dit fragment spreekt Augustinus over Maria die werkelijk de moeder was van Jezus Christus.

Maria, moeder van haar kind, geestelijke moeder van de mensheid. (beeld onbekend)
Maria, moeder van haar kind, geestelijke moeder van de mensheid. (beeld onbekend)

Maria als moeder

In het vervolg van deze preek beschrijft hij de moederlijke handelingen die Maria voor haar kind verrichtte:

‘Hij lag in een kribbe, terwijl hij de wereld omvatte: hij was zowel een nog woordeloos kind als het Woord. Degene die door de hemelen niet bevat kan worden, droeg de schoot van één vrouw. Zij leidde onze heerser; zij droeg degene in wie wij zijn. Aan ons brood gaf zij melk. O kennelijke zwakheid, en wonderbare nederigheid, waarin de gehele godheid verborgen was. De moeder aan wie hij als kind onderworpen was, leidde hij met macht. En met waarheid voedde hij degene aan wier borsten hij dronk. (…) Moge hij zelf ons tot kinderen van God maken, die voor ons mens heeft willen worden.’

In dit fragment wordt de goddelijke en menselijke natuur van Jezus Christus in paradoxale taal beschreven. Als God is hij actief door de wereld te omvatten en ook in zijn vermogen om te spreken. Als mens is hij passief, omdat hij als een zuigeling (infans) niet kan spreken (non fari). Augustinus plaatst deze eigenschappen in een polaire spanning die verwijst naar het mensenkind Jezus en naar de God Christus. In zijn menswording treedt zijn zwakheid op de voorgrond, en verbergt zich zijn goddelijke natuur.

Ze verhouden zich tot elkaar en zijn tegelijkertijd aanwezig. Zijn menselijke natuur gaat niet op in zijn goddelijke natuur. Als mens stelt hij zijn goddelijkheid present.

Augustinus spreekt ook in paradoxale taal over de schoot van Maria. Hoewel een moederschoot normaliter een menselijke vrucht – dat een gevolg is van menselijk handelen – kan dragen, draagt haar schoot het alomvattende Woord, dat een gevolg is van goddelijk handelen. In het dragen is het Woord zowel transcendent – het overstijgt de hemelen –, als immanent: het vindt inwoning in haar schoot. Daar vindt het geheim van de menswording plaats.

Tussen Maria en kind is een dubbele afhankelijkheid

In de handelingen die Maria verricht voor haar kind is er een afhankelijkheid van de kant van het kind Jezus, maar ook van de kant van Maria. Als baby is Jezus afhankelijk van zijn moeder en zij is afhankelijk van Christus. Deze dubbele afhankelijkheid komt naar voren zowel in het leiden als in het voeden. Bij het leiden is de baby Jezus afhankelijk van zijn moeder, tegelijkertijd is zij afhankelijk van Christus die haar leidt. Zijn leiderschap zit in zijn scheppingsvermogen. Als Schepper gaat Christus haar vooraf doordat hij haar in het bestaan geroepen heeft. Vanuit deze scheppingsrelatie is Christus haar leider. Deze dubbele afhankelijkheid is er ook bij het voeden. Terwijl Maria haar baby Jezus borstvoeding geeft, wordt zij door Christus verzadigd met de eeuwige voeding van waarheid.

Daarmee schenkt Christus haar het brood van de engelen, wat een ervaring is van contemplatie. Terwijl zij hem voedt, gaat de hemel voor haar open en ontvangt ze Gods liefde.

In de handeling ‘dragen’ komt het geestelijke moederschap van Maria tevoorschijn. Door het Woord in haar schoot te dragen, droeg zij niet alleen haar kind Jezus, maar ook het Woord in wie de mensheid is: ‘in wie wij zijn’. Augustinus kan hierbij gedacht hebben aan Handelingen 17:28, waarin op dezelfde wijze de relatie tussen God en de mensheid wordt aangeduid: ‘Want in hem leven wij, bewegen wij en zijn wij.’ Tijdens haar zwangerschap draagt Maria het Woord, dat haar is toevertrouwd. Door dit Woord te dragen, draagt zij de mensheid die wezenlijk verbonden is met diens Schepper. Daarmee breidt haar moederschap zich uit naar de hele mensheid en bemiddelt zij Gods betrokkenheid op de mensheid. Op deze wijze draagt zij als geestelijke moeder bij aan het verlossingswerk van de mensheid. Hoe deze verlossing plaatsvindt wordt in het vervolg beschreven.

Oorsprong van de mensheid

Aan het einde van zijn kerstpreek spreekt Augustinus het verlangen uit dat Christus de oorsprong van de mensheid opneemt. De oorsprong wijst op de wezenlijke band tussen Christus en de mens die geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis. De oorsprong wijst ook op de zonde waardoor de relatie tussen God en mens werd vertroebeld. Dankzij het mysterie van de menswording kunnen mensen in hun aardse bestaan herenigd worden met God.

Maria droeg het Woord én de mensheid

‘Moge hij, die er niet voor is teruggeschrokken onze oorsprong op zich te nemen, in ons zijn gaven voltooien.

En moge hij zelf ons tot kinderen van God maken, die voor ons mens heeft willen worden.’

Augustinus eindigt zijn preek met een beweging die de verlossing van de mens beoogt: Gods Zoon werd Mensenzoon om de mensen tot zonen en dochters van God te maken. Deze beweging sluit aan bij de ‘wonderbaarlijke ruil’ uit het vroege christendom. Maria speelt hierin een sleutelrol.

Doordat zij het Woord heeft gedragen, vindt er een transformatie plaats die teweeggebracht wordt door Christus, waardoor de mensheid deel krijgt aan het goddelijke leven.

Nieuwe kansen

De ‘wonderbaarlijke ruil’ uit de vroegchristelijke traditie is in de loop van de geschiedenis van het christendom ondergesneeuwd. Wellicht is nu de tijd gekomen om deze traditie onder het stof der eeuwen vandaan te halen. De herontdekking van de ‘wonderbaarlijke ruil’ biedt nieuwe kansen voor een oecumenische dialoog.

Kitty Bouwman is geestelijk begeleider, docente spiritualiteit en mystiek aan verschillende opleidingen, en hoofdredacteur van Herademing. Ze werkt aan een postdoctoraal onderzoek naar de spiritualiteit van Hildegard van Bingen.

Literatuur

Kitty Bouwman, Mater Sapientia, de mystagogische functie van het moederschap van God en het geestelijke moederschap bij Augustinus, Vught 2015.

Preek 184 staat in: Twintig preken van Aurelius Augustinus, ingeleid, vertaald en toegelicht door Gerard Wijdeveld, Baarn, 1986.


< Terug