< Terug

Beeldvorming bij de mensen en bij God

Bij Lucas 18,9-14 en 2 Timoteüs 4,6-8.16-18

In een hokje plaatsen

‘Je krijgt nooit een tweede kans om een eerste indruk te maken,’ zegt de uitdrukking. Sommige mensen krijgen zelfs niet de kans om die eerste indruk te maken: het beeld over hen staat bij voorbaat vast. Precies van die gewoonte, om mensen nog voor we ze kennen in een hokje te zetten, maakt Jezus handig gebruik in de gelijkenis in Lucas 18,9-14.

Lucas leidt de gelijkenis in, zodat je als hoorder meteen weet waarover het gaat. Het verhaal is bedoeld voor mensen die ‘zichzelf rechtvaardig vinden en anderen minachten’ (Lucas 18,9 – NBV). Dat klopt niet met elkaar, want rechtvaardig zijn zou hoogachten van anderen moeten betekenen. Je bent als lezer meteen geneigd te denken ‘in dat hokje pas ik niet’. Precies dat maakt het verhaal interessant. Want dat betekent dat we onszelf ook al in een hokje gezet hebben. En klopt die beeldvorming van onszelf ten opzichte van hoe God ons ziet?

Karikaturaal tweetal

De gelijkenis zet een karikaturaal tweetal neer: farizeeër en tollenaar. Het beeld is er meteen: een supervrome keurige man, en een geniepige vent die overal een slaatje uit weet te slaan. Ook al weten we als lezer nu van andere verhalen waarin dit beeld niet blijkt te kloppen (bijv. Lucas 19,1-10), toch speelt Lucas precies met die eerste beelden van ‘de goede’ en ‘de foute’. En daarop bouwt het verhaal verder. De ‘goede’ farizeeër staat rechtop (Lucas 18,11). De ‘foute’ tollenaar durft zijn ogen niet naar de hemel te richten (Lucas 18,13). De rechtvaardige staat rechtop, degene die gebukt gaat onder schuld staat gebogen. En precies dat blijkt niet te kloppen. Dat mag geen verrassing meer zijn als je de gelijkenissen die aan dit verhaal voorafgaan hebt gelezen. Lucas 17,11-19 laat zien hoe de meest onwaarschijnlijke persoon doet wat goed is: alleen de Samaritaan komt terug om te danken wanneer hij genezen is van huidvraat. In Lucas 18,2-8 neemt een onrechtvaardige rechter uiteindelijk het besluit om een weduwe – als vrouw zonder man achtergesteld in de maatschappij – die hem maar blijft vragen om recht, ook recht te geven. De beeldvorming die je in het begin van deze gelijkenissen van de mensen hebt, blijkt niet te kloppen. De eerste indruk van de ander moet je dus bijstellen.

De tempel zou een plek van oprecht gebed moeten zijn, maar ook dat blijkt in het verhaal anders te zijn. Het instituut is geen garantie voor zuiverheid en integriteit in godsdienst. De farizeeër blijkt geen rolmodel voor de gelovige, en de tollenaar niet voor de zondaar.

Gebed

De farizeeër bidt pros heauton, voor zichzelf (Lucas 18,11). Hij begint met God te danken. Dat is hoe een gebed in onze liturgische traditie vandaag ook vaak inzet. Maar de farizeeër dankt met zichzelf als maatstaf: hij is blij dat hij niet zo is als de loipoi: al die anderen die niet als hij farizeeër zijn. De tollenaar die achter in de tempel staat, is voor hem gelijk aan rovers, onrechtvaardigen, overspeligen en anderen. Daar is voor hem geen onderscheid tussen. Wel tussen hemzelf en al die anderen.

De farizeeër klopt zichzelf figuurlijk uit trots op de borst: hij heeft het vasten tot een gewoonte gemaakt. Dat is strikter dan de Tora voorschrijft. Daar is het vasten verbonden aan momenten: Grote Verzoendag, en wanneer er sprake is van boete, rouw of als er iets afgesmeekt moet worden. De farizeeër legt in zijn vasten meer besef van zijn beperktheid aan de dag dan in zijn gebed. Daarnaast vertelt hij dat hij een tiende van zijn inkomsten afdraagt. De tegenstelling met de tollenaar is meteen ook de brug in de gelijkenis: in de beeldvorming is de tollenaar juist degene die inkomsten van anderen afneemt in plaats van uitdeelt.

De tollenaar in de gelijkenis van Lucas 18 is, net als oppertollenaar Zacheüs (Lucas 19,1-10), iemand die zich niet meteen toont. Ook hij verschuilt zich, niet tussen de bladeren, maar tussen zijn eigen schouders. Hij klopt zich op de borst – een teken van verdriet – en begint zijn gebed met een boetedoening (18,13) waarin Psalmen 51,3 meeklinkt. Ook andere boetepsalmen als psalmen 130 en psalmen 143 sluiten hierbij aan. Hij doet een beroep op Gods genade. Die genade krijgt hij, want de toevoeging ‘(ge)rechtvaardig(d)’ is in Lucas 18,14 voor de tollenaar, waar die aan het begin van de gelijkenis voor de farizeeër was. God zal hem naar zijn hemels Koninkrijk brengen (vgl. 2 Timoteüs 4,18).

De moraal van het verhaal

Over Lucas 18 vers 14b is de nodige discussie. Hoort het nu bij het verhaal of is het een moraliserende toevoeging? Je zou dit vers ook als een conclusie van deze gelijkenis en de twee voorafgaande kunnen lezen. De beeldvorming bij de mensen over hoe het zou moeten gaan, en de keuzes die God maakt en hoe het werkelijk gaat, zijn tegengesteld. Wil je het Koninkrijk van God binnengaan, dan zul je je daarin moeten kunnen vinden en zelf ook zo moeten kunnen leven. Die les krijgen de discipelen, de eerste hoorders (Lucas 17,1.22; 18,9), met deze gelijkenissen.

Hierna verbreedt het perspectief zich naar de mensen om Jezus heen. Op kinderlijk eenvoudige wijze wordt hetzelfde nog eens uitgelegd: de kinderen die bij Jezus komen, hebben geen last van de beeldvorming en vooroordelen, van het wij-zij-denken waar volwassenen wel last van hebben. Zij staan in een onwaarschijnlijkere en op het eerste gezicht mindere positie. Maar juist zij gaan, net als de Samaritaan, de weduwe en de tollenaar uit de voorafgaande gelijkenissen, ons voor naar Gods Koninkrijk (Lucas 8,15-18).

Gelukkig is bij God de eerste indruk die we maken niet beslissend. Hij stopt ons niet bij voorbaat in een hokje, maar geeft de minste de kans om de meeste te worden.

< Terug