< Terug

Bidden is noodzakelijk

Vijfde zondag van de herfst (Lucas 18:1-8)

Jezus spreekt een gelijkenis ‘tot hen’. De aangesprokenen zijn blijkens 17:22 zijn leerlingen, wij dus. Wij worden aangesproken en opgeroepen om overal te bidden en de moed daarbij niet te verliezen. ‘Opgeroepen’ is eigenlijk te zwak uitgedrukt; het gaat om noodzaak. Het is voor een leerling van Jezus noodzakelijk om overal te bidden en daarbij de moed niet te verliezen. Waarom? En waarom zou je daarbij de moed verliezen?

In het (Lucas)evangelie zien wij Jezus met regelmaat bidden. De eerste keer bij zijn doop, daarna in 5:16, wanneer Hij omstuwd wordt door mensen, vervolgens in 9:28-29, bij de verheerlijking op de berg en vlak daarvoor, toen Hij alleen was met zijn leerlingen. Vervolgens vragen zijn discipelen Hem in 11:1 hun te leren bidden, en dan leert Hij hun het Onze Vader.

Om het Koninkrijk

Bidden is dus belangrijk, zowel voor Jezus als voor ons, en dit bidden is een bidden om de komst van het Rijk: Uw Koninkrijk kome, Uw wil geschiede. Het verband waar onze perikoop in staat, meteen na 17:20-37, dat begint met de vraag wanneer het Koninkrijk van God zou komen, maakt het waarschijnlijk dat het hier om het gebed om de komst van het Koninkrijk gaat. Overal waar wij zijn, moeten wij hierom bidden. Het is ons verlangen en onze hartstocht dat het Rijk komt, dat Gods wil gedaan wordt. Het is ons geloof en ons vertrouwen dat het Rijk komt. Jezus heeft dit geloof in onze harten geplant en het gebed voedt dit geloof. In onze wereld is daar weinig van te zien. Je zou de moed dus verliezen, maar dat moet vooral niet gebeuren, want anders komt er helemaal niks van terecht. We moeten volhouden als gekke Henkie.

‘Uw wil geschiede’

Bidden is luisteren naar God. Niet omgekeerd, dat God moet luisteren naar ons, nee: wanneer wij bidden, leggen wij ons oor te luisteren bij wat God van ons vraagt. Dat zijn wil geschiede. Dat moeten wij dus doen: zijn wil laten geschieden. Wie bidt tot God wordt medeplichtig aan zijn wil. Dáárom moeten wij overal bidden, want zijn wil moet overal gedaan worden. Zijn liefde, zijn recht, zijn barmhartigheid moeten overal gestalte krijgen.

Met volharding roepen om recht

In de parabel zien wij een rechter. Nou ja, rechter… Hij stoort zich aan God noch gebod en heeft lak aan de mensen. Hij is beeld van een wereld waarin de patsers het voor het zeggen hebben. En daar is een weduwe, beeld van de mensen die altijd aan het kortste eindje trekken en rechteloos zijn, gemáákt zijn. Maar die weduwe is meer dan dat. Zij is ook beeld van het Israël dat geroepen is om in een wereld van macht en geweld op te komen voor het recht van God. En zij is beeld van de kerk, die midden in een genadeloze wereld gaat staan voor de slachtoffers daarvan. Zij doet dat door te bidden, overal en zonder de moed te verliezen. Van november 2018 tot midden januari 2019 werd in Den Haag, in de Bethelkerk, doorlopend gebeden voor een met uitzetting bedreigd gezin. Dit bidden is geloofsgehoorzaamheid, zoals elk werkelijk bidden dat is. Bidden is luisteren naar God. Het is gehoor geven aan de bede ‘Uw wil geschiede’. Dit bidden is een kracht die in zwakheid volbracht wordt. Niet met geweld, maar met volharding en zonder de moed te verliezen. Het is een roepen om recht, in godsnaam en namens God, zoals die weduwe dat doet. Steeds maar weer. Totdat de verantwoordelijke politici gaan denken: dit kost ons een blauw oog, dit gaat ons stemmen kosten. De rechter in de gelijkenis is in recht-doen totaal niet geïnteresseerd. Dat zijn die politici ook niet, getuige de cynische koehandel met vluchtelingen in het akkoord dat bereikt werd. Onze gelijkenis weet daarvan. Daarom staat er dat het noodzakelijk is overal te bidden en de moed niet te verliezen. Het gezin in de kerk mocht blijven, het gebed gaat door in elke kerk en in elk huis, want die rechter verandert niet. Die is nog even cynisch als hij al was. Maar rust krijgt hij niet. Hij wordt opgejaagd door het gebed.

Revolutionaire kracht-in-zwakheid

Het bidden dat in deze gelijkenis bedoeld wordt, is een revolutionaire kracht. In dit gebed wordt de gehoorzaamheid aan vigerende machten van onrecht en geweld opgezegd. Het móet anders, het zál anders. Wij zullen Gode meer gehoorzaam zijn dan mensen. Overal en altijd, dag en nacht, zonder ophouden en zonder de moed te verliezen bidden de volgelingen van Jezus dit gebed: Úw Koninkrijk kome, Úw wil geschiede. Overal waar dit gebeden wordt, wordt een ándere gehoorzaamheid geoefend, een ándere solidariteit uitgesproken. Een solidariteit met de weduwen en wezen, de verschopten en vernederden, overal. Dit bidden is het kloppende hart van het discipelschap, van het kerk-zijn. Zou God zijn uitverkorenen geen recht verschaffen, die dag en nacht tot Hem roepen? Dit stukje van de gelijkenis is het moeilijkste. Wij zien daar niet zoveel van. De gemeente voor wie Lucas schrijft, zag er evenmin iets van. Zij hoorden van het Koninkrijk van God, maar hun feitelijke leven was een aaneenschakeling van onrecht en geweld, onderdrukking en belediging. Van vrede en recht, barmhartigheid en liefde was niks te zien. Ze konden het eens zijn met hun joodse vrienden, die zeiden: Eén blik uit het raam is voldoende om te weten dat de Messias nog niet gekomen is. Lucas probeert hun moed te geven door te schrijven dat Hij recht zal doen met spoed. Maar zal de Mensenzoon, wanneer Hij komt, het geloofsvertrouwen vinden op aarde? Zullen wij het bidden, vol vertrouwen, volhouden, overal en zonder de moed te verliezen? Zullen wij het volhouden gemeente van Christus te zijn?

Deze exegese is opgesteld door Jaap Goorhuis.

< Terug