Eten zoals het zou moeten zijn

Eschatologische en prefiguratieve maaltijden in het vroege christendom

In het begin was de maaltijd is de titel van een uitdagend boek van de Amerikaanse theoloog Hal Taussig. De centrale these ervan is dat niet de boodschap, maar de maaltijd aan de wieg stond van het vroege christendom (als vroegjoodse sekte). Meer dan een ‘plaatje bij een praatje’ is de vroegchristelijke maaltijd als praktijk zowel een centraal gegeven in het leven van Jezus als in de vroegste gemeentes. Eigenlijk zou Haussig het willen omkeren: vroegchristelijk theologie is een ‘praatje bij een plaatje’ en dat ‘plaatje’ is precies de maaltijd. In het bijzonder komt dit tot uitdrukking bij maaltijden die een eschatologische, of breder gezegd ‘utopische’ oriëntatie kenden. Zij staan in deze bijdrage centraal.

Deze manier van denken past goed in de antieke context van het vroege christendom, waarin woorden altijd gewaarborgd moesten worden door een passende praktijk, of, wellicht beter gezegd: eerder het verlengstuk ervan waren. Tegelijkertijd zijn de vroegchristelijke maaltijden ook een plaatje ‘van’ iets, namelijk van de komende, hemel en aarde omvattende ‘nieuwe orde’ van het koninkrijk, dat in de manier van maaltijd vieren tegelijkertijd al ervaarbaar aanwezig is. Dit is goed te zien aan de manier waarop over vroegchristelijke maaltijden gedacht en geschreven werd, of die nu eucharistie of agape (of nog iets anders) genoemd werden, zeker ook in hun vorm als fysiek voedzame maaltijden (zie hierover ook de bijdrage van Gerard Rouwhorst in deze aflevering; ik leer in dit opzicht veel van Roel Aalbersberg die op dit onderwerp promoveert).

De maaltijd als schaalmodel

De vanzelfsprekende manier waarop de maaltijd in dit artikel – en vermoedelijk elders in dit nummer – als uitgangspunt voor gemeenschap voorkomt, heeft een korte toelichting nodig. Het eerste punt hiervan is antropologisch: maaltijd en menselijke gemeenschap vallen in veel, heel veel culturen samen, waarbij de samenkomst om te eten de gemeenschap tegelijkertijd constitueert en reguleert, zoals bijvoorbeeld de antropoloog Douglas heeft benadrukt. Het tweede punt is meer specifiek cultureel: zowel in vroegjoodse als in meer algemeen Grieks-Romeinse kringen gold dat de manier waarop je maaltijd vierde een schaalmodel was voor de manier waarop je de maatschappij voor je zag. Dit blijkt uit satirische literatuur, zoals Petronius’ Satyricon, maar ook uit vergelijkende literatuur zoals Philo’s De vita contemplativa, waarin hij de uitmuntendheid van ‘zijn’ Therapeutides en Therapeutae en hun ideale gemeenschap illustreert door te berichten over de maaltijden die ze houden en deze te vergelijken met Plato’s symposium om zo te laten zien hoe superieur zowel de filosofie als praktijk van eerstgenoemde groep is. Ook in auteurs als Plutarchus (Questiones conviviales) en Athenaeus (Deipnosophistae) komt de vormgeving van de maaltijd steeds ter sprake in relatie tot de vormgeving van de maatschappij als geheel – en vice versa. Het is met name deze laatste culturele achtergrond (die zelf natuurlijk ingebed is in antropologische gegevens) die het zo voor de hand liggend maakt vroegchristelijke maaltijden te zien als bijeenkomsten die Gods heerschappij, ook verstaan als sociale ordening, prefigureren. Recent onderzoek heeft ook laten zien hoe vruchtbaar het is om dit verband te zien.

Eschatologisch – utopisch – prefiguratief

In het vroege christendom was, op een bepaalde manier, iedere maaltijd eschatologisch, ook wanneer maaltijden in het hier en nu plaats vonden. Dat wil zeggen: iedere maaltijd keek uit naar de volledige komst van Gods heerschappij en gaf tegelijk ook al vorm aan die heerschappij in het ondermaanse. Om die reden is ook een term als ‘prefiguratief’ of ‘utopisch’ van toepassing: vroegchristelijke gemeenschappen gaven al gestalte aan (‘prefigureerden’) de werkelijkheid van Gods nog uitstaande heerschappij, iets wat zonder meer begonnen zal zijn in de maaltijden die Jezus hield of waar hij te gast was (en die hij, al naar gelang, een bepaalde kant op stuurde). Op die manier hadden maaltijden ook een utopisch karakter. Het waren plekken die zich helemaal in het hier en nu bevonden en tegelijkertijd een werkelijkheid belichaamden die nog uitstond; op die manier keken ze ook uit naar die werkelijkheid. Tegelijkertijd werd het beeld van de maaltijd en van de uitnodiging ertoe, ook gebruikt om het aanbreken van Gods heerschappij ‘bij het einde der tijden’ te schilderen, ook daarvoor kan het begrip ‘eschatologische maaltijd’ gebruikt worden. Wanneer je dan vroegchristelijk geloof in termen van de maaltijd wilt schilderen, ontstaat het beeld dat de maaltijden van Jezus, zelf utopisch in karakter en culminerend in het ‘laatste avondmaal’, hun voortzetting vinden, in de maaltijden met de Verrezene en de maaltijden die de Verrezene gedenken. Naar het dankzeggende karakter van de gebeden die er gebruikt werden – en die de maaltijden inhoudelijk oriënteerden –, zouden deze eucharistievieringen genoemd worden. Het verband tussen de maaltijd en de verrijzenis van de gekruisigde heeft daarbij ook weer met eschatologie en prefiguratie te maken: net zoals Jezus’ dood en verrijzenis vooruitgrijpend (en zo ‘prefiguratief’) de uiteindelijke overwinning op de dood al in het heden present stellen (wat de commemoratie ervan dan ook doet), zo geeft de sociale vorm van de maaltijd al uitdrukking aan de sociale en maatschappelijke contouren van Gods heerschappij, eveneens proleptisch en prefiguratief dus. In wat volgt ga ik eerst kort in op ‘eschatologische maaltijden’ als maaltijden die samenvallen met (het begin van) Gods heerschappij aan het ‘einde der tijden’ (dus voorbij aan de ‘reeds en nog niet’-spanning waarin utopische, prefiguratieve maaltijden zich bevinden) en vervolgens op prefiguratieve maaltijden.

De uitnodiging tot de hemelse maaltijd valt samen met verlossing.

Eschatologische maaltijden

De term ‘eschatologische maaltijden’ kan, zoals gezegd, wijzen op maaltijden die op het moment van of in de periode ‘na’ (in de eeuwigheid verdwijnt de tijd) het einde der tijden gevierd worden. Zulke teksten zijn er ook, zoals in Openbaring 19,9: ‘Gelukkig zijn zij die uitgenodigd zijn voor het bruiloftsmaal van het lam’. Hier valt de uitnodiging tot de hemelse maaltijd samen met verlossing; dat het Griekse woord kaleo zowel ‘roepen’ als ‘uitnodigen’ kan betekenen, helpt daarbij het beeld van de maaltijd te verbinden met het grotere geheel van de verlossing van mensen. Dit is ook het geval in Matteüs 22,14, ‘Immers, velen zijn geroepen, maar weinigen zijn uitgekozen’, dat volgt op de gelijkenis van het grote gastmaal (bij Matteüs, anders dan in Lucas 14, een koninklijk bruiloftsfeest). De maaltijd is in dit soort teksten een beeld voor zowel de gemeenschap tussen god en mens op zich en van de toegang ertoe (gegeten wordt er in deze teksten niet veel, de nadruk ligt op het al dan niet ingesloten worden in de gemeenschap met god). Maaltijden golden (en gelden) als de vorm waarin (menselijke) gemeenschap op zich op een bijzonder intensieve manier tot uitdrukking komt, daarom kon ‘convivialiteit’ ook de manier worden om over de eschatologische gemeenschap met God te spreken. Met enige regelmaat werden de connotaties van gemeenschap én van de vreugde die daarbij hoort, beide op de achtergrond van profetische tradities uit de Schriften van Israël, en zoals te zien in de twee net genoemde teksten uit de Openbaring van Johannes en het Evangelie volgens Matteüs, nog versterkt door de maaltijd als bruiloftsmaaltijd te presenteren.

Echter, ook andere beelden konden de het verband tussen vreugde en maalgemeenschap in de eindtijd, in de zin van: de tijd van de verlossing, tot uitdrukking brengen. In het Evangelie volgens Marcus zijn Jezus’ laatste woorden aan tafel hier een voorbeeld van:

Ik verzeker jullie, Ik zal niet meer drinken van de vrucht van de wijnstok tot de dag waarop Ik de nieuwe oogst zal drinken in het koninkrijk van God. (Marcus 14,25)

Hier is de ‘nieuwe wijn’ (wijn van de ‘nieuwe oogst’) de drager van de connotatie ‘vreugde’ in relatie tot maalgemeenschap, terwijl de zin zelf en de context ervan (het ‘laatste avondmaal’) aanleiding geeft te denken dat precies een nieuwe, vrolijke maaltijd de vorm zal zijn waarin Jezus verwacht de verlossing (het komen van Gods rijk) te beleven.

Hoewel ik deze categorie van maaltijden ‘in’ de eindtijd ondergebracht heb, spelen ze ook een rol in het ‘heden’, al is het maar omdat de teksten waarin ze voorkomen in en voor het ondermaanse geschreven zijn. Dit heeft in eerste instantie te maken met de al genoemde uitnodiging: die vindt in het heden plaats, ook wanneer de maaltijd – wanneer je de gebeurtenissen uit teksten uit de Openbaring van Johannes en de Evangelies op een tijdslijn uitzet – pas in de toekomst plaatsvindt. Aan de uitnodiging moet, met name in de synoptische traditie, nu al gehoor gegeven worden, want hoewel het koninkrijk nog niet helemaal gekomen is, het is wel degelijk op een beslissende wijze aangebroken en is, met Jezus’ verkondiging (in Marcus 1,15 en parallellen), nabijgekomen en het is nu nodig de uitnodiging aan te nemen en… met Jezus (in de verhalen van de Evangelies) dan wel in de gemeente (vgl. de brieven en de Handelingen van de Apostelen) maaltijd te houden (ook met Jezus, via commemoratie of anderszins, vgl. Openbaring 3,20). De sociale, rituele en spirituele vorm van het gehoor geven aan de uitnodiging tot de hemelse maaltijd is namelijk die van de aardse gemeenschap om Jezus heen en die heeft als kern de viering van de gemeenschappelijke maaltijd en het daaruit voortvloeiende leven in solidariteit met elkaar en anderen. Je zou het wat paradoxaal kunnen zeggen: de eucharistische maaltijden zijn ‘centrifugale centra’ van gemeenschap. Er is dus een nauw verband tussen de ‘eschatologische maaltijden’ zoals hier beschreven en de prefiguratieve of utopische maaltijden waarnaar onze aandacht hieronder uit zal gaan.

Prefiguratieve maaltijden

‘Prefiguratieve’ maaltijden zijn in vroegchristelijke, met name nieuwtestamentische teksten op twee manieren te vinden. De eerste manier is in teksten die terugblikken op het leven van Jezus of de vroegste gemeenschappen ‘van de weg’, in de Evangelies en de Handelingen van de Apostelen. Deze teksten zijn gelaagd: enerzijds geven ze weer wat geweest is, tegelijkertijd doen ze dat op een manier die het verleden op veel manieren ziet als een ‘gouden tijd’ die het heden en de toekomst bepaalt van de gemeente die de teksten leest. Het zijn zo teksten die het verleden in veel opzichten utopisch weergeven, terwijl ze de gemeente uitnodigen, al prefigurerend, naar de vervulling van dat verleden in de toekomst toe te leven.

De tweede manier heeft te maken met teksten die niet zozeer terugblikkend sturing geven aan gemeenschappen, maar dit op directe wijze doen: nieuwtestamentische briefliteratuur en andere regelgevende teksten, zoals de Leer van de Twaalf Apostelen (de Didache). Ik beperk me hier tot een voorbeeld uit de tweede categorie en richt me daartoe op een tekst uit de Brief van Jakobus die wat minder vaak dan teksten uit de Evangelies of de brieven van Paulus uit dit perspectief behandeld wordt.

In het tweede hoofdstuk van de Brief van Jakobus komt een tekst voor die zich goed laat interpreteren als een maaltijdscene (verzen 1-9). Het probleem dat de briefschrijver aanspreekt, is dat een mooi uitgedoste, rijke man die een bijeenkomst van de gemeente binnenkomt een stuk beter en met meer égards behandeld wordt dan een arme die dezelfde bijeenkomst bezoekt. Voor velen in de antieke wereld zou dat geen enkel probleem zijn (maar zeker niet voor allen), net zomin als veel mensen er vandaag van opkijken als in een kerkdienst alleen een burgemeester en een commissaris van de koning met naam en toenaam begroet worden en als vanzelfsprekend een plek op de voorste rij krijgen. Tegelijkertijd is het, zoals Jakobus hier laat zien (en Jezus en Paulus elders), helemaal niet zo vanzelfsprekend dat de maatschappelijke ordening in de gemeente gekopieerd wordt. De reden hiervoor is precies dat de samenkomst van de gemeente voor haar (eucharistische) maaltijd de werkelijkheid van God(s heerschappij) prefigureert en daarom ook overeenkomstig geordend moet zijn. De correctie die de auteur van de Brief van Jakobus aanbrengt op de manier van samenkomen van de gemeente is dan ook direct theologisch:

Luister, geliefde broeders en zusters: heeft God degenen die in de ogen van de wereld arm zijn, niet uitgekozen om rijk te zijn in het geloof en om erfgenamen te zijn van het koninkrijk dat Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben? (Jakobus 2,5)

Het beroep op het koninkrijk corrigeert hier de ‘ordo’ van samenkomst van de gemeente tot wie ‘Jakobus’ zich richt. De maaltijd vindt volledig aan ‘deze zijde’ plaats, maar wordt geregeerd door wat er aan ‘gene zijde’ geldt. Op deze manier medieert de maaltijd ook de werkelijkheid van het koninkrijk, is zo zelfs een ‘sacrament van het dat koninkrijk’, zoals de orthodoxe theoloog Alexander Schmemann benadrukte. Tegelijkertijd benadrukt Jakobus in deze perikoop ook dat het vieren en daarmee gemeenschap zijn op deze manier ook de toegang tot de uiteindelijke heerschappij van God inhoudt:

Spreek en handel als mensen die door de wet die vrijmaakt, geoordeeld zullen worden. Want onbarmhartig zal het oordeel zijn voor hem die geen barmhartigheid heeft bewezen, maar de barmhartigheid triomfeert over het oordeel. (Jakobus 2,12-13)

Slot

Eschatologische maaltijden en prefiguratieve maaltijden in het vroege christendom hebben zo beide een nauwe band met het utopische scenario van het koninkrijk, dat door de laatstgenoemde soort maaltijden ook proleptisch vormgegeven en zo gemedieerd wordt; het aannemen van de uitnodiging tot het ‘hemelse bruiloftsmaal’ heeft zelfs de (rituele, sociale en spirituele) vorm van het deelnemen aan de zo vierende en samenlevende gemeenschap. Daarmee heeft niet alleen de maaltijd, maar de gehele gemeenschap die door de maaltijd vorm krijgt een sacramenteel karakter: door de concrete sociale, materiële praktijken wordt de nog uitstaande, maar wel nabije en aangebroken, heerschappij van God ervaarbaar. De (maal)praktijken van de gemeente zijn dan wel, en dat is in vroegchristelijke teksten een steeds terugkerend refrein, genormeerd door de (nog uitstaande) werkelijkheid van het koninkrijk. Met Taussig geldt inderdaad: in den beginne was de maaltijd, en zoals bovenstaande laat zien: aan het einde staat ook de maaltijd en er tussenin geldt: maaltijd houden is de weg naar dit doel.

Peter-Ben Smit is hoogleraar contextuele bijbelinterpretatie aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Daarnaast is hij bijzonder hoogleraar oud katholieke kerkstructuren aan de universiteit van Utrecht.

Literatuur

  • Hal Taussig In the Beginning was the Meal: Social Experimentation and Early Christian Identity. (Minneapolis: Fortress, 2009).
  • Peter-Ben Smit, Food and Fellowship in the Kingdom: Studies in the Eschatological Meal and Scenes of Nutritional Abundance in the New Testament WUNT II.234 (Mohr Siebeck: Tübingen, 2008).
  • Peter-Ben Smit en Soham Al-Suadi (red.), T&T Clark Handbook to Early Christian Meals in the Greco-Roman World (London: Bloomsbury, 2019).
  • Mary Douglas, ‘Deciphering a meal,’ Daedalus (1972), 61-81.
  • Mattijs Ploeger, ‘Goldener Käfig mit offener Tür: Seelsorgerliche, diakonische Und missionarische Herausforderungen für die altkatholische Ekklesiologie,‘Internationale Kirchliche Zeitschrift 107 (2017), 74-89.
  • Peter-Ben Smit, ‘Paul and Memory,’ in: Paul Sampley (ed.), Paul in the Greco-Roman World. A Handbook. Vol. 2 (London: Bloomsbury, 2016), 147-170.
  • Peter-Ben Smit, ‘A Symposiastic Background to James?,’ New Testament Studies 58 (2011), 105-122.
  • Alexander Schmemann, The Eucharist: Sacrament of the Kingdom (Crestwoord: St. Vladimir’s Seminary, 1988).

Tags:

Meer Bijbel en exegese