Anders leren lezen

Bijbel, biografische context en de rolopvatting als predikant

De uitdaging van een beginnend gevangenispredikant van Molukse afkomst

Toen ik in 1988 mijn werkzaamheden als gevangenispredikant van Molukse afkomst in het Jeugdhuis van bewaring ‘de Vest’ te Haarlem oppakte, kwam ik terecht in een door secularisatie doordrenkte omgeving. Het merendeel van de jonge gevangenen was niet gewend om actief of in stilte mee te doen in de erediensten. Ze waren onbekend met de liturgie en de liederen uit de kerkelijke zangbundels. De Bijbelse verhalen die ze gehoord hadden waren ze grotendeels kwijt geraakt. In het Protestantse team van geestelijke verzorgers van de twee Haarlemse huizen van bewaring zochten wij naar een manier om tijdens de kerkdiensten de gevangenen te bereiken.

Het leek een simpele uitdaging, maar was tegelijkertijd gecompliceerd. In hoeverre kon in detentie de verkondiging plaatsvinden, waarbij het uitgangspunt was om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de levenscontext van de kerkgangers? Zo experimenteerden wij met de Kerk-Gespreks-Dienst (KGD). Het verhaal vanuit de Bijbel werd een opstap om met de deelnemende gevangenen in gesprek te gaan over hun levenswerkelijkheid. Wat is de evocatieve werking van de tekst? Hoe kunnen wij als mensen op het spoor komen wat ons als kerkganger te doen staat in de komende week? En kan het Bijbelverhaal daarbij van cruciale betekenis zijn? In feite deden wij wat in de traditie van de kerk altijd de inzet is geweest van de prediking, maar het verschil lag in onze benaderingswijze. Principieel stonden de context en de leefwereld van de gevangene centraal.

Als geestelijke verzorgers waren wij tijdens de opleiding en in het werk diep onder de indruk van de Latijns-Amerikaanse bevrijdingstheoloog Ernesto Cardenal, auteur van ‘El Evangelio en Solentiname’, wat we in de Engelse vertaling ‘The Gospel in Solentiname’ lazen. Daarnaast lieten we ons inspireren door het boek van de pedagoog Paulo Freire ‘Pedagogy of the oppressed’ en het gedachtengoed van de Frans-Amerikaanse menswetenschapper René Girard, zoals hij het beschreef in ‘The Scapegoat’ (1982). Voor de verstaanbaarheid werkten we indertijd met NBG proefvertalingen van het Lucasevangelie.

Hoe kunnen wij als mensen op het spoor komen wat ons als kerkganger te doen staat in de komende week? En kan het Bijbelverhaal daarbij van cruciale betekenis zijn?

Binnen deze omstandigheden begon onze zoektocht naar een andere vormgeving van de kerkdienst. Het moest een liturgisch gebeuren worden in de letterlijke betekenis van het woord, namelijk dienst aan het volk. Iedereen die mee wilde doen kon rekenen op een kennismaking, waarbij het kader van de kerkdienst werd toegelicht. Om het gesprek mogelijk te maken werden per kerkdienst vijftien gedetineerden uitgenodigd.[1]

Toen wij door de hoofdpredikant bij de inrichtingen van justitie hierover gekapitteld werden, hebben wij advies ingeroepen van Jaap Firet, toentertijd hoogleraar Praktische Theologie aan de Vrije Universiteit. Hij heeft in de praktijk van het protestantse gevangenispastoraat meegedraaid en een aantal Haarlemse kerkdiensten bijgewoond. In een drietal pagina’s tellende rapportage genaamd ‘Kanttekeningen bij de Kerk/Gespreks/Dienst (het experiment Haarlem)’ heeft hij de Haarlemse aanpak geëvalueerd.[2] Zijn opmerkingen hebben er mede toe bijgedragen dat wij als justitiepredikanten tegen de stroom in onze weg konden vervolgen aan de verdere ontwikkeling van de KGD.

Opgroeien in de marge

Het experiment-Haarlem heeft invloed gehad op mijn ontwikkeling als predikant binnen de Geredja Indjili Maluku (de Molukse Evangelische Kerk). Ik merkte hoe ik opgegroeid was in een exclusieve kerk, geboren in kamp Lunetten te Vught en opgegroeid in de Molukse wijk te Moordrecht. Dat had alles te maken met de gevolgen van het dekolonisatieproces van Indonesië. In het voorjaar van 1951 kwamen Molukse marinemensen en soldaten op dienstbevel naar Nederland, bij aankomst werden zij ontslagen uit de Koninklijke Landmacht. Hun ontvangst was kil. Het groeide uit tot een politieke tragedie, omdat zij veronderstelden dat het verblijf in Nederland van tijdelijke aard zou zijn. Zij hielden vast aan hun ideaal om terug te keren naar een onafhankelijke republiek van de Zuid-Molukken (RMS).

De predikanten maakten elke zondag lange dagen, waarbij zij in meerdere diensten voorgingen

Het verblijf in de Molukse kampen in de jaren vijftig van de vorige eeuw, bood hen de gelegenheid om zich maatschappelijk en kerkelijk te organiseren. In Nederland bouwden de meegereisde zes legerpredikanten aan het Molukse gemeenteleven. Als een noodclassis wilden zij deel blijven uitmaken van de Molukse Protestantse Kerk (GPM), maar dit was vanwege de kerkorde van de GPM[3] niet mogelijk. Daarnaast was er een verschil van inzicht ontstaan over de politieke opvattingen rondom de Indonesische republiek en de RMS. Op 17 augustus 1951 erkende de GPM via een kanselboodschap de Indonesische republiek (RI) als een door God ingestelde overheid.[4] De Molukse christenen in Nederland besloten toen in een synodevergadering om de band met de GPM te verbreken en zelf vorm te geven aan het kerkelijk leven.

Op 25 november 1952 werd de Geredja Indjili Maluku di Belanda (GIM; Molukse Evangelische Kerk in Nederland) in Woerden opgericht. De kerkleiding maakte gebruik van de structuur die men kende uit Nederlands-Indië. De predikanten maakten elke zondag lange dagen, waarbij zij in meerdere diensten voorgingen. Het zorgde voor een goed begin van de week, waarmee het wachten op een terugkeer naar de Molukken begon. De eerste vijf jaren van het verblijf werden zij van de arbeidsmarkt geweerd en verzorgde de overheid de voedselverstrekking via centrale keukens. In 1956 kwam met de Zelfzorg een beleidsverandering, waardoor de ex-militairen zelf voor hun broodwinning moesten zorgen.[5]

Pas toen ik studeerde en daarna in het predikantswerk terechtkwam, werd ik me bewust van deze diverse contexten

Als opgroeiend kind werd ik ingewijd in het geloofsleven van de GIM. Ik volgde de zondagsschool, waarbij de voertaal Maleis was, totdat we les kregen van jongere leid(st)ers die ook de Nederlandse taal machtig waren. Ik leefde in een woonomgeving waar Nederlanders amper zichtbaar waren. Als kind keek ik elke dag uit naar welke Nederlander ik zou ontmoeten. Was het de melkboer, de bakker, de slager, de groenteboer, de kolenboer of de man die namens rijksdomeinen de huishuur kwam innen? We konden als kinderen ongestoord in eigen kring spelen. Toen we naar de lagere school gingen moesten wij de wijk uitlopen om via een houten bruggetje bij de christelijke Ambonschool te komen. Pas in de vierde klas van de basisschool kwam ik in een klas met grotendeels Nederlandse leerlingen, in Gouda.

Ik maakte toen dagelijks kennis met de wereld van de meerderheid en de minderheid. Als schoolkind zag je het verschil qua levenswijze met de Nederlandse medeleerlingen, maar je tilde daar niet zo zwaar aan. Ik genoot van mijn leventje als zoontje uit een traditioneel gezin in de Molukse wijk te Moordrecht. Pas toen ik studeerde en daarna in het predikantswerk terechtkwam, werd ik me bewust van deze diverse contexten. Als leerling werd ik geconfronteerd met een taalachterstand als de leerkracht mij aansprak op het juiste gebruik van lidwoorden. Uit onmacht vluchtte ik in wat gegiechel en zocht naar oogcontact met andere Molukse leerlingen. Het Nederlands was immers niet mijn moederstaal. In de pauze kon je dan met elkaar communiceren in een taal die je thuis sprak en die door de meerderheid van de klas niet werd verstaan. Op het schoolplein zochten wij elkaar tijdens de schoolpauzes en het overblijven op. Wij genoten van allerlei sport- en spelactiviteiten.

Ik bewaar goede herinneringen aan de lagere schoolperiode en koester de context waarin ik opgroeide.

Middelbare school, studie en predikantschap

Gedurende de middelbare schooltijd maakte ik deel uit van de Nederlandse leefwereld, maar de Molukse wijk van Moordrecht bleef mijn referentiepunt. Op de HAVO en het VWO genoot ik ervan om deel uit te maken van die twee werelden. Maar soms irriteerde mij de omgang met Nederlandse klasgenoten. Ik verbaasde me steevast over hun desinteresse als Molukkers weer op een negatieve manier het nieuws hadden gekaapt. Verbolgen was ik toen er kritiek kwam op mijn spreekbeurt over de komst van Molukkers in Nederland. In juni 1977 kreeg ik mijn VWO-diploma uitgereikt na de gewelddadige beëindiging van de treinkaping bij de Punt en de bezetting van het schoolgebouw te Boven-Smilde. Het was voor mij een emotioneel moment, omdat iedereen op de hoogte was van mijn afkomst. Te midden van de gespannen omstandigheden ontving ik als trotse Molukker mijn getuigschrift.

Ik raakte geïntrigeerd door hun verblijf in vreemde omgevingen en de wijze waarop zij zich bekwaamden in de kunst van het overleven

Tijdens de studie theologie bleef ik doorgaan met het lezen van de verhalen uit het Oude Testament. Op de zondagsschool was ik vertrouwd geraakt met Abraham, Jakob en Jozef. Ik was gefascineerd door het feit dat ze op weg gingen. Het was een reis van de aarde naar de hemel. Abraham gaf gehoor aan een roeping, Jakob schrok er niet voor terug om door list en bedrog succesvol te zijn en Jozef zag zijn dromen uiteenspatten omdat hij als slaaf verkocht werd door zijn broers, maar in Egypte terechtgekomen heeft hij zich desondanks nooit als slachtoffer opgesteld. Ik raakte geïntrigeerd door hun verblijf in vreemde omgevingen en de wijze waarop zij – met hulp van de Bron van het leven – zich bekwaamden in de kunst van het overleven.

De theologiestudie ervoer ik in de eerste jaren als een aanslag op mijn persoonlijk geloof. Ik wist me geen raad met een vak als filosofie en een methode zoals het historisch-kritisch Bijbelonderzoek. Maar ik bleek niet de enige die daarmee worstelde. Als Molukse theologiestudenten zochten wij elkaar op om deze breukervaringen te delen. Tijdens een van die bijeenkomsten besprak een gewezen missionaris een Bijbelstudie over Genesis 12 van de Zuid-Koreaanse Amerikaanse theoloog Sang H. Lee. Ik was blij verrast door zijn benadering. Hij pleitte ervoor dat de Zuid-Koreanen in de Verenigde Staten geen genoegen zouden moeten nemen met een plek in de marge van de Amerikaanse samenleving. Zij verdienen meer dan dat. Ook moesten zij zich – net als Abraham – bewust worden van hun roeping en ervan doordrongen zijn, dat God hen ook in dit avontuur nabij zal blijven.

Ik werd me ervan bewust hoe belangrijk de Nederlandse context is voor de ontwikkeling van de theologie en het kerkelijk leven binnen de GIM

Hij maakte hiervoor gebruik van de term ‘liminality’: overstijg je grenzen en word een zegen in en vóór de VS.[6] Zijn benadering was voor mij een eyeopener. Het hielp mij dóór te groeien in mijn geloof. Ik raakte geleidelijk aan verlost van mijn verbittering vanwege mijn historische feitenkennis van het Nederlands imperialisme. Geleidelijk aan werd ik als verloste begeleid op de weg van de bevrijding. Momenteel inspireert het boek van Samuel Lee ‘De Bijbel in de Bijlmer’ mij in mijn geloofsontwikkeling. ‘Wanneer de Bijbel herontdekt wordt in het licht van liefde, menselijkheid en goedheid, denk ik dat hij ook beter ontvangen wordt binnen de Nederlandse samenleving.’[7]

Gedurende mijn studie heb ik als gemeentelid volop meegedraaid in het kerkelijk leven bij de GIM in Moordrecht. Ik werd me ervan bewust hoe belangrijk de Nederlandse context is voor de ontwikkeling van de theologie en het kerkelijk leven binnen de GIM. Samen met Molukse studenten, die theologie studeerden, verdiepte ik mij in de traditie van de koloniale kerk in Nederlands-Indië.[8] Pas na mijn studie kwam ik als voorganger in aanraking met Nederlandse zusters en broeders vanuit de Nederlandse kerken. Niet alleen als predikant vanuit de Molukse Evangelische kerk in Nederland, maar ook als parttime protestants geestelijk verzorger in het Jeugdhuis van bewaring te Haarlem.

Scoren in de marge

Gevangenen willen niets anders dan scoren. Ze hebben het intense verlangen om als mens geaccepteerd te worden, ondanks de opgelopen zwarte bladzijden in hun levensboek. Net zoals ieder mens willen ze gerespecteerd worden. In het Huis van bewaring bestaat het leven vooral uit wachten. Soms zit je in de beperkingen en mag je in afwachting op het onderzoek geen contact hebben met familie en vrienden. Wachten in stilte. Wachten op je rechtszaak. Wachten wie en wat er gaat komen tijdens het bezoek. Wachten op het moment dat je naar buiten kan om te luchten. Wachten om te sporten. Wachten op recreatie. Wachten op je kans om naar huis te bellen. Wachten op de boodschappen.

Wachten, wachten, wachten…

Heb je te midden van al het wachten de mogelijkheid om na te denken hoe je de deur straks voorgoed achter je dicht doet? In hoeverre lukt het je als mens je te onttrekken aan het dwangmatige systeem in de gevangenis waarin je vooral object bent? Het wachten in stilte kan ertoe leiden dat mensen doordraaien en voor hun eigen veiligheid in de isolatiecel terecht komen. Als geestelijk verzorger beschouwde ik het als mijn opdracht om in de omgang met de gevangen mens de ontmoeting centraal te stellen. Het gesprek was daarbij een middel. Hoe kan het wachten in gevangenschap op een actieve en positieve manier gebeuren?

Als kind en tiener had ik in de Molukse wijk tevergeefs gewacht op het einde van het tijdelijke verblijf in Nederland. Het was een pijnlijke en bittere ervaring, die mij allengs leerde de context van de totaal afhankelijke mens in beeld te krijgen. Ik werd als geestelijk verzorger in de gevangenis uitgedaagd om juist op basis van mijn kleur en mijn geschiedenis anderen in een repressief systeem tegemoet te komen. De uitdaging was altijd: lukt het mij om de ander het gevoel te geven dat hij niet alleen is? Ik heb als gevangenispredikant veel gehad aan de drieslag van het werk die was gebaseerd op het individueel contact, de gespreksgroep en de kerkdienst. Op deze drie niveaus kreeg ik de gelegenheid om de ontmoeting met de ander aan te gaan.

Speel ik het klaar om mijn gesprekspartner zo aan het woord te laten dat hij zijn verhaal durft te vertellen? En in hoeverre lukt het mij om mijn christelijke traditie en de Bijbel daarbij te betrekken, zonder de ander het gevoel te geven dat hij opgejaagd wild is. Niet iedereen is gediend met een pastoraal gesprek met de Bijbel als bronnenboek. Het was van belang om de individuele levenscontext van de mens met wie ik contact had in beeld te krijgen. In Haarlem startte ik als geestelijk verzorger voor de jeugd van 18 tot 24 jaar; later kwamen daar de volwassen mannen bij vanuit de Koepel.

De uitdaging was altijd: lukt het mij om de ander het gevoel te geven dat hij niet alleen is?

Niet alleen in de inrichting moesten functionarissen aan mijn verschijning wennen – ik was indertijd een van de weinige gekleurde protestantse gevangenispredikanten – maar ook bij mijn eigen protestantse collega’s moest een knop om. Ik hoor nog de vragen: ‘Ben je alleen benoemd voor de Molukse gedetineerden?’, gevolgd door de volgende vraag: ‘Welke opleiding heb je gedaan?’. En ik voel nog steeds het ongemak waarmee ik deze vragen nogal lacherig beantwoordde. De collega’s vertoonden hetzelfde gedrag als vrijwilligers die voor het eerst meedraaiden tijdens de gespreksgroepen en kerkdiensten waarbij ik betrokken was: was ik gevangene of geestelijk verzorger?

Mijn drive in mijn werk putte ik uit mijn culturele Molukse levensopvatting, die paste bij het christelijk geloof om de ander hoe dan ook nabij te zijn. Van mijn ouders moest ik altijd iedereen met respect behandelen. Met vallen en opstaan leerde ik om zowel in de justitiële setting als in de Molukse kerk mijn werk als voorganger te doen. Ik kon op basis van mijn levenservaring in de Molukse context mij inleven in hoe het was om nooit serieus gehoord te worden. Ik moest het slachtofferschap overvleugelen en me opstellen als hulpverlener en geestelijk verzorger. Ook bij mijzelf moest de knop om.

In de jaren negentig van de vorige eeuw werden veel mensen gearresteerd op luchthaven Schiphol. Meestal ging het om drugskoeriers, die (on)bewust betrokken waren bij illegale invoer. Of om zakenlui die vanwege financiële malversaties waren aangehouden. Andere mensen zaten in voorarrest vanwege human trafficking. Altijd waren er personen die geen reisvisa konden overleggen of beschikten over valse paspoorten. Toen kwam iedereen nog terecht in het Huis van bewaring ‘de Koepel’ te Haarlem.[9] De toeloop van Engelssprekende gevangenen was zo groot, dat we als team besloten om naast die Nederlandstalige diensten aan anderstaligen een Engelstalige KGD aan te bieden. Zo kreeg ik de kans om de Bijbelse verhalen met vreemdelingen in het Engels te lezen en te bespreken.

Was ik gevangene of geestelijk verzorger?

Ook daar was de vraag wat de mannen vanuit hun context lazen in het Bijbelverhaal dat tijdens de dienst aan bod kwam. Dit bood ons de gelegenheid om in contact te komen met de diverse leefwerelden van de kerkgangers, die vanuit alle continenten van de wereld in de Haarlemse Huizen van bewaring terecht waren gekomen. Naast de geseculariseerde gevangenen uit Nederland kregen we te maken met individuele mensen die in afwachting van hun rechtszaak terugvielen op het geloof en de tradities waarin ze waren opgevoed. Mensen die zich bewust waren van de verhalen uit de Bijbel en de tradities van hun kerken.

Ondanks de verschillende contexten kwamen wij bij de lezing van de Bijbel erachter, dat er in het geloof veel zaken samenkomen. Wij ontdekten hoe het verhaal van God doorspeelt in de mensenverhalen overal op aarde. De Bijbel blijft een boek dat mensen verbindt en kansen biedt om het leven te duiden, hoe groot ook de verschillen zijn. Kirsten van der Ham beschreef dit treffend in haar onderzoek hoe Indonesische migranten in Nederland de Bijbel lezen: A Familiar Book in an (Un)familiair Context.[10]

Vanwege mijn Molukse roots kon ik de vreemdelingen in detentie ondersteunen. Er waren gevangenen die haarfijn aanvoelden hoe het repressieve systeem van justitie schuurde met het werk dat wij als dienaren van de kerk hadden te doen. Zij toonden diep respect voor de priesters en de predikanten. Als kleurling werd ik net even anders behandeld door gevangenen uit Afrika, Azië, Latijns-Amerika en de kleurlingen vanuit het VK en de USA. Zij zagen mij ook als een buitenstaander in de Nederlandse gevangenis. Met hen kon ik ook ellenlange discussies voeren over de realiteit van de Bijbelverhalen. Zij betreurden het dat ik niet alles wat er in de Bijbel staat als waarheid omarmde en dat ik als gelovige kritische vragen stelde over mijn geloof.

Ondanks de verschillende contexten kwamen wij bij de lezing van de Bijbel erachter, dat er in het geloof veel zaken samenkomen

Mijn identiteit als Molukse predikant in Nederland vergemakkelijkte mijn omgang met de buitenlandse gedetineerden. Mijn huidskleur was een voordeel, maar ook het feit dat ik in Nederland opgegroeid was in een allochtone kerk waar de secularisatie nog niet had toegeslagen. Als protestants geestelijk verzorger scoorde ik ook.

De context in je bestaan

Sinds 1988 wonen wij al meer dan dertig jaar in een stadswijk in Haarlem. Het wijkgebeuren in Moordrecht had ik nooit willen missen. Ik had het nodig om mijzelf te vinden om aan mijn eigen zelf beeld en identiteit te werken. Ik ervoer de Molukse wijk eerst als een aansporing tot de verzuiling en later als empowerment van mijn Molukkerzijn in Nederland! Nu beschouw ik het ‘wonen buiten de wijk’ als een stukje van mijn binnenwereld. Gedurende mijn leven heb ik – met vallen en opstaan – vele grenzen overschreden. Daarbij waren de verhalen uit de Bijbel van vitaal belang. Als geestelijk verzorger leerde ik de verhalen te lezen vanuit mijn eigen context. De ontmoetingen met andere grensgangers waren daarbij essentieel.

In Jezus geloven krijgt voor hem pas betekenis als je dat als Afrikaan kan doen

In de GIM kwam ik mensen tegen die worstelden met het geloof. Hoe kun je als Moluks christen alles blijven accepteren? Zij raakten in verwarring als het hun identiteit betrof. Zij herkenden zich niet in de beelden die vanuit de koloniale kerk waren overgeleverd. Mijn geluk was dat ik toen lid was van het Moluks Theologisch Beraad (MTB). Het MTB was een studieclub van Molukse theologen die in de jaren negentig zich bogen over Molukse theologie in Nederland. De eerste bijeenkomsten vonden plaats aan het Hendrik Kraemer Instituut (HKI) te Oegstgeest. Gedurende die studiedagen vonden ontmoetingen plaats met theologen uit de wereldkerk die met ons in gesprek gingen over hun theologie en hun geloof. Onder leiding van Hans Visser, de rector van het HKI, maakten wij kennis met ontwikkelingen in missiologie en theologie.

Ik herinner me nog hoe ik verwonderd reageerde toen ik voor het eerst de term ‘translatability’ hoorde vallen van de Gambiaanse theoloog Lamin Saneh.[11] Het opende voor mij nieuwe perspectieven, net zoals de term ‘dubbele transformatie’, die Martien Brinkman later introduceerde.[12] Het Evangelie van Jezus heeft niet alleen een impact op de Molukse cultuur, maar ook omgekeerd, de ontvangende cultuur heeft ook invloed op het Evangelie. Een gastdocent, die regelmatig terugkeerde in het MTB-programma was de Ghanese theoloog Kwame Bediako.[13] In Jezus geloven krijgt voor hem pas betekenis als je dat als Afrikaan kan doen. Anders blijft Hij een vreemde. Bediako wees op het belang van de eigen identiteit: het spreken van de taal van je ouders en het kennen van je cultuurgeschiedenis. Hij daagde ons uit om als Molukker authentiek te geloven en Jezus te zien als onze pela, of voorouder.

Als predikant was ik meer dan een marginale persoonlijkheid

Na onze studiebijeenkomsten kon ik als theoloog niet wachten om in de gemeente aan de slag te gaan met de nieuw verworven inzichten. Soms betekende dat het opnieuw leren lezen van de Bijbelse verhalen. In hoeverre kun je nog voortgaan op de al bestaande wegen? Het MTB bleek een laboratorium te zijn waar gezocht werd naar de vorm en inhoud van een Molukse theologie in Nederland.

Het verhaal van de roeping van Abraham heeft mij de oriëntatie gegeven om zowel in de GIM als in de Huizen van bewaring als predikant weg te trekken uit het mij bekende land en mijn familie achter te laten. In de beide contexten leerde ik wat mij te doen stond om de ander nabij te zijn. Als predikant was ik meer dan een marginale persoonlijkheid. In de ogen van S.H. Lee is ieder mens geroepen om de liminaliteit creatief te ontstijgen. Als persoon kan ik zowel in de Molukse als de Nederlandse levenswereld van betekenis zijn.[14]

Persoonlijke levensopdracht

Als gevangenispredikant leerde ik ook van hen die in de gevangenis beland waren. Ze verlangden allen naar een kans opnieuw te kunnen beginnen. Het Bijbelverhaal van Abraham daagt ons uit om uit onze eigen kring te stappen. Enerzijds word je geroepen om thuis te zijn in de wereld van het Evangelie, maar anderzijds blijkt, zoals de incarnatie van Jezus toont, dat Hij zich ook nestelt in de mensenwereld. Hij zoekt zich een weg in de cultuur van zijn mensen en etaleert de waarde van ‘fellowship’ en ‘sense of belonging’.

Ik worstelde met het feit dat het lezen van de Bijbel stroef ging

Als beginnend predikant was ik bevoorrecht om in verschillende contexten te mogen werken. Elke werkplek had zijn eigenaardigheden. Voor mij was het de uitdaging om zowel vanuit de traditionele Molukse setting in de GIM alsook in de seculiere omgeving in de Haarlemse Huizen van bewaring samen met de mensen de Bijbel te lezen. Ik kreeg binnen de GIM ook te maken met het opzetten van activiteiten in het kader van gemeentetoerusting en -opbouw. Binnen die werkomgevingen worstelde ik met het feit dat het lezen van de Bijbel stroef ging. Er scheen een breuk te zijn tussen de heilige Bijbelteksten en de hedendaagse wereld. Hoe vindt de ontmoeting plaats? En hoe ga je om met verschillende tradities? De ervaringen in de gevangenis en in de Molukse kerk toonden mij hoe waardevol het is als je vanuit je context de Bijbel kan lezen.

Het meerdimensionale van het predikantschap heeft mij altijd bekoord. Was ik in staat om het sacrale kerkgevoel over te brengen in een seculiere omgeving? En lukt het mij om het sacrale te zoeken in de eenvoud van het bestaan? In de afgelopen jaren ben ik ook de Bijbel samen gaan lezen met studenten theologie aan de UKIM, de christelijke universiteit op Ambon. Jaarlijks reis ik daar naartoe om pastorale theologie te doceren. Het openbaart mij hoe rijk en divers de leefcontexten van mensen zijn. Het lezen van de Bijbel gebeurt daar in een totaal andere context dan in Nederland. Ik word daar altijd hartelijk ontvangen en respectvol behandeld.

Als Nederlandse Molukker beschik ik over geld en middelen. Dat is een groot goed vergeleken met de studenten die veelal af hankelijk zijn van de opbrengsten van de oogst of werk van hun ouders en zich geen luxe kunnen veroorloven. Ook de predikanten en docenten hebben het relatief gezien zwaarder dan mij. Het samen lezen van de Bijbel doet ons die verschillen overbruggen; het manifesteert wat ons verbindt in geloof en zet ons aan tot medemenselijkheid.

Of het nu catechisanten, gemeenteleden, gevangenen, Molukse theologiestudenten op Ambon, collega’s in Nederland of in Indonesië betreft, ik moet erkennen hoe mijn lezing van de Bijbelverhalen bepalend is voor de omgang met elkaar

Beroepsmatig lees ik – als gelovige – de Bijbelverhalen persoonlijk, ter voorbereiding op de verschillende activiteiten in het kerkenwerk. Ik verplicht mijzelf om daarvoor met wat collega’s samen een theologisch boek te lezen. Ook probeer ik workshops te volgen. Zo heb ik meegedaan aan een inspirerende cursus Contextueel Bijbellezen van de Protestantse Kerk in Nederland. Dit zijn impulsen die je nodig hebt om samen met anderen de Bijbelverhalen anders te lezen. Telkens merk ik hoe belangrijk daarbij de inbreng van andere personen is. Of het nu catechisanten, gemeenteleden, gevangenen, Molukse theologiestudenten op Ambon, collega’s in Nederland of in Indonesië betreft, ik moet erkennen hoe mijn lezing van de Bijbelverhalen bepalend is voor de omgang met elkaar.

Ik realiseer mij dat de werking van de Geest ons noopt tot bescheidenheid en nederigheid. Het is wonderbaarlijk om te zien hoe het Woord ons oproept tot solidariteit. Het toont ons hoe God de wereld lief heeft en niet ophoudt ons nabij te zijn. Hij roept ons genadig op tot liefde en medemenselijkheid. In de gevangenis mocht ik me inzetten om de kleurverschillen te doorbreken. Hoe doe je dat in de GIM in Amsterdam of op de campus van de UKIM op Ambon? Hoe vindt de ontmoeting van mens tot mens plaats? En hoe lees je samen de Bijbel? Als student werd mij de vraag gesteld of de Bijbel van de Nederlander ook mijn Bijbel was. Toen kon ik me dat niet voorstellen. Na meer dan dertig jaar als predikant dienstbaar te zijn, kan ik dit nu volmondig beamen. Ik kan ook niet anders, omdat alle gelovigen dezelfde Bijbel overgeleverd hebben gekregen. Dit inzicht verandert juist op het moment dat wij de Bijbel individueel gaan lezen. Dan komt onze levenscontext in beeld.

De Black Lives Matter-beweging kon op veel ondersteuning rekenen van veel jonge Molukkers in Nederland. Maar op hetzelfde moment leefden vanwege de coronapandemie veel senioren in een bubbel van angst. Dergelijke omstandigheden beïnvloeden ons in het lezen van de Bijbel. Ouderen en jongeren die niet meer massaal bij elkaar kunnen samenkomen op zondag, zouden moeten worden aangespoord om samen via de digitale weg aan contextueel Bijbellezen te doen.

Een voorganger heeft zowel in de kerk als in de samenleving een functie te vervullen als bruggenbouwer

Aan het begin van mijn predikantschap kwam ik een Molukse seniorpredikant tegen, die mij vroeg of ik wist waar de afkorting ‘VDM’ voor stond. Voordat ik kon antwoorden, gaf hij het antwoord met een warme stem. “Het is de Latijnse uitdrukking voor predikant: verbi divini minister; het betekent letterlijk dienaar van het goddelijk Woord.” Zijn lichaamstaal raakte mij en ik meende te zien wat hij bedoelde. Door de jaren heen ben ik dit ook gaan belijden als mijn commitment: hoe kan of wil ik dienstbaar zijn aan de verspreiding van het Woord? Voor mij heeft het te maken met persoonlijke roeping en professionaliteit. Een voorganger heeft zowel in de kerk als in de samenleving een functie te vervullen als bruggenbouwer. Talent, roeping, kennis en vaardigheden moeten worden gekoppeld en uitgebouwd in de persoon van de voorganger. En dat kan door de persoonlijke omgang met de Bijbel.

Het is een heilig Boek. Als mens lees ik de Bijbel bewogen, omdat ik mij verbonden voel met de Bron van het leven, maar ook afgewogen vanuit mijn levensomstandigheden, op zoek naar licht en vrede in mijn bestaan. Tegelijkertijd wil ik niet vastroesten in mijn denken. Niet alleen de Bijbelverhalen, maar ook de mensen en de levenswereld waarin zij bestaan zijn heilig! Bijbelverhalen kunnen ons leren met andere ogen naar ons bestaan en naar de A/ander te kijken. Het kan ‘sleutel tot verstaan’ worden en ons staan in de samenleving inkleuren en bepalen. God lijkt soms niet te wegen of te bewegen. Door samen de Bijbel te lezen ontdek je hoe bewogen Hij is en dat Hij het is, die je geroepen heeft tot de beweging om dienstbaar te zijn als VDM.

Verry (dr. E.S.) Patty is predikant van de Molukse Evangelische Kerk (GIM) en gastdocent aan de theologische faculteit van de UKIM (Christelijke universiteit) te Ambon.

Noten

[1 ]Door een bewuste selectie te maken voor gemotiveerde kerkgangers kwam het recht van godsdienstuitoefening van de gevangenen in het gedrang. Toentertijd mocht iedereen de kerkdienst bijwonen.

[2] ‘Kanttekeningen bij de Kerk/Gespreks/Dienst (het experiment Haarlem) J. Firet, 6 oktober 1989 8.1 In het experiment Haarlem is een goed alternatief gevonden voor de traditionele preek: de gespreksvorm betrekt de deelnemers optimaal bij de inhoud; vragen, tegenwerpingen, toepassingen en andere reacties kunnen meteen een factor in het prediking-gebeuren worden, waardoor het verwerkingsproces betere kansen krijgt dan bij de traditionele preek het geval is – met andere woorden: het performatieve karakter van de prediking komt beter tot zijn recht. De ‘ontvangers’ hebben daadwerkelijk de gelegenheid in deze communicatie tegelijk zelf‘zenders’ te zijn: het dialogisch karakter van de prediking is realistischer dan bij de traditionele preek het geval is. De deelnemers zijn niet ‘bepreekte objecten’, ‘preek-consumenten’, maar meezoekende en meeluisterende – zelf mede-oordelende subjecten – deze situatie is in de context van de liturgie een vorm van analoge communicatie van een essentieel element van het evangelie. 8.2 Deze ‘preekvorm’ lijkt goed te zijn afgestemd op de psycho-sociale situatie van de gedetineerden, die (generaliserend gesproken) onder andere gekenmerkt wordt door

  • de ervaring van uiterlijke (vaak ook: innerlijke) onvrijheid;
  • het verlies van identiteit en waardigheid door het verkeren in de ro1 van gedetineerde;
  • de beleving van de-subjectivering in allerlei communicatie-situaties;
  • het blootgesteld zijn aan het mechanisme van een onduidelijk perspectief op het leven daarna.’

[3] Verry Patty, Molukse Theologie in Nederland: Agama Nunusaku en bekering, 116 In de kerkorde van de GPM was aangegeven dat alleen mensen die woonachtig zijn in de Molukken lid kunnen worden van de GPM.

[4] S. Ririhena, ‘De christelijke zending in de Molukken en de gevolgen voor de Molukse kerk in Nederland’, website van Tussenruimte (geraadpleegd sept. 2015).

[5] H. Smeets en F. Steijlen, In Nederland gebleven: De geschiedenis van Molukkers 1951-2006, Amsterdam: Bert Bakker 2006, 145-159.

[6] S.H. Lee, ‘Liminality in the Korean American Context’, in: M.E. Brinkman & D. van Keulen (eds), Christian Identity in Cross-Cultural Perspectives: Studies in Reformed Theology, Zoetermeer: Meinema 2003, 73-89.

[7] Samuel Lee, De Bijbel in de Bijlmer, Haarlem: NBG 2020, 20. 8 E.S. Patty, Pendeta in Nederland, Utrecht: doctoraal scriptie RU 1987.

[9 ]Later heeft men dit anders georganiseerd en kwamen de verdachten niet verder dan het terrein van Schiphol, waar het Justitieel Complex is gelegen met een Huis van bewaring, gevangenis en rechtbank.

[10] Kirsten van der Ham, A Familiair Book in an (Un)familiar Context: An Exploration of the Characteristics of Bible Reading in Indonesian Congregations in the Netherlands, Amsterdam: Masterscriptie Vrije Universiteit 2019.

[11] L. Sanneh, Translating the Message: The Missionary Impact on Culture, Maryknol: Orbis Books 1989.

[12] M. Brinkman, De niet-westerse Jezus: Jezus als bodhisattva, avatara, goeroe, profeet, voorouder en genezer, Zoetermeer: Meinema 2007.

[13] K. Bediako, Theology and Identity: The Impact of Culture Upon Christian Thought in the Second Century and Modern Africa (Regnum Studies in Mission), Oxford: Regnum 1992.

[14] S.H. Lee, Marginality: The Key to Multicultural Theology, Minneapolis: Fortress Press 1995, 29-76.

Meer Bijbel en exegese