Openbaring als joods geschrift

De Openbaring van Johannes is vanuit de optiek van de christelijke canon en de leespraktijk een christelijk geschrift. Maar hoe is dat vanuit het perspectief van de auteur en de lezers die hij op het oog had? Deze bijdrage laat zien dat Johannes zichzelf als jood beschouwde en dat hij zich met zijn openbaring over Jezus Christus richtte op joodse lezers en luisteraars.

Jan Willem van Henten is hoogleraar Religiewetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en buitengewoon hoogleraar Oude en Nieuwe Testament, aan de Stellenbosch University.

Ik plaag mijn studenten, die vaak weinig van religies of theologie afweten, soms met een quizvraag: wie is de stichter van het christendom? Ze kunnen dan zoals bij een multiple choice vraag kiezen uit vier antwoorden, bijvoorbeeld: 1) Jezus; 2) Paulus; 3) de auteur van het Johannesevangelie; of: 4) de kerkvaders in de vierde eeuw. Na enige discussie stel ik de studenten teleur door ze uit te leggen dat alle antwoorden in zekere zin goed zijn, en dat de gehanteerde criteria en je eigen perspectief, een binnen- of een buitenperspectief, bepalend zijn voor het antwoord dat de voorkeur krijgt. Wanneer een student voor het antwoord ‘Jezus’ gaat, antwoord ik wel eens met de vraag of het geloof in Jezus als de Messias dan als het beslissende criterium moet gelden en dat de beroemde kerkhistoricus Adolf von Harnack die vraag in elk geval met ‘nee’ beantwoordde, omdat hij Jezus als een joodse hervormer beschouwde.

Een quizvraag: wie is de stichter van het christendom?

Wanneer het geloof in Jezus als beslissend criterium zou gelden voor het christelijke karakter van het laatste boek van het Nieuwe Testament, ben ik snel klaar met dit artikel. Natuurlijk is de Openbaring van Johannes vanuit de optiek van de christelijke canon en de leespraktijk een christelijk geschrift. De vraag is echter of dat vanuit het perspectief van de auteur, die ik voor het gemak Johannes zal noemen, en de lezers die hij op het oog had, ook zo was. Ik zal u als lezer in de rest van dit essay ervan proberen te overtuigen dat dat niet het geval was. Het is aannemelijk dat Johannes zichzelf als jood beschouwde en dat hij joodse lezers en luisteraars op het oog had toen hij de openbaring die Jezus Christus aan hem doorgaf opschreef en verspreidde.

Als argumenten voor mijn betoog concentreer ik mij op enkele groepsaanduidingen die we in Openbaring vinden voor de eigen groep waarop Johannes zich richt en bovendien op verschillende leefregels die deze groep kenmerken. Wie kijkt naar aanduidingen voor de groep van Johannes en/of zijn beoogde publiek, zal vergeefs zoeken naar de naam ‘christenen’ (christianoi in het Grieks). Deze naam komt in Openbaring niet voor. De naam is met drie passages sowieso zeldzaam in het Nieuwe Testament (zie Handelingen 11,26; 26,28 en 1 Petrus 4,16). Welke namen vinden we dan wel in Openbaring als aanduiding van de eigen groep? De naam ‘Israël’ komt driemaal voor in de wending ‘kinderen van Israël’ (Openbaring 2,14; 7,4; 21,12). De eerste van deze drie passages zullen we nader onder de loep nemen om te bekijken of deze betrekking heeft op Johannes’ eigen groep. De naam joden (ioudaioi) komt tweemaal voor in twee lastig te interpreteren passages uit de zogenaamde zendbrieven (Openbaring 2,9; 3,9). Ook die passages zal ik hieronder bespreken. Verder noemt Johannes een aantal keren de ‘dienaren van God’ (7,3; 19,2.5; 22,6; vergelijk 1,1 van God of Jezus Christus; 22,3 van God of van het lam; 2,20 van de Zoon van God; 15,3 met betrekking tot Mozes), waarmee soms Gods profeten bedoeld zijn (10,7; 11,18) en met wie Johannes zich associeert, en soms de lezers en toehoorders waartoe hij zich richt. Het ‘dienaar zijn van God’ is een gangbare manier om de nauwe band tussen God en de mensen van zijn verbond uit te drukken en is volledig begrijpelijk in een joodse context. Een belangrijke passage is Deuteronomium 32,36, waarin Mozes aangeeft dat God zich weer over zijn dienaren zal ontfermen. In het Gebed van Azarja bidden de drie jongemannen dat allen die Gods dienaren kwaad berokkenen beschaamd mogen worden (Daniël 3,43 Grieks).

‘Gemeente’ (ekklêsia) is de aanduiding voor de zeven verbanden van volgelingen van Jezus Christus in de Romeinse provincie van Asia, gelegen in het westen van het huidige Turkije. Johannes richt zich tot deze gemeenten, die ook afzonderlijk in de aanhef van de zeven decreten van Jezus aan die gemeenten genoemd worden (1,4.11.20; 2,1.7.8.11.12.17.18.23.29; 3,1.6.7.13.14.22; 22,16). Natuurlijk is ‘gemeente’ een christelijk woord geworden dat vaak in de eredienst klinkt, maar in oorsprong is het dat niet. Ekklêsia is de gangbare aanduiding van de Atheense bijeenkomst van de burgers van de stad en het kan ook vergaderingen van stemhebbende leden van andere steden aanduiden, vergaderingen van mannen wel te verstaan, zoals in de patriarchale samenlevingen in de oudheid voor de hand lag. Zo wordt het woord in Handelingen 19,39 gebruikt voor de volksvergadering in Efeze. Het woord wordt ook regelmatig gebruikt voor bijeenkomsten met joodse deelnemers, zoals we bijvoorbeeld in de boeken van de joodse geschiedschrijver Flavius Josephus (eerste eeuw na Christus) kunnen lezen. Zo vertelt Josephus dat Esther voordat ze ongevraagd naar de koning gaat, Mordechai opdracht geeft naar de Perzische hoofdstad Susa te gaan en de joden (of ‘Judeeërs’) daar samen te brengen in een vergadering om hen te vragen drie dagen te vasten ten bate van haar (Joodse oudheden 11.228).

In sommige van de decreten aan de zeven vergaderde gemeenschappen in Openbaring worden de leiders van concurrerende groepen op de korrel genomen. Zo lezen we in het decreet aan de gemeenschap van Pergamum over een profetische leider die aan de oudtestamentische niet-Israëlitische profeet Bileam gekoppeld wordt:

Maar enkele dingen heb ik tegen u: sommigen houden vast aan de leer van Bileam, die Balak liet weten hoe hij voor de Israëlieten een val moest opzetten, waardoor ze heidens offervlees zouden gaan eten en ontucht zouden plegen. (Openbaring 2,14 NBV)

De symbolische naam Bileam karakteriseert hier een niet verder voorgestelde profetische leider en deze Bileam 2.0 heeft door een combinatie van verschillende passages over de Bileam uit Numeri en de Israëlieten in de woestijn, heel duidelijk een scherp negatieve inkleuring gekregen. Openbaring verbindt Numeri 24,14 over Bileams advies aan Balak met Numeri 31,16, waar gesteld wordt dat de Midianitische vrouwen die de Israëlieten verleidden bij Baäl Peor (zoals beschreven in Numeri 25), dat deden op aanraden van Bileam. Dat advies maakt volgens Openbaring de ‘leer’ uit, die Bileam aan de Midianitische koning Balak bekend maakte, zodat Balak een ‘struikelblok’ (NBV: ‘val’) voor de Israëlieten kon regelen: hij kon hen zo verleiden tot heidense, dat wil zeggen: niet-joodse praktijken, waarover hieronder meer.

Het decreet verbindt deze passage over Bileam heel duidelijk met de actuele situatie van de beoogde lezers en hoorders: sommigen van hen houden nog altijd vast aan deze leer, die tot ontoelaatbare heidense praktijken leidt. De geadresseerden zelf worden met de Israëlieten verbonden, letterlijk vertaald met de ‘kinderen van Israël’. Hier blijkt dus uit dat ‘kinderen van Israël’ een van de aanduidingen is voor de groep waarop Openbaring zich richt. De andere twee passages met deze naam focussen op de twaalf stammen van Israël, waarvan de twaalf namen op de poorten van het hemelse Jeruzalem geschreven staan (21,12; vgl. 7,4).

De laatste naam die ik hier wil bespreken is de lastigste, want het is omstreden aan welke groep de naam ‘joden’ in Openbaring 2,9 en 3,9 refereert. De decreten aan de gemeenschappen van Smyrna en Filadelfia bevatten twee snoeiharde uitspraken die sterk op elkaar lijken en ‘joden’ met ‘de synagoge van de Satan’ verbinden.

Ik weet van de ellende en de armoede waarin u verkeert, hoewel u rijk bent. Ik weet hoe u belasterd wordt door mensen die zich joden noemen en het niet zijn, maar bij Satan horen. (Openbaring 2,9 NBV)
Ik zal mensen laten komen die bij Satan horen, leugenaars die zich joden noemen en het niet zijn; zij zullen zich eerbiedig aan uw voeten neerwerpen en erkennen dat ik u heb liefgehad. (Openbaring 3,9 NBV)

De ik-figuur in beide passages is Jezus, die aan twee gemeenschappen van volgelingen in het Romeinse Asia decreteert hoe zij ervoor staan, wat ze moeten doen en wat hun in de toekomst zal overkomen. De lastering door hen die zeggen dat ze joden zijn (2,9) slaat vermoedelijk op godslastering in de vorm van de ontkenning dat Jezus de Messias is. Openbaring 3,9 duidt met een web van toespelingen op de joodse Bijbel aan, dat de genoemde tegenstanders van hun dwaalweg zullen terugkeren en zich aan de volgelingen van Jezus in Filadelfia zullen onderwerpen.

Ze zeggen dat ze joden zijn, maar ze zijn het niet.

Aan de negatieve karakterisering van tegenstanders ‘die zeggen dat zij joden zijn…’ valt op dat met de naam ‘jood’ (ioudaios) zelf niets mis is. De tegenstanders claimen die naam voor zichzelf ten onrechte, ze ‘zeggen dat ze joden zijn maar ze zijn het niet’, stellen beide decreten. Er is een flinke discussie over de vraag naar welke concrete groep hier verwezen wordt. Tot de opties die voorgesteld zijn behoren het joodse volk als geheel, plaatselijke joodse gemeenschappen, half-joden (personen met een onduidelijke joodse identiteit) of christelijke tegenstanders. Het centrale punt voor mijn betoog is dat de naam ‘joden’ neutraal of positief gebruikt wordt. Het zou best eens kunnen dat Johannes vond dat deze naam van toepassing was op zijn eigen groep, maar helaas moet dat speculatie blijven, omdat de passage op tegenstanders focust, die vanuit het perspectief van Johannes een groep vormen met een satanisch karakter of mensen die bij Satan horen. Dat is een kwalificatie die in Openbaring in feite voor allen geldt die de boodschap van het boek niet omarmen.

De leer van Bileam in het decreet aan Pergamum houdt praktijken in die scherp bekritiseerd worden. Om welke heidense praktijken gaat het? De leider van de tegenstanders in deze stad wordt expliciet beschuldigd van het accepteren van ‘hoererij’ en het toelaten van de consumptie van voedsel (eidôlothuta), mogelijk vlees, dat bezoedeld kon zijn omdat het eerder in een context van een heidens offer gefunctioneerd had. Beide beschuldigingen komen ook voor in de verwijten die in Openbaring 2,20 gemaakt worden aan ‘die vrouw Izebel’, een vrouwelijke profeet en tegenstander. Het woord eidôlothuton is een neologisme uit de eerste eeuw na Christus, dat zowel in joodse als christelijke teksten voorkomt. Het is waarschijnlijk ontstaan als alternatief voor het in niet-joodse en niet-christelijke geschriften gangbare woord hierothuton, dat ‘offer’ of ‘vlees geofferd aan de goden’ betekent (vgl. 1 Korintiërs 10,28). Paulus gebruikt eidôlothuton verschillende keren in 1 Korintiërs 8. In het joodse martelaarsgeschrift 4 Makkabeeën slaat het op een stukje varkensvlees dat joden moeten eten tijdens een sacrale maaltijd die door de Seleucidische koning Antiochus IV georganiseerd wordt (4 Makkabeeën 5,2; zie ook Handelingen 15,29). Hierbij zouden natuurlijk de joodse spijswetten overtreden worden. Andere mogelijke scenario’s waarbij het risico ontstond voedsel binnen te krijgen dat ontoelaatbaar was, vormen de uitdeling van voedsel in het kader van een religieus feest, het deelnemen aan een maaltijd van een club of vereniging waarbij aan de goden geofferd werd en het consumeren van vlees dat op de markt gekocht was en dat mogelijk overgebleven was van heidense offers. Het centrale punt met betrekking tot dit voedsel in Openbaring 2,14 in de kritiek op Bileam is, dat de gemeenschap geen enkele concessie moest doen en alle risico’s moest vermijden om met dit voedsel in contact te komen.

De beschuldiging van hoererij kan op ongewenst seksueel gedrag slaan, maar ook overdrachtelijk opgevat worden. De beschuldiging moet waarschijnlijk mede tegen de achtergrond van de passages uit Numeri waarop de tekst toespelingen maakt, begrepen worden. Het verhaal uit Numeri 25 waarop Bileams ‘struikelblok’ aansluit, impliceert maar liefst drie vormen van ontoelaatbare praktijken. Ten eerste gaat het om ongeoorloofde seksuele relaties tussen Israëlieten en niet-Israëlitische vrouwen. Ten tweede verleiden de niet-Israëlitische vrouwen de Israëlieten om deel te nemen aan de offerpraktijken voor hun goden en deze goden te vereren. En ten derde overtreden de Israëlieten hiermee ook hun spijswetten, omdat ze van het voedsel aten dat aan deze goden geofferd was (zie vooral Numeri 25,1-2). In het licht van de tradities uit Numeri lijkt het decreet voor Pergamum te impliceren dat seksuele relaties tussen joden en niet-joodse vrouwen ongeoorloofd waren, en dat betekent dat er ook geen gemengde huwelijken tussen deze groepen gesloten konden worden (vergelijk Josephus, Joodse oudheden 4,132, 135, 145-149). Dergelijke ‘hoererij’ in de letterlijke zin bracht ook het gevaar met zich mee van hoererij in de betekenis van het andere goden achternalopen, zoals de joodse Bijbel en passages uit de Tweede Tempelperiode regelmatig benadrukken (bijvoorbeeld Exodus 34,15-6; Deuteronomium 31,16; Richteren 2,17; 8,27.33). Exodus 34,15-16 combineert zoals Numeri 25,1-2 de letterlijke en overdrachtelijke vormen van hoererij en legt bovendien nog een verband tussen het andere goden achternalopen en het eten van ongeoorloofd voedsel:

Sluit geen verbond met de inwoners van dat land [de gebieden van niet-Israëlieten], want wanneer die zich met hun afgoden afgeven en offers aan hen brengen, zouden ze jullie uitnodigen om aan hun offermaaltijden deel te nemen. En als jullie uit hun dochters voor je zonen vrouwen kiezen, en die vrouwen geven zich met hun goden af, zullen ze ook je zonen daartoe verleiden.

De strekking van Openbaring 2,14 vanuit het perspectief van de bijbelpassages waarop de tekst toespelingen maakt, is dat er een heel strikte leefwijze wordt voorgesteld, die in de stedelijke samenleving van toen betekent dat er rigoureus afstand bewaard moet worden ten opzichte van ‘niet-Israëlieten’, dat wil zeggen: niet-joden. Het gaat daarbij om drie dingen: voedsel, afgoderij en relaties met niet-joodse vrouwen. Andere passages in Openbaring over ‘hoererij’ bevestigen dit beeld, hoewel deze vooral focussen op de overdrachtelijke betekenis. Hoererij is een belangrijk motief in Openbaring 18 over de ‘hoer van Babylon’, die zal vallen volgens dit visioen (18,2-3). De symbolische taal in dit visioen zinspeelt op de corrumpering die het leven in een grote stad met zich meebrengt. ‘Babylon’ functioneert onder meer als een enorme opslagplaats voor onreine dieren, waarmee opnieuw een verband gelegd wordt met de joodse spijswetten. Ook de economische praktijken van de stad lijken met hoererij geassocieerd te worden (18,3; zie verder Openbaring 2,20-21; 9,21; 14,8; 17,2.4; 18,9; 19,2). Openbaring bepleit dus aan lezers en luisteraars om een compromisloze houding aan te nemen waar het gaat om de interactie met de niet-joodse buitenwereld en geen concessies te doen als het om de gewenste joodse leefwijze gaat.

Ter afronding: in deze bijdrage hebben we een aantal aanduidingen voor de eigen groep in Openbaring onder de loep genomen en ook naar de gewenste leefregels gekeken die uit de harde kritiek op tegenstanders voortvloeien. Andere groepsnamen die voorkomen zijn bijvoorbeeld: ‘priesters voor God’ (2,6; vergelijk 5,10), ‘overwinnaars’ (2,7.11.17.26; 3,5.12.21; 12,11; 15,2) en ‘degenen van wie de naam in het boek van het leven staat’ (13,8; 17,8, vergelijk 3,5). Deze namen leiden echter niet tot een bijstelling van het beeld dat we van de besproken namen kunnen vormen. Er is geen enkele naam die op een christelijke identiteit van de eigen groep in Openbaring wijst en alle namen zijn uitstekend te begrijpen vanuit een joodse context. Dit beeld wordt versterkt door de bekritiseerde levenspraktijk in het decreet aan Pergamum: die lijkt te draaien om seksuele relaties tussen joden en niet-joden, het risico om afgoderij te begaan en het overtreden van de joodse spijswetten.

Kortom, vanuit een historisch perspectief laat Openbaring zich prima lezen als een joods geschrift. Een consequentie van deze conclusie is dat het proces van het uiteengaan van joden en christenen voor de groep die zich met Openbaring verbonden voelde nog verre van afgerond was. Natuurlijk kan men van mening verschillen over de in dit artikel gehanteerde criteria voor het onderscheid tussen de categorieën ‘joods’ en ‘christelijk’. Andere criteria kunnen wellicht een andere conclusie op leveren en dat is prima, dan kan het debat voortgezet worden.

Tags:

Meer Bijbel en exegese