Welke dromen zijn betrouwbaar?

Over de relatie tussen dromen en Schrift in de Tweede Tempelperiode

In veel culturen wordt belang gehecht aan dromen. Ook in Joodse en christelijke tradities is lang aandacht besteed aan dromen, omdat God zich daarin zou kunnen openbaren. In de vroegste bronnen van de Bijbelse tradities lijkt het vrij vanzelfsprekend dat God spreekt door dromen en visoenen. Een mooi voorbeeld daarvan zijn de dromen die Abimelech ontvangt (Genesis 20,3-7). Daarin leert hij dat Sara de vrouw van Abraham is en dat hij haar niet moet aanraken. Een ander voorbeeld is de droom van Jacob op zijn vlucht (Genesis 28,12-15).

Prediker echter waarschuwt dat dromen vooral komen van te hard werken (5,2). Blijkbaar zijn niet alle dromen goddelijke communicatie. In dit artikel wordt geschetst hoe in de Tweede Tempelperiode en dus in de tijd dat het Nieuwe Testament ontstond, nagedacht werd over dromen als mogelijkheid tot goddelijke communicatie.

De hit Dromen zijn bedrog van Marco Borsato is een bewerking van een Italiaanse hit Storie di tutti i giorni van Roberto Fogli. In dat lyrische Italiaanse lied zingt Fogli over verhalen en spreekt hij impliciet over dromen van een grote liefde. Borsato gebruikt de melodie en het thema dromen over de liefde, maar laat zien dat een enkele droom toch uitkomt: als hij wakker wordt dan ligt zijn liefde naast hem en dan droomt hij nog.

De gedachte dat dromen meestal bedrog zijn, is ook te vinden in een van de laatste Joodse boeken voor het begin van onze jaartelling: Jezus Sirach. Sirach plaatst tegenover elkaar de dwaasheid van de meeste dromen (34,1-7) en het woord van God, de Tora (34,8). Dromen hebben al velen op een dwaalspoor gebracht, en wie erop bouwden zijn ten val gekomen (34,7). Deze kritiek op dromen staat gedeeltelijk in de traditie van bijvoorbeeld Jeremia 23,25-27. Uit Sirach 34,8 blijkt dat bij de ‘schriftgeleerde’ Jezus Sirach, kritiek in het vertrouwen op dromen uitmondt in een oproep om de Tora/Wet te vertrouwen. Die komt zonder bedrog tot haar recht en de wijsheid kan volstaan met een betrouwbare woordvoerder (34,8).

Alhoewel Sirach 34,6 uiteindelijk zegt dat dromen soms een middel van goddelijke openbaring kunnen zijn, ligt Sirachs voorkeur bij de openbaring die tot hem komt in Tora/Wet en Profeten. Jezus Sirachs nadruk op de Tora en de afkeer van dromen is een exponent van een bepaalde stroming binnen het Jodendom in de periode van de Tweede Tempel. In die stroming werd schriftgeleerdheid steeds belangrijker. God openbaarde zich vooral in Tora en Profeten en ook in de geschriften die daarna komen (zie bijvoorbeeld Sirachs proloog). Uiteindelijk zullen de uitleggers van de Bijbelse traditie zelf de hoeders van die goddelijke openbaring worden (zie het verhaal over rabbi Eliezer in de Babylonische Talmoed Bawa Metsia 9a).

Een ander accent wordt gelegd in meer apocalyptische kringen. Daar worden hemelreizen, dromen en visioenen juist gepresenteerd als een weg om goddelijke geheimen te leren kennen. Daniël is een Bijbels voorbeeld, maar er zijn ook veel buitenbijbelse boeken zoals 1, 2 en 3 Henoch, 4 Ezra en vele andere. Er waren dus in het Jodendom van de Tweede Tempelperiode tradities die nogal duidelijk verschillende accenten legden. Aan de ene kant nadruk op meer Schrift en minder openheid voor dromen, visioenen en hemelreizen en aan de andere kant openheid voor het idee dat die fenomenen goddelijke wijsheid konden overbrengen naast de goddelijke wijsheid die in de Schrift te vinden was.

Goddelijke communicatie versus de wordende Schrift

Wat hadden de Schrift als goddelijke wijsheid en dromen en visioenen dan met elkaar te maken? Uiteindelijk konden beide gezien worden als goddelijke openbaring. Dat dromen en visioenen een manier waren voor God om te communiceren en dan met name met profetische personen wordt expliciet in Numeri 12,6-8 vermeld. Wanneer Aäron en Mirjam klagen over de vrouw van Mozes (Numeri 12,1-2) en Mozes als een zachtmoedig type (12,3) niet voor zichzelf opkomt, dan doet God het wel (12,6-8). In die tekst horen we overigens over twee manieren van goddelijke communicatie. De uitzonderlijke weg van directe goddelijke communicatie tussen Mozes en God enerzijds en de weg van dromen en visoenen voor profetische figuren anderzijds.

God schetst eerst de bijzondere positie van Mozes: die is een assistent van God, zijn knecht, wat we hier wel zouden kunnen vergelijken met een minister van God, zelfs de eerste minister. God en zijn eerste minister zijn zo vertrouwd met elkaar dat God met Mozes direct spreekt (12,8). Ook profeten en profetessen krijgen goddelijke boodschappen, maar dat gebeurt alleen in dromen en visioenen (12,6). Wellicht wordt daarmee Mirjam op haar plaats gezet, want zij heeft profetische allure. Toch wordt daarmee ook de positie van een profeet gelegitimeerd. Hij of zij heeft dan wel geen rechtstreeks contact met God, maar God communiceert wel met profeten via dromen en visioenen.

In Numeri 12,6 worden dromen en visioenen als min of meer inwisselbaar en complementair voorgesteld. Ook in Joël 2,28-32 (= soms 3,1-5) vinden we een samenhang tussen dromen en visioenen (zie het citaat van Joël in Handelingen 2,17-21). Elders in de Schrift horen we geregeld dat profeten telkens weer in een droom of een visioen Gods woord mogen horen. Net als eerder Abraham, Jacob en Jozef, hebben ook Salomo en Gideon een droom, die hen op weg helpt. Natuurlijk zijn er ook (pseudo-)profeten die hun eigen ideeën verkopen als Gods woord en daar waarschuwt Jeremia dan ook tegen (23,24-25). Die laatste tekst laat wel zien, dat de vanzelfsprekendheid waarmee verteld wordt dat Abraham, Jakob en Jozef dromen als goddelijke boodschap zagen, in de latere boeken van de Schrift verdween. Blijkbaar waren er ook dromen die niet van God komen.

Criterium voor geloofwaardige dromen

Maar hoe kan men dan weten dat een droom of een visioen van God komt? Het lijkt erop dat op een gegeven moment zich in de Bijbelse traditie een criterium ontwikkelt om te kunnen onderscheiden welke dromen betrouwbaar zijn. Dat zijn die dromen, die gelegitimeerd kunnen worden met een of andere verwijzing naar de Schrift.

Eén van de keren waarop expliciet gezegd wordt dat een droom geloofwaardig is en waar een droom gepaard gaat met een verwijzing naar de Schrift, vinden we in 2 Makkabeeën. In 2 Makkabeeën 15,1-15 moedigt Judas de Makkabeeër zijn gehoor aan zowel met verwijzingen naar de Wet en de Profeten (15,9) als met een droomverhaal (15,12-16). Zo worden de goddelijke openbaring van Schrift en van een droomgezicht niet tegenover elkaar geplaatst maar juist gepresenteerd als complementair.

Het Tweede Boek der Makkabeeën is een uniek document in de Joodse traditie. Het is qua vorm één van de meest Hellenistische Joodse boeken. Inhoudelijk is de boodschap echter juist zeer gericht op behoud van de Joodse tradities. Het zet zich af tegen al te veel assimilatie met de Hellenistische wereld. In de droom van Judas verschijnt de hogepriester Onias samen met Jeremia. De droom is onderdeel van een groter geheel. Het gaat in 2 Makkabeeën 3–15 voornamelijk over de aanvallen op de tempel onder de Seleucidische vorsten. In 15,1-33 wordt de oorlog tussen de Seleucidische generaal Ni-canor en Judas beschreven. Nicanor besluit Judas en zijn mannen op sabbat aan te vallen.

Tegenover deze blasfemie van Nicanor, die voor de overwinning vertrouwt op zijn eigen verhevenheid en zich heerser van de aarde waant (15,5-6), staat het godsvertrouwen van Judas (15,7): hij doet een beroep op zijn mannen om te vertrouwen op de hemel omdat de Almachtige hen al eerder geholpen had. Hij beargumenteert deze oproep in de eerste plaats door hen moed in te spreken uit de Wet en de Profeten (15,9). Gods trouw aan Israël wordt bewezen in de verhalen over de gevechten die ze vroeger hadden doorstaan en die te vinden zijn in de Schriften.

Maar niet alleen in de Schriften kan men aanwijzingen vinden voor steun van boven, want Judas vertelt in 2 Makkabeeën 15,12-16 zijn droom. In die droom wordt Onias gepresenteerd als de vroegere hogepriester en een voorbidder voor zijn volk. De lezer van 2 Makkabeeën weet dat deze Onias een prototype was van een ijveraar voor trouw aan de Wet. Over hem staat immers geschreven dat ten tijde van de hogepriester Onias de heilige stad in diepe vrede verkeerde: door zijn vroomheid en onverbiddelijke afkeer van overtredingen werden de wetten trouw onderhouden (2 Makkabeeën 3,1-2; zie ook 4,2).

Opvallend in dit droomverhaal is de vorm. In de Griekse literatuur vinden we vaak dat (gestorven) helden verschijnen in dromen. Verschijningen van personen in dromen vinden we verder niet in het Oude of Nieuwe Testament, alleen hier en in Handelingen 16,6-10. In Handelingen past het omdat de droom Paulus oproept de oversteek van het oude Troje naar Griekenland te maken. Zo speelt Lucas dan met klassieke thema’s om de weg van Jezus naar Europa te presenteren.

Dromen in het Nieuwe Testament

Het lijkt erop dat dromen in het Nieuwe Testament minder van belang zijn dan in het Oude. Zo schreef een Duitse geleerde dat God in het Oude Testament misschien wel in dromen sprak, maar dat met de komst van Jezus dromen beschouwd konden worden als straatvuil. Dat klopt al niet met wat we kunnen lezen in latere vroegchristelijke bronnen. Daar vinden we telkens weer dromen die gelezen worden als goddelijke communicatie. Een bijzonder voorbeeld daarvan is de Passio perpetuae. Dat boek pretendeert voor een gedeelte door een vrouw geschreven te zijn en is daardoor al bijzonder. Uniek is dat die vrouw uitgebreid over haar dromen schrijft en dat die dromen door haar gezien worden als een gesprek met het goddelijke.

Ondanks het feit dat dromen in het leven van Jezus minder van belang lijken zijn, klopt het uiteindelijk ook niet dat dromen niet belangrijk zouden zijn in het Nieuwe Testament. Dat Jezus geen dromen als goddelijke communicatie nodig heeft lijkt niet helemaal onlogisch want in navolging van Henoch, Abraham en Mozes zou Jezus een directe lijn hebben met zijn vader.

Dromen vinden we echter wel in die stukken van het Nieuwe Testament waar Jezus niet aanwezig is: voor zijn geboorte en wel in de eerste twee hoofdstukken van Matteüs en ná zijn verrijzenis, in Handelingen. In beide verhalen vinden we de combinatie van schriftteksten en dromen. Petrus haalt in Handelingen 2,16-21 Joël 3,1-5/2,28-32 aan. In dat citaat wordt verhaald dat in de nieuwe tijd de zonen en dochters zullen profeteren, de jongeren visioenen zullen zien en de ouderen dromen zullen dromen. De dromen en visioenen in Handelingen 10 en 16 worden door Petrus in Handelingen 2 met het citaat uit Joël bij voorbaat gelegitimeerd als door God gegeven en zijn dus geloofwaardige dromen.

Ook in vier van de vijf dromen in Matteüs 1–2 vinden we een relatie tussen de droom en een verwijzing naar de Bijbel. In 1,20-25, de tekst over de eerste droom, wordt verteld dat Jozef zich in een zeer moeilijke situatie bevindt. Volgens de Wet (vergelijk Deuteronomium 24,1) moet hij zijn vrouw verlaten. Omdat hij een rechtvaardig man is, wil hij geen schandaal maken en besluit hij Maria heimelijk te verlaten. Een engel in een droom wijst een andere weg (1,20-23). In die droom wordt verwezen naar een profetie over een maagd/meisje in Jesaja 7,14. Het kind dat geboren zal worden is de vervulling van het woord van God, zoals de profeet gesproken heeft.

Jozefs plan om Maria weg te zenden wordt overstemd door een combinatie van twee goddelijke openbaringen. De droom is geloofwaardig omdat de boodschap van de droom dat Maria een kind zal baren uit de heilige Geest, bevestigd wordt door een profetie uit de Schrift. Droom en Schrift wijzen Jozef een nieuwe weg.

Het zijn de magoi die de volgende droom ontvangen (2,12). Het Griekse woord dat hier gebruikt wordt, kan in die taal ook droomuitleggers betekenen. En zo zijn ze natuurlijk uitermate geschikt om dromen te interpreteren. Hun droom is de afsluiting van de passage over hun bezoek aan Jezus. Wat ze in de sterren gezien hebben is uitgekomen en nu gaan ze huiswaarts. Voor hen geen schriftcitaat of een verwijzing naar de Schrift. Wellicht is dat ook wel passend omdat verwijzingen naar de Schrift natuurlijk vooral een binnen-Joods argument zijn.

In de volgende droom wordt Jozef gezegd om naar Egypte te gaan (2,13). Door naar Egypte te gaan, redt hij een kind van een groot gevaar. In een voor Matteüs typerend vervullings-citaat wordt verwezen naar Hosea 11,1. Voor de lezer is dat een bevestiging dat ook deze droom een openbaring van God is. In 2,19-23 wordt Jezus’ verhuizing van Egypte naar Nazaret geopenbaard in twee met elkaar verbonden dromen. Deze dromen samen worden vervolgens in 2,23 gelegaliseerd in de afsluiting op de verhalen over de kinderjaren van Jezus door een nieuwe verwijzing naar de Schrift. Dit keer horen we niet over een bepaalde passage, maar vinden we een meer algemene verwijzing.

Geloofwaardig dromen

De grote Joodse geleerde Abraham Joshua Heschel stelt ergens dat het Joodse denken en leven alleen adequaat kan worden begrepen in termen van een dialectisch patroon, dat tegenstellingen omarmt. Als in een magneet, waarvan de uiteinden tegengestelde magnetische eigenschappen hebben, zijn bepaalde concepten tegengesteld aan elkaar en illustreren ze een polariteit die in het hart van het Jodendom ligt.

Als we kijken naar de verschillende opvattingen over dromen en visioenen in Bijbelse tradities kunnen we ook dergelijke polariteiten ontdekken. Dat geldt ook voor het denken over dromen als goddelijke communicatie. Sommige dromen (misschien wel de meeste) zijn het resultaat van veel zaken gedurende de dag (zie Prediker 5,2, of 5,3). Andere dromen werden als belangrijker erkend (bijvoorbeeld als profetie). In sommige teksten worden de dromen gepresenteerd als communicatie met het goddelijke, terwijl in andere teksten wordt gewaarschuwd voor dromen. In Numeri 12,6-8 wordt echter expliciet gezegd dat dromen en visioenen een manier zijn om boodschappen van God over te brengen.

We zien dat er in de Tweede Tempelperiode criteria ontstaan voor welke dromen betrouwbaar en geloofwaardig zijn. Een verbinding tussen dromen en Schrift wordt impliciet een criterium voor de geloofwaardigheid van dromen. In 2 Makkabeeën 15, in Handelingen en in Matteüs 1–2 worden goddelijke openbaringen in een droom gelegitimeerd door de goddelijke openbaring van de Schrift.

Ten slotte

Wat is nu de relevantie van het bovenstaande voor de mensen van 2021? In onze cultuur worden dromen vaak als bedrog gezien. De Bijbelse schrijvers zagen in dromen goddelijke communicatie die te denken gaf. In de meeste culturen worden dromen nog steeds op een of andere manier serieus genomen als bronnen van kennis over het leven. Er zijn veel voorbeelden van mensen uit het heden en verleden die op grond van hun dromen tot bijzondere daden kwamen. Wellicht is het goed om meer aandacht te geven aan het feit dat dromen dus vaak mensen aan het denken zetten. En denken kan nooit kwaad.

Bart J. Koet is hoogleraar Nieuwe Testament en vroegchristelijke letterkunde, aan de School of Catholic Theology van de Tilburg University.

Literatuur

Jean-Marie Husser, Dreams and Dream Narratives in the Biblical World (Sheffield: Sheffield Academic Press, 1999).

Bart. J. Koet, Dreams and Scripture in Luke-Acts. Collected Essays (Leuven: Peeters, 2006).

Bart. J. Koet, “Divine Dream Dilemma’s: Biblical Visions and Dreams.” in Dreaming in Christianity and Islam: Culture, Conflict and Creativity, red. Kelly Bulkeley e.a. (New Brunswick (New Jersey)-London: Rutgers University Press, 2009), 17-31.

Bart. J. Koet, “Introducing Dreaming from Hermas to Aquinas.” in Dreams as Divine Communication in Christianity: from Hermas to Aquinas, red. Bart J. Koet (Leuven: Peeters, 2012), 1-21.

Tags:

Meer Bijbel en exegese