< Terug

Bijbellezen volgens Karel Deurloo – bijbelse theologie

Dit is een gedeelte uit hoofdstuk 7 van De tekst mag het zeggen. Bijbellezen volgens Karel Deurloo.

Wat Deurloo in zijn bijbels-theologische werk wil doen, is bescheiden. ‘Binnen de grote diversiteit van het bijbels getuigenis wilde ik iets thematisch aanwijzen, dat tegelijk samenhang binnen de verzameling van boeken in het licht zou stellen’, schrijft hij in het voorwoord van deel 1 van de Kleine bijbelse theologie waaraan hij begon (Exodus en Exil, 7). Hiervan verschenen vier delen, Exodus en Exil (2003), Koning en tempel (2004), Onze lieve vrouwe baart een zoon (2006) en Schepping van Paulus tot Genesis (2008).
1

Het midden van het Oude Testament

Deurloo werpt in het voorwoord van Exodus en Exil al meteen de vraag op wat het ‘midden’, het centrale thema van Tenach is. Het antwoord ‘JHWH is de God van Israël en Israël is het volk van JHWH’ is niet onwaar maar wel erg schematisch; dat moet worden uitgewerkt.

Het grote bijbels-theologische thema is natuurlijk de Uittocht. Op vele plaatsen in Tenach wordt als de belijdenis van Israël geponeerd dat JHWH, de God van Israël, zijn volk bevrijdde uit Egypte (denk bijvoorbeeld aan de aanhef van de Tien Woorden, Exodus 20:1). Maar het eerste deel van deze serie heet niet voor niets Exodus en Exil. Deurloo vult het getuigenis over de Uittocht meteen aan. Hij gaat niet zo ver als de profeet Jeremia, die stelt dat ooit niet meer over JHWH gesproken zal worden als degene die Israël heeft doen opgaan uit Egypte maar als degene die hen heeft teruggevoerd uit alle landen waarheen hij hen had verdreven (Jeremia 16:14-15; 23:7-8). Maar hij meent wel dat die terugkeer uit ballingschap een essentiële aanvulling hoort te zijn van Israëls belijdenis. Beide thema’s zijn met elkaar verbonden, de terugkeer uit de ballingschap kan als een directe actualisering van de uittocht worden gezien:

‘Als Daniël in de nood van de ballingschap bidt, zegt hij als hij met zijn smeking bij de kern is aangekomen: “Nu dan, Adonaj onze God, die uw volk uit het land Egypte hebt doen uittrekken met een sterke hand; gij maakte een Naam, als op deze dag … Adonaj, hoor toch! Adonaj, vergeef. Adonaj, merk op!” (Daniël 9:15,19). Op grond van zijn Naam in de exodus wordt zijn Naam aangeroepen in het exil.’ (Exodus en Exil, 61).

Daarmee krijgt Tenach niet een, maar twee brandpunten. Deurloo gaat eerst in op de uittocht, en daarbij zoekt hij naar een evenwicht tussen de verticale en de horizontale lijnen: enerzijds is die uittocht een puur geschenk, en is het de Heer die alleen handelt, waarbij het volk slechts getuige is (vgl. Exodus 14:14). De andere kant is echter, dat vervolgens dat volk voluit wordt ingeschakeld. Eerst was het al Mozes, door wiens hand de feitelijke uittocht plaatsvindt: hij moet naar de Farao gaan. Maar ook het hele volk moet actief deelnemen, en dat blijkt uit een detail. Liever dan dat God ‘het volk uitleidde’ vertaalt Deurloo ‘deed optrekken’; dat optrekken moeten ze namelijk zelf doen. Uittocht vraagt allereerst participatie en gehoorzaamheid, daarom klinkt bijvoorbeeld in Exodus 24:7 als antwoord op de woorden van de wet: ‘Wij doen het, wij horen het!’ Die vreemde volgorde wordt begrijpelijk wanneer je beseft dat gehoorzaamheid, het horen, en het kennen van JHWH intens met elkaar samenhangen en de praktijk daarbij vooropgaat:

‘Wie niet de weg van de uittocht gaat, wie het verhaal van de exodus niet (be)leeft, weet niet wie JHWH is. Wie niet de Tien Geboden praktiseert, zal niet weten wat de Godsnaam betekent’ (Exodus en Exil, 59).

Dat wordt geïllustreerd met enkele kernteksten. De profeten doen daarbij voluit mee, zoals Hosea 4:1-3 waar de ware godskennis blijkt te bestaan uit gerechtigheid en solidariteit, maar ook de Psalmen, en óók ineens een citaat van Calvijn: ‘Alle rechte Godskennis wordt uit de gehoorzaamheid geboren’.

De Naam

Het geheim van de godsnaam is altijd een centraal element geweest in Deurloo’s denken, maar hier kan dat nu eens uitvoerig worden uitgewerkt. Het gaat bij de naam JHWH niet om dwepen met heilige letters met magische kracht. JHWH is een in de regio rond Palestina gangbare godsnaam, die vroeger wel degelijk werd uitgesproken en die ook voorkomt in zegen- en vloekteksten (amuletten) die mogelijk uit niet-Israëlitische kring komen, en waar JHWH zelfs een vrouwelijke tegenhanger heeft. Het gaat om het vóórkomen van die Naam in de geschriften, en dan is de openbaring daarvan direct verbonden met de bevrijding uit Egypte. In Exodus 3:14 wordt de Naam uitgelegd als ‘Ik ben die ik ben’, en moet Mozes aan het volk melden: ‘Ik ben heeft mij tot jullie gezonden’. Is daarbij het eerste of het tweede ‘ik ben’ bedoeld? Toch wel het tweede: JHWH is in wezen zoals hij zich laat kennen, zoals hij er-zal-zijn, bij Mozes en bij zijn volk, om hen te bevrijden.

Om de verhouding tussen deze bijzondere godsnaam JHWH en de meer gewone aanduiding ‘God’ duidelijk te maken moeten we een hoofdstuk verder in het boek Exodus kijken. Mozes probeert diverse keren onder zijn opdracht uit te komen. Hij beroept zich onder meer op zijn gebrekkige spreekvaardigheid in het openbaar en krijgt dan te horen dat zijn broer Aäron al op weg is om zijn woordvoerder te worden. Dat wordt door JHWH als volgt verwoord:

‘Hij zal voor jou tot mond zijn

en jij zult voor hem zijn tot God’ (Exodus 4:16).

Over die merkwaardige woorden denkt Deurloo door:

‘Bestaat “God”? Hij is er met zijn Naam, hij gebeurt als JHWH in Mozes die de rol van God moet spelen. Zo zal JHWH zijn volk doen opgaan uit Egypte door de zending die Mozes moet volbrengen: Ik ben mét jou en jij zult het volk doen uittrekken. Daarom zal de stem op de Sinaï spreken: “Ik ben JHWH je God, die je uit het land Egypte, uit het diensthuis heb doen uittrekken.” Daarmee begint bijbels-theologisch alles. Wie “Israël” zegt, zegt van meet af aan: Exodus. Het begint te Rameses, na het Pesachmaal, maar dat begin is gegrond in de Godsnaam, die zich in de zending van Mozes, als “God” op aarde, voltrekt op de Godsberg (Exodus 3:1). Waar wordt duidelijker dat JHWH gans en al het woord “God” bepaalt?’ (Exodus en Exil, 48-50).

Dit is een lastige, ook wat hermetisch geformuleerde passage, die ik heb opgenomen omdat het om een centraal punt gaat. Al vaker heeft Deurloo benadrukt dat het woord ‘god’ op zich een vrij nietszeggend woord is. Zelfs dat Israël maar één God belijdt is niet uniek, een punt dat Miskotte al maakte: ‘Monotheïsme is niet bijzonder’ (Bijbels ABC, 35). Het gaat erom hoe die Naam wordt ingevuld en waar die voor staat. Voor Israël ‘vult’ de naam JHWH heel het begrip ‘god’, zodat er daarnaast niets meer overblijft dat ook god mag heten.

Tegelijk wordt benadrukt dat Mozes bij dat ‘er zijn’ van God een beslissende rol speelt. Dat bleek al uit Exodus 3:9-10, waar de beslissing van godswege om het volk uit te leiden concreet betekent dat Mozes in actie moet komen en naar farao moet gaan. Het ‘er zijn’ van JHWH moet in zijn optreden gestalte krijgen. Eerder had Deurloo dat trouwens nog iets gewaagder gezegd:

‘IK BEN (God) heeft mij gezonden.
Vragen naar de naam van God is niet opgaan in de ijle mist van de religie, maar:
namens deze God
in zijn naam
spreken en handelen
alsof je hem bent
Tenslotte neemt Mozes de staf ter hand.
Wie God naar zijn naam vraagt, moet weten wat hij doet:
Hij neemt het risico zelf die rol van God te moeten spelen. Als je naar zijn naam vraagt, loop je de kans dat je ‘m bent!’ (Een vreemdeling in ons midden, 42-43, curs. KAD).

Dat is óók uitleg van diezelfde tekst Exodus 4:16, maar een stukje spannender dan de wat meer bezonken formulering in Exodus en Exil, al wil hij beide keren zeggen dat de mens in de rol van God moet stappen.

We zien hier opnieuw een voorbeeld van het heen en weer tussen detailexegese en bijbels-theologische resultaten, en dat is methodisch interessant. Wanneer de uitkomst van de exegese van een bepaalde tekst, hier Exodus 4:16, zó nauwkeurig aansluit bij wat bijbels-theologisch gewenst is, vraagt de strenge exegeet zich als vanzelf af: klopt dat wel? Wordt hier niet naar een resultaat toegewerkt? Die vraag mag zeker gesteld worden, want de meeste exegeten zullen hier een veel prozaïscher uitleg geven van het bijzondere gebruik van elohim, God, in dit vers. Dat Hebreeuwse woord heeft een vrij breed scala aan betekenissen, wijder dan ‘godheid’, zodat er ook andere verklaringen denkbaar zijn dan het theologisch geladen ‘zelf de rol van God moeten spelen’. Maar in dit geval is ook de wedervraag toegestaan: of die nuchtere exegeten niet een laag in de tekst missen die wél bovenkomt wanneer je de tekst in zijn canonische verband en in zijn volledige theologische zeggingskracht laat klinken. Ik zou het in dit geval wel durven opnemen voor deze creatieve exegese.

Dit is een gedeelte uit hoofdstuk 7, Bijbelse theologie, van
De tekst mag het zeggen. Bijbellezen volgens Karel Deurloo,
Joep Dubbink, KokBoekencentrum, 2020.

< Terug