< Terug

Bonifatius, apostel van Duitsland?

Reinhard Abeln (red.), Bonifatius. Apostel der Deutschen, Kevelaer: Topos Verlag, 2009, 91 pp., € 9,95, ISBN 9783836706926.
Dorothee von Kügelgen, Bonifatius. Apostel der Deutschen, Fulda: Parzellers Verlag, 2018, 304 pp., € 25, ISBN 9783790005240.

Nationale perspectieven in de historiografie van de kerstening

De overgang van inheemse religies naar het christendom in de vroege Middeleeuwen lijkt een fenomeen van Europese proporties. Of toch niet? Hoe anachronistisch is het om de kerstening te beschrijven in termen van een nationale eenheid die pas eeuwen later ontstond? Het in 1842 in Fulda opgerichte monument voor Bonifatius, Germanorum Apostolus, lijkt met de combinatie geen moeite te hebben. Deze gespierde Bonifatius is een voorloper van het dertig jaar later in Dettmold opgetrokken gedenkteken voor Arminius ofwel ‘Hermann der Cherusker’. Recent hebben Dieter Vorsteher-Seiler en anderen in de bundel Straße der Monumente. Nationaldenkmäler des Deutschen Kaiserreiches (Dresden, 2015) gesteld dat kerkgeschiedenis in de negentiende eeuw opging in nationale geschiedenis. Ze voeren de enscenering van Luthers Wartburg aan als bewijs voor die stelling. Zelfs de rooms-katholieken gingen na hun Kulturkampf met Bismarck geloof beschrijven in termen van nationaliteit. Een voorbeeld is het boek van pater Joseph Johann Laux: Der heilige Bonifatius. Apostel der Deutschen (Freiburg im Breisgau, 1923). Hoezeer dit Duitse nationalisme zich later in de twintigste eeuw heeft gecompromitteerd is maar al te bekend. Recent verscheen van rooms-katholieke zijde de bundel Bonifatius. Apostel der Deutschen, onder redactie van Reinhard Abeln (Kevelaer, 2009). Het boek van Laux werd in 2015 integraal herdrukt door de Verlag der Wissenschaften (Norderstedt, 2015). Von Kügelgen kiest voor haar boek precies dezelfde titel als Laux en Abeln. Wat zegt dat over haar interpretatie van de kerstening? Bestaat een ‘nationale’ inkadering van de overgang tot het christendom wellicht ook elders? Met het oog op deze vragen wil ik eerst kort ingaan op enkele aspecten van de Bonifatius-receptie in Groot-Brittannië en in Nederland. Daarna zal ik terugkomen op de genoemde Duitse titels.

Engelse historiografie

De Engelse literatuur over de kerstening is in Noord-Europa uniek. Het is niet moeilijk te zien waarom dat zo is: de Britse rijkdom aan zowel schriftelijke als archeologische bronnen over de opkomst van het christendom in de zes eeuwen tussen 400 en 1000 wordt nergens geëvenaard. In de negentiende eeuw kon J. Franck Bright dit hele tijdvak beschrijven als een doorlopend verhaal. Hij deed dat aan de hand van een keur aan toen al gepubliceerde basisdocumenten (‘England before the Conquest’, in A History of England, Oxford, 1880). De gedetailleerde Historia Ecclesiastica Gentis Anglorum van Beda Venerabilis, die de gebeurtenissen beschreef als tijdgenoot, is de belangrijkste maar zeker niet de enige van deze bronnen. Bright kon het kersteningsproces op de Britse eilanden bestuderen vanuit verschillende invalshoeken. Er stonden Ierse bronnen ter beschikking (Patrick), inheems-Britse (Gildas), Angelsaksische (Beda), Schotse (Adomnan van Iona) en continentale. Daar kwam nog bij dat Groot-Brittannië een van de eerste landen ter wereld was waar de archeologie zich ontwikkelde als een zelfstandige discipline. Al in de eerste helft van de twintigste eeuw werden veel locaties die verband hielden met de kerstening archeologisch onderzocht en toegankelijk gemaakt. Whitby op de kust van Yorkshire, het schiereiland Lindisfarne en Hexham Abbey in Northumbria, vormen slechts enkele willekeurige voorbeelden. Het maakt het mogelijk op zulke plekken op drie verschillende manieren te waarderen, die elkaar wederzijds versterken. De eerste aanbevolen stap is om edities van bronteksten over de betreffende plaats te lezen (wat in onze tijd dankzij het internet beter kan dan ooit). Vaak vallen daarin verschillende perspectieven te onderscheiden: een continentale katholieke visie, de met een wat ongemakkelijke term als ‘Celtic’ aangeduide inheemse versie van het verhaal en tenslotte die van de Angelsaksische nieuwkomers. Het naast elkaar bestaan van deze perspectieven betekent dat een beoordeling niet bij voorbaat vaststaat. Als tweede stap wordt de fysieke ruimte verkend, het landschap en de ligging ervan, de bodemvondsten en de duiding ervan in het licht van de historiografie. De derde stap, zonder welke eigenlijk geen bezoek compleet is, bestaat uit deelname aan de christelijke liturgie ter plekke. De bezoeker houdt dan op de kerkgeschiedenis te analyseren van buitenaf of achteraf en wordt zelf participerend deel daarvan.

De situatie in Groot-Brittannië is zoals gezegd in menig opzicht uniek. Het door Yale University Press gepubliceerde overzichtswerk The Anglo-Saxon World (geredigeerd door Nicholas J. Higham en Martin J. Ryan; New Haven en London, 2013) laat daar weinig twijfel over bestaan. Niet alleen vallen deze Britse dichtheid en onderlinge variëteit aan schriftelijk materiaal in Nederland en Duitsland eenvoudig niet te evenaren, ook valt op dat de bespreking van het onderlinge verband tussen kerkgeschiedenis en archeologie in de Engelstalige wereld verder gevorderd lijkt dan die op het continent. Daardoor is de Britse literatuur over deze periode minder gefixeerd op ‘grote mannen’. Er zijn te veel perspectieven dan dat een enkele persoon geheel in het middelpunt geplaatst kan worden. Natuurlijk, ook in Engeland is het nodige over Bonifatius geschreven. In zijn (vermoedelijke) geboorteplaats Crediton is zelfs een ‘town trail’ aan hem gewijd (Crediton. Birthplace of St. Boniface. Site of the first cathedral in Devon 909AD 1050AD, door Bill Jerman en Ed Rossmiller). Bonifatius blijft in Engeland echter onder velen. Een nationale invalshoek is in Crediton onmiskenbaar, maar binnen randcondities. Zoals bekend beschouwt de Church of England een ‘naadloze’ geschiedenis als ideaal. Van de Rooms-Katholieke Kerk van de Middeleeuwen en via de patristiek reikt het verhaal van het christelijk geloof terug in de door Jezus gestichte oer-gemeente en vandaar in Israël. Archeologie maakt een verankering in de feitelijke plaatselijke geschiedenis mogelijk. De gedachte van een continue traditie maakt het belangrijk om deelaspecten daarvan op elkaar te betrekken. In Crediton was Oliver Cromwell ooit kerkvoogd. Zijn puriteinen lieten weinig heel van het meubilair. Onder invloed van de evangelicale stroming in de Anglicaanse Kerk bleven tenslotte een hoge kansel en lange rijen banken over. Rond 1900 kreeg de hoog-kerkelijke richting de overhand. Wat nu middeleeuws lijkt, bestaat grotendeels uit een laat-Victoriaanse constructie. Kerkgeschiedenis werkt met een veelheid van perspectieven en is daartoe in staat dankzij een veelheid aan materiaal.

Nederlandse historiografie

Leggen we de Nederlandse Bonifatius hiernaast, dan zien we dat een relatieve schaarste aan bronnen de mogelijkheid opent om de kerstening met een relatief grote vrijheid te beschrijven. Dat bevordert het opvoeren van een ‘grote man’, in wiens levensverhaal de gekozen weergave van de kerstening kan worden uitgewerkt en toegelicht. Dit wil ik toelichten aan de hand van het werk van Auke Jelsma en een recent door Luit van der Tuuk geredigeerde bundel.

Voor hij in 1970 als kerkhistoricus verbonden werd aan de Theologische Hogeschool Kampen, werkte Auke Jelsma (1933-2014) vele jaren als gemeentepredikant in de Gereformeerde Kerken in Nederland. Zijn publicaties over de kerstening, vervat in een soepele literaire stijl, weerspiegelen zowel een grondige bronnenkennis als een pastorale attitude – in zijn werk komen zowel de wetenschapper als de literator en de predikant tot spreken. Van belangstelling voor de kerstening gaf hij blijk in De blaffende hond. Aspecten uit het leven van Wynfreth-Bonifatius (Den Haag 1973), zeventien jaar later gevolgd door Met het oog op de kerk van morgen. Willibrord en de kerstening van Nederland (Bolsward 1990). De titels zijn kenmerkend. Jelsma identificeerde zich met Bonifatius, die zich ooit aanduidde als een ‘blaffende hond’: loyaal aan de kerk, bewust van de politieke realiteit, werkend binnen beide kaders maar ‘blaffend’ tegen de misstanden die hij erin aantrof. Zo zag Jelsma ook zichzelf. Dat Bonifatius hem bleef bezighouden bleek na zijn emeritaat in 2003. In de aanloop naar het herdenkingsjaar 2004 (twaalfhonderdvijftig jaar na de moord in Dokkum) verscheen bij Meinema in Zoetermeer een volledig herschreven editie van het boek van 1973: Bonifatius. Zijn leven, zijn invloed. Bovendien liet Jelsma in eigen beheer (uitgeverij eSplanade) een broneditie verschijnen: Het leven als Leerschool. Preken van Bonifatius. Als expert op dit terrein was hij zich bewust van het uitzonderlijke belang van documenten die (anders dan de latere levensbeschrijvingen) stammen uit de tijd van Bonifatius zelf: zijn brieven, zijn preken.

Van nationalistische intenties is geen sprake. Toch laten de publicaties van Jelsma zich probleemloos in een concreet aanwijsbaar kader plaatsen: het Nederlandse protestantisme tussen 1973 en 2003. In bewegingen als Jeugd en Evangelie was Jelsma onder de indruk gekomen van de kerk als een vitale en stimulerende kracht in de morele wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog. Het bracht hem tot de keus om predikant te worden. In die functie en later als kerkhistoricus werd hij wel steeds kritischer: over het volgens hem vaak onnodig dwingende karakter van de kerk (hij schreef met empathie over de velen die er in de loop van de geschiedenis het slachtoffer van werden), over de verbinding met het kapitalistische en militaire geweld van de staat. De portetten van Bonifatius in 2003 hebben veel in zich van Jelsma: een man die gaandeweg meer op afstand is komen te staan van de kerk als instituut; die genieten kan van fijnzinnig contact met anderen en zeker ook met vrouwen, die literair begaafd is; een figuur die de machtigen van de wereld durft te bekritiseren; iemand die daarnaast ook de zelftwijfel kent en die langzaam toegroeit naar een meer persoonlijke spiritualiteit. Deze karakteriseringen worden historisch onderbouwd maar ze laten zich evengoed lezen als een preek. Net als bij zijn lezing van de Bijbel probeerde Jelsma om de figuren in het verhaal te ‘herkennen’, en zo inspirerend te maken voor zijn eigen tijd. Deze homiletische intentie kon met een archeologische benadering weinig beginnen. Geen wonder overigens, want anders dan in Engeland was deze invalshoek in Nederland zelfs nog rond 1970 nauwelijks doorgedrongen tot de beoefening van de kerkgeschiedenis. Jelsma ging het om heel iets anders, om inspiratie voor de ‘kerk van morgen’. Gaandeweg verschoof het accent enigszins naar de gelovige van morgen. Hij worstelde met de meer agressieve kanten van Bonifatius’ optreden, net zoals hij dat op de kansel deed met de bloeddorst van Jozua. Archeologie, bijbels-kritische analyse of neutrale wetenschap konden daar niet helpen. In de door hem beoogde ‘leerschool’ voor het leven (zie de titel van de prekeneditie) gaven theologische criteria de doorslag. Een Bonifatius die de hardhandige ‘pacificatie’ van heidens gebied door de Franken doelbewust nastreefde paste daar niet bij, evenmin als een Bonifatius die in 754 zijn metgezellen meenam in een tevoren geënsceneerde martelaarsdood in Dokkum. Het weerspiegelt de context waarin Jelsma zelf leefde. De weergave van de worsteling van Bonifatius om genade te vinden in de ogen van God, oogt bovendien als typisch protestants.

Luit van der Tuuk, conservator van museum Dorestad, redigeerde in 2016 de bundel Bonifatius in Dorestad. De evangeliebrenger van de Lage Landen 716 (Utrecht 2016). Deelnemende auteurs in deze bundel zijn de protestantse predikanten Piet de Jong, Henk Kroese en Rebecca Onderstal, en aan rooms-katholieke zijde bisschop Gerard de Korte, de Tilburgse hoogleraar Paul Post, Kees Slijkerman (actief in de beweging voor Katholieke Charismatische Vernieuwing) en priester Anton Vernooij. Net als bij Jelsma staat bij hen de vraag naar de spirituele doorwerking van Bonifatius centraal, zijn relevantie voor gelovigen in het heden. In 2016 klinkt sterker dan voorheen het besef door dat christendom inmiddels ‘op zijn retour’ is (Onderstal, 116). Het door Bonifatius ingeluide christelijke tijdperk geschiedenis lijkt grotendeels alweer voorbij: voor het merendeel van de Nederlanders is de kerstening een gepasseerd station. Voor Post betekent dit dat aandacht voor het erfgoed van Bonifatius verschuift naar seculier terrein. Toe-eigening vindt plaats op zes verschillende velden: devotie (niet langer noodzakelijk kerkelijk aangestuurd), historisch erfgoed, kunstgeschiedenis, politiek (Bonifatius als middel om plaatsen als Dokkum of Fulda te profileren), toerisme en tenslotte het ‘bovennatuurlijke’ (een hardnekkig voortlevend en in onze tijd wellicht zelfs weer toenemend geloof in wondergenezingen). Hoewel Van der Tuuk daar gezien zijn functie zeker toe in staat zou zijn, is de discussie met de archeologie niet gezocht. Een integratie van archeologische en kerkhistorische data die licht werpen op het tijdperk van de kerstening, zoals in de Anglo-Saxon World, vormt in ons land nog steeds een desideratum. De afwezigheid van zo’n geïntegreerd beeld levert wel ruimte om het beeld van Bonifatius vanuit eigen context opnieuw te formuleren.

Bonifatius als apostel van Duitsland

Het bekendste Bonifatius-bedevaartsoord in Duitsland is Fulda, de plek waar zijn gebeente rust in een barok praalgraf onder de Dom en waar onlangs het hieronder te bespreken boek van Von Kügelgen is verschenen. Fulda is een mooi plaatsje aan de rivier, maar de geschiedenis presenteert zich er als een complexe en niet altijd opwekkend stemmende aangelegenheid. Het oorspronkelijke klooster van Bonifatius is al lang geleden verwoest. Eindeloos is hier gevochten: in de Middeleeuwen, tijdens de godsdienstoorlogen van de zestiende en zeventiende eeuw, door Gustaaf Vasa, door de hertog van Marlborough, door Napoleon. Het geweld sloeg geregeld over naar kwetsbare minderheden. De middeleeuwse joodse gemeenschap werd slachtoffer van de pogroms, bovendien fungeerde Fulda enige tijd als een centrum van heksenverbrandingen (een monumentje herinnert eraan). Op het nationalisme van de negentiende eeuw, met een heroïsche bronzen Bonifatius, volgden de ontsporingen van de nazi-tijd. Opnieuw ging een joodse gemeenschap ten onder, de bombardementen volgden, iets verder naar het Oosten werd vanaf 1948 het IJzeren Gordijn opgetrokken. Tot de gouden rand van de Bondsrepubliek behoort de plaats niet en het contact tussen autochtonen en islamitische immigranten verloopt niet zonder frictie. In 2020 kent Fulda een nadrukkelijke aanwezigheid van rechts-nationalisten, terwijl de vroeger dominerende rooms-katholieke kerk leden verliest. In het ‘Jerusalem Park’, op de plek van de verdwenen joodse begraafplaats, wordt bier gedronken en is in de gedenksteen onhandig een hakenkruis gekerfd.

De vraag laat zich stellen: wat heeft de overgang naar het christendom dit deel van de wereld gebracht? Het is het thema van de door Reinhard Abeln geredigeerde bundel Bonifatius. Apostel der Deutschen (Kevelaer, 2009). De meeste bijdragen zijn rooms-katholiek. Uitgangspunten zijn vaak nog dezelfde als die bij pater Laux: de vorming van een Duitse natie is pas mogelijk worden door de kerkelijke en bestuurlijke orde die werd aangebracht door figuren als Bonifatius. Samenbindende factoren zijn vereniging tot één volk en toetreding tot de kerk van Jezus Christus (Laux, 270). In dat laatste zit een element dat nationaliteit overstijgt. Bonifatius was een man die de voor dat programma noodzakelijke kerkelijke en politieke structuur kwam brengen. Anders dan Jelsma hebben de auteurs in Bonifatius. Apostel der Deutschen weinig moeite om te accepteren dat hij het Frankische leger inzette om zijn doel te verwerkelijken en evenmin dat hij zijn eigen dood in Dokkum mogelijk bewust zocht – eveneens als middel tot een gesteld doel. Overeenkomst met Jelsma is wel weer dat deze Duitse Bonifatius nadrukkelijk tot voorbeeld dient voor de levenden. Door niemand is dat beter verwoord dan door paus Johannes Paulus II, die in 1980 kwam bidden bij het graf van Bonifatius en vervolgens de bevolking toesprak op de Domplatz:

“Mit Bonifatius begann gewissermaßen die Geschichte des Christentums in Eurem Land. Viele sagen, diese Geschichte neige sich jetzt ihrem Ende zu. Ich sage Euch: Diese Geschichte des Christentums in Eurem Land soll jetzt neu beginnen, und zwar durch Euch, durch Euer im Geist des heiligen Bonifatius geformtes Zeugnis!” (tekst naar bidprentje in de dom van Fulda)

De pauselijke boodschap is duidelijk: een menswaardige samenleving is afhankelijk van een vitale kerk. Daarover komen in deze bundel niet alleen bisschop Karl Kardinal Lehmann van Mainz en bisschop Heinz Josef Algermissen aan het woord, maar verassend genoeg ook bondskanselier Angela Merkel:

Auch als Protestantin habe ich immer sehr gut verstanden, dass Frauen und Männer, die aus der Kraft ihres Glaubens heraus Großes in ihrem Leben geleistet haben, in besonderer Weise als Vorbilder herausgestellt werden. Als Vorbild hat der heilige Bonifatius den Menschen etwas sehr Wesentliches zu sagen. […] Die große Leistung des heiligen Bonifatius bestand vor allem darin, keine faulen Kompromisse zuzulassen. Er hat das Christentum in seiner unverfälschten Gestalt aufgezeigt und es von entstellenden Zusätzen befreit. […] Unsere abendländische Kultur, unser Freiheitsverständnis, unsere Auffassung von Humanität – all das hätte sich im Laufe von Hunderten von Jahren nicht so entwickelt, wie es sich entwickelt hat, hätte es nicht die Mission des heiligen Bonifatius und anderer christlicher Missionare gegeben (52-53).

Het beeld van Bonifatius dat zo in de Duitse literatuur naar voren komt is veel assertiever dan dat in de Engelse of Nederlandse. Humaniteit kan niet zonder samenwerking van overheid en kerk en die laatste kan niet zonder persoonlijke overtuiging van de christenen. Dat de kerk bij de kerstening samenwerkte met het Frankische gezag was een principieel juiste beslissing, zonder welke alleen nog maar meer slachtoffers gevallen zouden zijn. Net zomin als voor Bonifatius toen is het voor christenen nu mogelijk zich te onttrekken aan de politiek. Merkel tekent haar bijdrage over Bonifatius als ‘Bundeskanzlerin und CDU-Vorsitzende’.

Na deze inhoudelijke voorzet probeert Dorothee von Kügelgen dit beeld van de ‘Apostel der Deutschen’ te voorzien van een historisch passe-partout. Duitsers, zo legt ze uit, bestonden in Bonifatius’ tijd nog niet. Wel waren er mensen die dat mogelijkerwijs konden worden. Daar klinkt iets door van Merkels bekende uitspraak ‘Wir können das schaffen’. Grootschalige migratie van volken was een kenmerk van de tijd van Bonifatius, net als van die van ons. Mits goed geleid heeft die migratie de potentie om nieuwe krachten in de samenleving los te maken en tot een nieuwe harmonie te komen. Het christendom was wezenlijk verbonden met het schrift en met een geestelijke stand. Volgens Von Kügelgen maakt dat de kerk tot een instituut dat niet kon functioneren zonder een stedelijke infrastructuur en zonder bescherming van de staat. Het levenswerk van Bonifatius bestond eruit om ervoor te zorgen dat aan deze voorwaarden werd voldaan. Zo kon gewerkt worden aan nieuwe eenheid. Mensen van verschillende achtergrond werden in de nieuwe politieke orde tot Franken. Het is een visie die ze zelfs op Friesland projecteert. Kerstening hield verlies in van het Friese karakter – een gedachte waar niet iedereen in het huidige Friesland het mee eens zal zijn, maar die in het naburige Groningen zou kunnen opgaan. Een volgende stap was om van die nieuwe Franken ook christenen te maken. Beide delen van het proces waren onderling verbonden: ‘Der Stammesgott der Franken war seit Chlodwigs Taufe der Christengott, d.h. mit der Taufe wurde man Franke.’ (17) Het is aannemelijk dat Angelsaksen, Franken en Saksen elkaar redelijk goed konden verstaan, hun talen waren immers nauw verwant. Het bood een veelbelovend uitgangspunt voor integratie.

Toch is de gedachte van kerstening als een geslaagd project van integratie volgens Von Kügelgen helaas een vorm van ‘wishful thinking’. Bonifatius wilde helemaal niet opgaan in een nieuw te vormen Frankische natie, maar hield hardnekkig vast aan zijn Angelsaksische identiteit. Heel zijn carrière lang probeerde hij om stamverwanten op hoge posities benoemd te krijgen. Een van zijn eerste Frankische medewerkers was Gregorius, de latere bisschop van Utrecht. Uiteindelijk zou het Karolingische Rijk de wieg gaan vormen van de nationale verbanden van Duitsers en Fransen. De aanduiding ‘apostel van de Duitsers’ wordt door Von Kügelgen echter veel kritischer besproken dan bij voorbeeld bij Abeln het geval is. Het idee van het Frankische christendom als een nieuwe inclusieve orde, verwelkomend voor nieuwkomers, gaat volgens haar eenvoudig niet op. Ze illustreert dat aan de hand van een elders zelden opgemerkte passage in Bonifatius’ brieven over de heidense Slaven. Hen te dopen achtte hij niet nodig, zelf eventuele tienden uit hun hand zei hij te zullen weigeren (117). Dat lijkt wel heel sterk op de Teutoonse ridders van vijfhonderd jaar later, die de bevolking van het huidige Litouwen eveneens liefst heidens zagen blijven – restricties aan de manier waarop de strijd tegen hen gevoerd werd bestonden dan niet. De vraag of Bonifatius heeft bijgedragen aan een humaan Europa moet daarom voorlopig open blijven. Het antwoord van kanselier Merkel klinkt optimistisch en inspirerend, maar alleen al de geschiedenis van Fulda vormt een aansporing om de gevaren van een vereenzelviging van christendom en nationaliteit niet te negeren. Afgezien daarvan is het boeiend om de verschillende reacties die Bonifatius oproept in Engeland, Nederland en Duitsland waar te nemen. Blijkbaar bestaat er ruimte om zijn optreden vanuit meer dan één invalshoek te benaderen. Mocht de feitelijke kennis over Europa in het tijdvak van de kerstening toenemen, dan valt te verwachten dat de bandbreedte op den duur minder groot zal worden.

Gert van Klinken

< Terug