< Terug

Bouwstenen voor de hel

De spanning in de gemeente(n) die door Judas zijn aangeschreven, moet erg groot zijn geweest. Hij wilde, zo lezen we in vers 3, aanvankelijk schrijven over redding, maar hij heeft het over goddelozen (4.15) en daarbij trekt hij een bijzonder laadje open, dat van hel en verdoemenis. Hij gebruikt (in de Nieuwe Bijbelvertaling) woorden als vonnis (4.15), dood (5), oordeel (6.15) straf (7.9) vuur (7.23) en diepste duisternis (13). Tom Naastepad noemde dit schrijven treffend een ‘hijgende brief waarin de verontwaardiging tot kookhitte komt’.

In dit korte briefje vinden we dus al bouwstenen voor de verbeelding van de hel, ook al lijkt die verbeelding niet direct aan het briefje ontleend. Er is, in en door latere tijden, meer sprake van een herkenning die, in delen van onze geschiedenis, treffend werd geacht.

Andere bouwstenen hebben meer invloed gehad. Zo werd de hel met gebruik van een antiek motief soms gepersonifieerd door Hades. Vervolgens vinden we ongeveer vanaf het jaar 1000 in het westen de voorstelling van de hel als een monsterachtige beestenmuil met scherpe tanden en rook spuwend. Dit sluit aan bij de beschrijving van de Leviathan in het boek Job (41,5.10-12). Gaandeweg wordt de voorstelling ingewikkelder omdat men elke misdaad zijn eigen vergelding wilde doen toekomen (zie Dante’s Inferno) en door het onderscheid dat men ging maken tussen de hel en het vagevuur. Dante zal overigens de hellevoorstellingen van de volgende eeuwen blijven beheersen totdat de ontwikkeling van het motief verdwijnt uit de beeldende kunst. Niet echter uit de literatuur die een eigen, meer eigentijdse invulling zal gaan geven. Jean Paul Sartre bijvoorbeeld in zijn ‘Huis Clos’ (1943) waarin hij de hel omschrijft met de woorden: ‘L’Enfer c’est les autres’. En Eric-Emmanuel Schmitt die in zijn ‘Hôtel des deux mondes’ (1999) een ruimte (hotel) beschreef waarin de personages zich bevinden tussen leven en dood. Het kan voor hen nog beide kanten op. Klassiek gezegd: naar de hemel of de hel. Ook in de muziek en film bleef het thema levend. Te vaak om er hier in dit bestek voorbeelden van te noemen.

Een zeldzame voorstelling van het vagevuur vinden we in het Getijdenboek van Catharina van Kleef. Een engel verlost enkele gelouterde zielen om hen naar de hemel te geleiden. In de late middeleeuwen komen ook blokdrukprenten van het vagevuur in omloop en vervolgens worden de uitbeeldingen talrijker in de tijd van de contrareformatie. Vaak is het vagevuur dan een wat mildere zone rondom de hel, maar er zijn ook voorstellingen die soms moeilijk van de hel te onderscheiden zijn. In de hellemuil die hier als vagevuur is afgebeeld zijn de vlammen vreselijk, maar is de redding een opluchting. Tekenend is ook dat het monster weliswaar vier scherpe hoektanden heeft, maar geen snijtanden. En de kiezen zijn gelukkig stomp.

Het kan voor hen nog beide kanten op; naar de hemel of de hel.

Het is gemakkelijk om hier en nu reeds je vingers te branden aan de hel. Anders dan vaak gedacht zijn de bijbelse bouwstenen alleen voor de verbeelding van dit onheilsoord niet genoeg. De geschiedenis toont namelijk dat die bijbelse bouwstenen niet doorlopend zijn gebruikt. Historisch moesten ze passen in een eigen, andere tijd en situatie waarin het beeld kon winnen aan actualiteit. Dat laat echter onverlet dat het briefje van Judas, hoe bescheiden ook, al wel bouwstenen had waarmee gespeeld kon worden – ook al heeft Judas natuurlijk niet kunnen voorzien hoe dat zou gebeuren. Voor hem stond er gewoon heel veel op het spel. Diegenen die in de naam van Christus tegen Christus ingingen heeft hij, in het zich ontwikkelende christendom, gezien als een serieuze dreiging. De toekomst zelf stond op het spel. Daarom heet Naastepads boek met een uitleg van de apostelbrieven ook niet voor niets: Om de langste adem.

Literatuur

• Th.J.M. Naastepad, Om de langste adem: Uitleg van zeven apostelbrieven (Baarn: Ten Have, 2003), 114.

• J.J.M. Timmers, Christelijke symboliek en iconografie (Haarlem 1978-3).

< Terug