< Terug

Brieven in de wereld van het Nieuwe Testament

De brieven in het Nieuwe Testament weerspiegelen in allerlei opzichten de praktijk van het sturen van brieven in de eerste eeuw. Hoe zagen brieven er eigenlijk uit in de oudheid? Wie schreven brieven en hoe werden ze overgebracht? In deze bijdrage staat de praktijk van het schrijven van brieven centraal zoals die bekend geweest zal zijn aan de auteurs van de brieven in de Bijbel.

Romeins schrijfplankje, inktpot, stilus en spatels. Oudheidkundig museum Leiden.
In de wereld waarin de Bijbel ontstond, was de brief het belangrijkste communicatiemiddel.

Bert Jan Lietaert Peerbolte is hoogleraar Nieuw Testament aan de Vrije Universiteit Amsterdam

De 21e eeuw is de eerste fase van de menselijke geschiedenis waarin brieven niet langer het meest gebruikelijke communicatiemiddel zijn voor mensen die op afstand met elkaar willen communiceren. Technologie heeft de brief als middel overbodig gemaakt. In plaats van elkaar brieven te sturen, communiceren we nu via onze computer en smartphone. We kunnen elkaar bellen, ook als we duizenden kilometers van elkaar verwijderd zijn. Door Skype en Facetime kunnen we elkaar zelfs zien terwijl we bellen. Voor kortere communicatie sturen we elkaar berichten op WhatsApp of SMS. Brieven zijn uit de tijd geraakt en alleen wie een formeel bericht stuurt of een echt belangrijke persoonlijke mededeling, schrijft nog een brief.

In de wereld waarin de Bijbel ontstond, was de brief het belangrijkste communicatiemiddel. Anders dan veel mensen denken, waren mensen in de oudheid erg mobiel. Er werd veel gereisd en bij gevolg waren mensen dikwijls verwijderd van hun naasten. De beste manier om dan toch met elkaar in contact te blijven was destijds het zenden van een brief, waarin de zender de ontvanger kon geruststellen over de gezondheid en het leven van de zender en bovendien vragen of goede wensen kon overbrengen.

Geraamte van een antieke brief

In het woestijnzand van Egypte zijn veel persoonlijke brieven uit de oudheid bewaard gebleven. Met name de verzameling van Oxyrhynchus, tegenwoordig bekend als El-Bahnasa, een stad zo’n 160 kilometer ten zuidwesten van Caïro, heeft ons veel inzicht gegeven in de wereld van de antieke brief. Sinds het einde van 19e eeuw zijn in Oxyrhynchus papyri gevonden, waaronder tal van literaire teksten, maar ook juridische documenten en brieven van allerlei aard. De schat aan informatie die deze papyri opleveren is vooral daarom zo waardevol, omdat we dankzij deze vondst een kijkje krijgen in het leven van alledag uit de oudheid, maar ook in de wijze waarop in de oudheid brieven opgesteld werden. In een gezaghebbende studie over brieven in de oudheid heeft Hans-Josef Klauck het geraamte van een antieke brief gereconstrueerd. In zijn reconstructie bevatten verreweg de meeste brieven uit deze periode de volgende structuur:

1. Opening

A. Aanhef

B. Proëmium

2. Centraal gedeelte

A. Opening

B. Middenstuk

C. Afronding

3. Afsluiting

A. Epiloog

B. Postscript

Al deze onderdelen bevatten zelf ook weer standaard elementen die in de meeste brieven terugkomen. Zo is het in de aanhef gebruikelijk te beginnen met de zender, te vervolgen met de ontvanger en af te sluiten met een groet. Het is dan ook bij eerste oogopslag duidelijk dat bijvoorbeeld de brieven van Paulus zijn opgesteld naar het voorbeeld van dit geraamte. De oudste ervan, overigens ook de oudste christelijke tekst in ons bezit, opent duidelijk volgens de regels van de antieke brief: ‘Van Paulus, Silvanus en Timoteüs. Aan de gemeente in Tessalonica, die toebehoort aan God, de Vader, en de Heer Jezus Christus. Genade zij u en vrede’ (1 Tessalonicenzen 1,1) en ook de andere brieven gebruiken dit model.

Privébrieven

Voordat we gaan zoeken naar voorbeelden voor wat is gaan heten ‘apostolische brieven’, is het van belang eerst een blik te werpen op privébrieven uit de oudheid. Een voorbeeld is de brief van ene Apion aan zijn vader:

Van Apion, aan Epimachos, zijn vader en heer: groeten in overvloed!

Voor alles bid ik dat u in goede gezondheid bent en dat het u in alles goed gaat, samen met mijn zuster en haar dochter en mijn broer. Ik dank de Heer Sarapis, want toen ik op zee in gevaar was, heeft hij mij ogenblikkelijk gered. Toen ik in Misenum aankwam, ontving ik reisgeld van Caesar, 10 goudstukken, en het gaat mij goed.

Ik wil u dan graag vragen, mijn heer en vader, om mij een brief te schrijven, allereerst over uw eigen welzijn, in de tweede plaats over dat van mijn broer en zus, en in de derde plaats, opdat ik mijn trouw kan tonen aan uw hand(schrift), omdat u mij goed hebt opgevoed en ik op deze manier hoop goed vooruit te komen, als de goden het willen.

Groet Kapiton hartelijk van mij en mijn broer en zus en Serenilla en mijn vrienden. Ik zend mijn portret aan u via Euktemonos. Mijn naam is Antonius Maximus. Ik bid dat het u goed moge gaan. De compagnie Athenionike.

Deze brief is om tal van redenen de moeite waard. Allereerst blijkt de afzender een Griekse naam te hebben (Apion), maar ook een Latijnse naam (Antonius Maximus). Hij is evident in Romeinse legerdienst, want hij geeft als plaats van verzending van zijn brief de compagnie Athenionike aan in de slotregel. De boodschap die deze brief over wil brengen is dat Apion bidt voor zijn vader en de rest van zijn familie, maar ook dat hij een teken van leven en liefst welzijn van zijn vader wenst te ontvangen. In de marge van de brief staan enkele groeten, die evident zijn bijgevoegd, en op de achterzijde van de papyrus – die dichtgevouwen verstuurd zal zijn – staat het adres: ‘Aan Filadelfia, aan Epimachos, van zijn zoon Apion’. Een additionele instructie voor de brenger van de brief is er nog bijgeschreven:

Afleveren in het kamp van het eerste cohort van de Apameni aan Julianus, vice-secretaris, van Apion, om door te sturen aan zijn vader, Epimachos.

Door dergelijke instructies wordt de alledaagse werkelijkheid van deze brief ook direct duidelijk. Het document werd dus afgeleverd bij een cohort in de buurt van Filadelfia in Egypte, om daar verder doorgegeven te worden en aldus (hopelijk) bij de beoogde ontvanger te belanden.

Apion stuurt zijn brief dus via-via naar zijn vader en in de tekst die hij hem stuurt, neemt hij groeten op, een geruststelling over hoe hij het zelf maakt en het verzoek om van zijn vader te mogen horen hoe het zijn familie gaat. Een moeder wordt niet genoemd en daarmee is waarschijnlijk dat de moeder van Apion niet meer leefde. Apion schrijft zijn vader aan als ‘mijn vader en mijn heer’. De titel ‘Heer’, in vroegchristelijke geschriften steeds gebruikt voor Jezus Christus, blijkt dus een hele alledaagse eretitel te zijn voor iemand die je respecteert. Zo bevat dit korte briefje nog meer termen die in de christelijke brieven zijn overgenomen. Het woord dat boven vertaald is met ‘welzijn’, is sotêria, de Griekse term die in de christelijke traditie meestal vertaald wordt als ‘redding’ of ‘heil’. Ook dit blijkt een alledaagse term te zijn. En de dankzegging uit de brieven van Paulus komt ook in deze brief terug, zij het hier gericht aan het adres van de god Sarapis.

Aan de hand van dit ene voorbeeld mag duidelijk zijn: de brieven van Paulus en andere vroegchristelijke auteurs moeten gelezen worden binnen de culturele context van de eerste eeuw en staan daarvan niet los. Sterker nog, ze ademen de structuur en de taal van algemene brieven uit de oudheid.

Filosofische brieven

Nu werd het genre van de brief ook gebruikt door filosofen, meestal om vermaningen over te brengen of eenvoudig een filosofisch gesprek te voeren. Het bekendste voorbeeld hiervan is wel de correspondentie van de stoïcijnse wijsgeer Seneca, de opleider van keizer Nero, met zijn vriend Lucilius. Deze correspondentie is grotendeels bewaard gebleven en geeft ons inzicht, zij het slechts van een kant, in de gesprekken die deze vrienden voerden. Soms zijn het korte brieven, soms lange en telkens tracht Seneca zijn vriend ertoe te bewegen een beter mens te worden door zich te houden aan de regels van de Stoa: een mens moet rationeel leven, verantwoordelijkheid nemen, aan zichzelf genoeg hebben, behoeften en lusten beteugelen en vooral maat weten. Een laatste punt, dat voor de Stoa van eminent belang is, is de terugkerende instructie onbewogen te blijven in het licht van zaken die je niet kunt veranderen. Jezelf druk maken over de dood, bijvoorbeeld, heeft geen enkele zin, want iedere mens is sterfelijk. Een mens dient zichzelf bezig te houden met een andere vraag: hoe bereid je jezelf voor op je eigen dood? Hoe laat je de mensen om je heen achter? En hoe sterf je waardig?

In de eerste brief schrijft Seneca aan Lucilius over de tijd. Tijd kan een mens door de vingers glippen en dat gebeurt wanneer je het toelaat door onachtzaam met de tijd om te gaan. Een fragment (vertaling Hunink):

Beste Lucilius,

Goed zo, Lucilius, claim jezelf! De tijd die je tot nu toe werd afgenomen of ontfutseld of die je door de vingers glipt, die moet je bundelen en sparen. Wees ervan overtuigd dat het is zoals ik schrijf: soms wordt de tijd ons ontnomen, soms afgepakt en soms vloeit hij weg. Maar tijdverlies uit achteloosheid is wel het ergste. Als je goed kijkt, verstrijkt een groot deel van het leven met verkeerde dingen doen, het grootste deel met nietsdoen en het hele leven met ‘iets anders’ doen. Noem mij eens iemand die iets over heeft voor tijd, die een dag op waarde schat, die snapt dat hij elke dag stervende is! Want juist doordat we op de dood vooruitblikken hebben we het mis – hij is al grotendeels verleden tijd. Alle jaren achter ons zijn al domein van de dood.

De brief is te lang om hier integraal af te drukken, daarom nu alleen nog de vermaning aan het slot:

Hoe zit het nu? Een mens is volgens mij niet ‘arm’ zolang hij genoeg heeft aan wat hem rest, hoe weinig het ook is. Toch kun je maar beter bewaren wat van jou is. Begin daar ook op tijd mee, want, zoals onze voorvaders het zagen, ‘onder in het vat komt zuinigheid te laat’. Wat daar nog zit is maar een beetje, en van de minste kwaliteit.

De brieven van Seneca zijn persoonlijk van aard, maar tegelijk zijn het filosofische traktaten. Hij instrueert zijn vriend Lucilius, van wie we helaas niets weten. Lucilius komt in Seneca’s woorden naar voren als een beginner in de filosofie, maar of hij dat ook was is niet bekend. Het zou ook kunnen dat Seneca hem zo aanspreekt omdat dat de meester-leerling verhouding sterker benadrukt.

Met de brieven van Seneca komen we in de buurt van de brieven van Paulus. Paulus schreef brieven zoals de filosofen uit zijn tijd dat deden: om zijn gehoor te vermanen en te instrueren. Het is niet toevallig dat in de vierde eeuw een apocriefe briefwisseling tussen Paulus en Seneca opduikt. In deze fictieve brieven wisselen de beide mannen hun ideeën uit en lijken zij elkaar zelfs goed te kennen. De laatste brief spreekt uit dat Seneca zelfs een bijzondere openbaring had van Godswege (vertaling Klijn):

14. Paulus aan Seneca. Groeten Aan je onderzoekende geest zijn dingen geopenbaard die de godheid maar aan weinigen ten deel laat vallen. Daarom weet ik zeker dat ik krachtig zaad in vruchtbare aarde gooi; dat wil zeggen geen vergankelijke zaak maar het blijvende woord van God dat komt van Hem die groeit en blijft voor altijd. Blijf bij het vaste en verstandige besluit waartoe je bent gekomen dat daaruit bestaat je ver te houden van de godsdienstige praktijken van de heidenen en de Israëlieten. Je moet jezelf maken tot een nieuwe verkondiger van Jezus Christus door met welsprekende lofprijzingen die onweerlegbare wijsheid aan de dag te leggen. Dit heb je al bijna bereikt en moet je aan de vergankelijke keizer aanbieden en bekendmaken aan de leden van zijn huis en zijn vertrouwde vrienden. Het zal niet gemakkelijk zijn of vrijwel onmogelijk hen te overtuigen. Ze zijn namelijk tot nog toe helemaal niet onder de indruk van je onderwijs. Maar als eenmaal het woord van God bij hen het zegenrijke leven heeft doen ontstaan, dan zal er een nieuwe mens ontstaan zonder verderf, een eeuwig wezen, dat zich haast naar God.

Vaarwel, Seneca, mijn beste.

Geschreven op 1 augustus tijdens het consulaat van Lucro en Sabinus.

In deze toch wel opmerkelijke correspondentie wordt Seneca dus bijna een christelijke apostel! De datering op het eind plaatst de brief in het jaar 58 na Christus. Het is een duidelijk bewijs voor de tendens die sommige christelijke auteurs voelden na de omwenteling door keizer Constantijn om zich grote pagane auteurs uit de geschiedenis van Griekenland en Rome toe te eigenen en deze schrijvers postuum te kerstenen.

Praktijk van het versturen

Een van de belangrijkste vragen als het gaat om de praktijk van het versturen van brieven, is de vraag naar de geletterdheid. Nu is het lastig concrete gegevens op tafel te krijgen over de mate waarin mensen in staat waren te lezen en te schrijven. Een goed geïnformeerde studie over de mate van geletterdheid in Palestina in de eerste eeuw schat deze op 10 tot 15 procent. Dit zou betekenen dat 85 tot 90 procent van de bevolking ongeletterd was. Deze percentages worden een beetje vertroebeld door de observatie dat er bovendien verschillende maten van geletterdheid bestonden (en bestaan). Niet iedereen die kon lezen was ook in staat te schrijven en niet iedereen die kon schrijven beheerste die kunst op zodanige wijze dat er een goed leesbaar manuscript ontstond. Doorgaans werden langere brieven en officiële documenten geschreven door professionele scribenten. Bij papyrusfragmenten uit de oudheid is meestal eenvoudig te zien of het gaat om een professioneel geschreven tekst of om een ‘ongetrainde hand’. Wie een brief wilde versturen, kon dus een scribent inhuren die namens de zender een brief opstelde, al dan niet gedicteerd. De opmerking die Paulus in Galaten 6,11 maakt, over zijn grote letters, heeft hoogstwaarschijnlijk met deze situatie te maken. Het ligt voor de hand aan te nemen dat hij deze brief gedicteerd had en op dit punt zelf verder schreef. Daarmee is dan ook direct duidelijk dat Paulus weliswaar geen professionele scribent was – het handwerk van een tentenmaker of leerbewerker zou de fijne motoriek die daarvoor nodig was bovendien in de weg gezeten hebben –, maar ook dat hij wel degelijk kón schrijven.

Deze praktische kant van het versturen van brieven in de eerste eeuw geeft inzage in de vraag hoe brieven geschreven werden: in de meeste gevallen dus gedicteerd. In een enkel geval kennen we de naam van de scribent die de brief op schrift stelde, zoals bij Tertius, de scribent die Romeinen schreef (Romeinen 16,22). Een andere kwestie is de bezorging van brieven. Er was geen georganiseerde postdienst, dus meestal werden brieven meegegeven aan een bekende die op reis ging naar de plek van bestemming. Het is vanuit deze praktijk dat Paulus bijvoorbeeld brieven meegaf aan Timoteüs (1 Korintiërs 4,17; Filippenzen 2,19; 1 Thessalonicenzen 3,1, 5-6) of aan Titus (2 Korintiërs 7,6). Wie dit alles beziet, zal zich realiseren dat de brieven van het Nieuwe Testament staan in een levende praktijk van het schrijven, verzenden en ontvangen van brieven en dat deze bestaande praktijk kleur geeft aan onze teksten. Daarbij valt dan nog op te merken dat niet voor iedere brief de conclusie te trekken valt dat de tekst in kwestie ook daadwerkelijk als brief verzonden is. Er zijn ook documenten die het genre ‘brief’ gebruiken zonder er daadwerkelijk een te zijn. Alleen gaat dat punt het onderwerp van deze bijdrage te buiten.

Literatuur

• Catherine Heszer, Jewish Literacy in Roman Palestine (TSAJ 81; Tübingen: Mohr Siebeck, 2001).

• Hans-Josef Klauck, Ancient Letters and the New Testament: A Guide to Context and Exegesis (Waco: Baylor University Press, 2006; Duits origineel: 1998).

• A.F.J. Klijn, De Apocriefen van het Nieuwe Testament: Buitenbijbelse Evangeliën, Handelingen, Brieven en Openbaringen (Kampen: Ten Have, 2006).

• Seneca, Leren sterven: Brieven aan Lucilius. Vertaald door Vincent Hunink (Amsterdam: Athenaeum—Polak & Van Gennep, 2009).

BRIEF VAN EEN DOCHTER AAN HAAR MOEDER (EGYPTE, TWEEDE EEUW NA CHRISTUS)

Uit: John Muir, Life and Letters in the Ancient Greek World (Abingdon: Routledge, 2009).

Van Isis, aan haar moeder Thermouthion, vele groeten! Ik bid elke dag voor jou tot onze heer Serapis en de goden die zijn tempel delen. Ik wil dat je weet dat ik Alexandrië veilig en wel bereikt heb in vier dagen. Ik groet mijn zuster en de kinderen, Elouath en zijn vrouw, Dioscorous, haar man en zoon, Heron, Ammonarion, haar kinderen en haar man, en Sanpat met haar kinderen.

Als Aion bij het leger wil, laat hem dan gaan, want iedereen gaat bij het leger. Ik bid dat het jou en het hele huishouden goed gaat.

< Terug