< Terug

Buren

Eekhoorn lag in zijn hol in de boom. Al een tijdje. Zijn poot zat in het gips en zijn rug deed pijn na een vervelende val uit de boom. Bovendien had hij honger en dorst.

Toen werd er aangeklopt.

‘Binnen’, riep Eekhoorn.

Het was Merel. ‘Hoi buur’, zei ze. ‘Ik wil een cake bakken, maar ik heb geen nootjes meer. Heb jij nog wat?’

Toen haar ogen aan het donker gewend waren, zag ze Eekhoorn.

‘Wat is er met jou?’ vroeg ze geschrokken. ‘Uit de boom gevallen’, zei Eekhoorn. ‘En…’ En weg was Merel weer.

Nou ja zeg, dacht Eekhoorn. Van je buren moet je het maar hebben. Ze komen alleen als ze wat van je nodig hebben! Nu werd hij toch wel wat wanhopig. Hoe moest hij aan eten komen? Of aan water? Hij zou toch niet zijn vervelende buren moeten roepen?

Na een tijdje werd er weer aangeklopt.

Wat zullen ze nu weer van me willen? dacht Eekhoorn en hij zweeg. ‘Gauw naar binnen’, hoorde hij Merel zeggen.

Wat brutaal, dacht Eekhoorn. Daar stonden ze opeens naast hem: Merel, Mol en Konijn.

Beeld en tekst: Iris Boter (www.irisboter.nl)

‘Kunnen we wat voor je doen?’ vroeg Konijn.

‘Ik heb een pannetje soep voor je’, zei Merel.

‘En ik heb warme sokken voor je gebreid’, zei Mol.

‘En ik heb heel veel nootjes voor je meegenomen’ , zei Konijn. Eekhoorn schaamde zich voor zijn gedachten. ‘Welkom’, zei hij.

Beeld en tekst: Iris Boter, schrijver en illustrator (zie www.irisboter.nl).

< Terug