< Terug

Calvijns mislukte ideaal

Een wekelijkse maaltijdviering

De calvinistische, dat is ‘gereformeerde’, kerken zouden een geheel ander beeld vertoond hebben als zij Calvijn gevolgd waren in zijn opvattingen over kerk en maaltijd. Immers: het meest ingrijpende verschil tussen ‘calvinistisch’ en ‘Calvijns’ is diens doorgaande lijn, die hij trekt vanuit de oude kerk en de middeleeuwen: een wekelijkse avondmaalsviering.

Calvijns diepe overtuiging is de gereformeerde kerkdienst pas werkelijk compleet, wanneer het avondmaal er deel van uitmaakt.’1 Calvijn is 26 jaar(!) als hij in 1536 als vrome, praktiserende rooms-katholieke jurist gegrepen wordt door reformatorische invloeden. Zijn gedachten en geloofsgoed beschreven in de Institutie, wortelen in de traditie van Augustinus, Luther en Bucer; bij hen allen neemt de wekelijkse maaltijd van de Heer een onlosmakelijke plaats in in geloof en kerkopbouw: het is het geloof in Christus’ weldaden en de kerk als lichaam van Christus. Dat het avondmaal in Calvijns theologie en eigen vroom-heid zo belangrijk was, blijkt uit het feit dat hij aan drie themata zijn meeste theologische werken wijdde. Dat zijn: het avondmaal, de Drie-eenheid en de christologie. Er zijn ongeveer tien geschriften die vooral het avondmaal behandelen. Als geschoold jurist kan Calvijn helder en in onderscheidende punten beschrijven wat het christelijk geloof inhoudt. ‘Gelijk wij door de Doop in Gods Kerk worden ingelijfd, zo worden wij door de geestelijke Maaltijd bewaard bij het leven, dat Hij door Zijn Woord in ons geplant heeft. Het doel van het avondmaal is drieërlei. Het dient tot versterking van ons geloof, tot een belijdenis voor de mensen, en tot opscherping der liefde. De vrome zielen verkrijgen uit dit Sacrament een grote vrucht van geloof en liefelijkheid.’ 2

Een wekelijkse viering?

Dat de wekelijkse viering van het avondmaal voor Calvijn een primaire geloofszaak was, blijkt uit Calvijns mening over de positief bedoelde paschantie, het ten minste eenmalig communiceren in de middeleeuwen op Pasen: ‘… en ongetwijfeld, deze gewoonte, die gebiedt eenmaal ’s jaars te communiceren, is een zeer gewisse uitvinding van de duivel, door wiens dienst ze dan ook ingevoerd moge zijn.’ Calvijn beroept zich voor deze wekelijkse frequentie op de oude kerk ‘selon la coustume de l’Église ancienne’. ‘Allen komen als hongerigen tot zulk een heerlijk onthaal.’ De arme mens komt als bedelaar tot de tafel van de rijke Christus. ‘Gij, die voor armen rijkdom hebt bereid, voor onrechtvaardigen gerechtigheid’. 3 Het is juist dit geloofspunt dat bij een wekelijkse gang naar de tafel des Heren door het liturgische ritueel bij de gelovigen vast ingeprent zou worden. Immers: de liturgische vroomheid van de middeleeuwer richtte zich niet primair op misviering en eucharistische deelname, maar veeleer op volksdevoties als relikwieënverering, pelgrimsreizen, heiligen en de talrijke heiligendagen. 4 Volkszang was tot dan toe onbekend, de preek als bijbeluitleg functioneerde nauwelijks in de mis, en de dogmatische aandacht van de theologen ging vooral uit naar de massieve aanwezigheid in brood en wijn als werkelijk lichaam en bloed. Calvijns ideaal was een authentiek katholiek herstel van de bijbelse en patristische maaltijdliturgie: terug naar de bronnen! We laten Calvijn zelf aan het woord in zijn avondmaalsformulier:

Zie dan in dat dit Sacrament een medicijn is voor arme zieken en dat de waardigheid die de Heer van ons vraagt niets anders is dan onszelf te kennen, onze tekortkomingen de rug toe te keren en onze blijdschap, vreugde en innerlijke vrede alleen te vinden in Hem. Laten wij dan boven alles geloven in de beloften van Hem, door Hem met eigen mond gesproken, – Jezus Christus die de onfeilbare waarheid is. Dan weten wij dat Hij ons werkelijk deel wil geven aan zijn lichaam en bloed, ons zo eigen dat Hij in ons leeft en wij in Hem. En ook al zien wij slechts brood en wijn, wij twijfelen er niet aan dat Hij innerlijk in ons volbrengt wat Hij ons uiterlijk door deze zichtbare tekenen toont: hemels brood dat ons verzadigt, voedsel ten eeuwigen leven.5

De liturgist is benieuwd hoe deze prachtige geloofsleer in de praktijk uitwerkte. Het moet wel een van Calvijns grootste teleurstellingen zijn geweest, dat nergens de wekelijkse viering – zijn liturgisch diepste overtuiging – gepraktiseerd is. Hoe zou dit dan wekelijks gegaan zijn? De kerkdiensten in Genéve duurden precies een uur. Deze vorm van maaltijd vieren nam echter geruime tijd in beslag, zeker als men beseft dat juist in avondmaalsdiensten ook het Credo werd gezegd of gezongen. Is er geen avondmaal, dan blijft ook het Credo weg. Uit oogpunt van liturgische tijdsmeting bezien, is het zeer verklaarbaar dat deze wekelijkse viering geen instemming verkreeg: bijbellezen, preken, bidden en het nieuw ingevoerde liturgicum van de gemeentezang waren blijkbaar veel populairder en namen al geruime tijd in beslag. In Straatsburg duurde de woorddienst alleen al anderhalf uur.

Wat er van Calvijns ideaal bleef

Waar duidelijk was, zowel in Straatsburg als in Genève, dat een wekelijkse viering niet haalbaar was ‘wegens de zwakheid van het volk’, koos Calvijn voor een andere oplossing. ‘Wij hebben voor dit ogenblik geadviseerd en bepaald, dat het viermaal per jaar zal worden bediend, te weten de zondag voor het kerstfeest, met Pasen, Pinksteren, en de eerste zondag van september.’ Zo eindigt voorlopig zijn liturgisch-pastorale aanpak van een hoog ideaal in 1561. Maar… hij hoopt dat het nageslacht deze slechte gewoonte gemakkelijker en vrijer zal kunnen verbeteren. Het feit dat het Calvijnse avondmaal op weinige zondagen gevierd werd, heeft geleid tot een beroemde calvinistische praxis: het huisbezoek! De inwoners van Genève kregen gewoon de kans niet om de maaltijd van de Heer níet te beleven. Immers, jaarlijks, in een week voorafgaand aan het avondmaal, kwamen de predikant en wijkouderling, de ancien, langs de deur om uit te nodigen tot de maaltijd des Heren. In de liturgie zelf zal zich dat herhalen: Komt nu, alle dingen zijn gereed! ‹

Drs. Peter Hoogstrate, MA, is emerituspredikant van de Protestantse Kerk. Hij is gespecialiseerd in algemene liturgiek en in liturgiegeschiedenis. Begin dit jaar studeerde hij af als kerk-en liturgiehistoricus aan de Theologische Universiteit in Apeldoorn met een masterscriptie getiteld ‘Jean Calvin als liturgist, beeldvorming en feiten’. Hij is nu docent liturgiek aan de Academie van de PKN in Doorn.

1 T. Brienen, De liturgie bij Johannes Calvijn, Kampen 1987, p. 214.

2 J. Calvijn, Institutie, XVII, 1-2.

3 Lied 381 : 3, Liedboek, Zingen en bidden in huis en kerk, Zoetermeer 2013.

4 H.A.J. Wegman, Geschiedenis van de christelijke eredienst in het westen en in het oosten, Een wegwijzer, Hilversum 1977, p. 164-165.

5 Dienstboek – een proeve, deel 1, Zoetermeer, 1998, p. 350 (bewerking van Calvijns avondmaalsformulier).

6 Bert de Leede & Ciska Stark, Ontvouwen, Protestantse prediking in de praktijk, Zoetermeer 2017, p. 263-265 (pleidooi voor wekelijkse maaltijdviering).

7 C. van der Kooi, Als in een spiegel, God kennen volgens Calvijn en Barth, Kampen 2002, p. 203-205.

8 Kerkenordening van Dordrecht 1618-1619, art. LXIII (in déze volgorde!).

9 Raad van Kerken in Nederland, Beleving eucharistie en avondmaal (Oecumenische bezinning, nr. 50), Amersfoort 2016, p. 13-15.

Calvijns ideaal wat dichterbij vandaag: vijf suggesties

1. De maaltijd van de Heer vieren is een feest van dankbaarheid Als Calvijns ideaal wél, geheel of gedeeltelijk, gepraktiseerd wordt, dan wordt de gereformeerde, nu: protestantse, kerkdienst echt anders: een wekelijkse maaltijdviering, met preek voorafgaand, gemeentezang en gebed. Het is zo een volop christocentrische eredienst, weliswaar met een accent op eigen onwaardigheid, zonde en levensheiliging, maar toch: in dankbaarheid voor Gods weldaden, gevoed met de kracht van de Geest.6 Het was typerend voor de jonge pasteur Calvin in zijn eerste gemeente Straatsburg dat hij daar een avondmaalsorde moest samenstellen, die hij altijd liet eindigen met het zingen van Psalm 138: ‘Gij hebt mij bemoedigd met kracht in mijn ziel.’ Dat is de kern van de maaltijd volgens Calvijn: ‘Dat Christus leeft in mij, en ik in Hem.’ Dat ‘in mij’ moet door het letterlijk innemen van brood en wijn lijfelijk én geestelijk verstaan worden. ‘Het concrete proeven, smaken, eten en drinken van brood en wijn heeft voor Calvijn een meerwaarde gehad, waar wij nauwelijks meer notie van hebben’, aldus Cees van der Kooi. In het avondmaal zal de gelovige de unio cum Christo, de mystieke band met Jezus, inderdaad lijfelijk beleven. Waar dit aspect van dankbaarheid en de band met Jezus in prediking, lied en liturgie weer vooropgesteld wordt, naast schuld, zonde en het bitter lijden en sterven, krijgt de maaltijd van de Heer nieuwe kansen.

2. Verdeel en heers De latere verdeling over de grote feesten in het kerkelijk jaar rust in deze christocentrische spiritualiteit: Pasen, Pinksteren en Christdag.8 Het traditionele getal van vier maal per jaar, heeft alles met deze verdeling over het kerkelijk jaar te maken. Het is feitelijk 3 + 1, de drie grote feesten, en nog eenmaal in het najaar, naar keuze van de kerkenraad. Aldus de oude Dordtse Kerkorde. Zo gedenkt men de totus Christus, niet zozeer zijn bitter lijden en sterven alleen.

3. Hoe gewoner, hoe vromer Vrijwel nergens in het gereformeerde deel van de wereldkerk wordt een wekelijkse avondmaalsviering gepraktiseerd: het is té ongewoon! Calvijn heeft het écht geprobeerd: een gewone tafel midden in de kerk, gewoon brood en gewone witte of rode wijn, gebeden in de volkstaal, berijmde psalmen gezongen door groot en klein, een intens uitnodigingspastoraat door huisbezoek. Een belangrijk deel van deze calvijnse liturgica is gebleven. Het is een uitdaging om Calvijns hervorming: ‘het gewone verbeeldt het bijzondere’, opnieuw vorm, toon en taal te geven.

4. Zo gezegd, zo gedaan. De avondmaalsdienst is bij velen weinig populair, ook door de lengte van de dienst. Zonder tegen primaire liturgische ‘wetten’ te zondigen kan deze dienst veel compacter. ‘Timing’ is bij de moderne liturgist een onmisbare zaak: het begin van de dienst kan zeer kort, één bijbellezing met een preek die ook verwijst naar de maaltijd, enkele doelgerichte liederen, en de gebeden ingebed in het grote tafelgebed – dit zorgt ervoor dat de tijdsduur van één uur tot vijf kwartier, zonder stress haalbaar is.

5. Gemeenteopbouw is geloofsopbouw Moderne liturgische bewustwording kan niet zonder teamwork en doelgerichte gemeenteopbouw. ‘Praat erover!’ Bruikbaar voor een gesprek of een jaarthema zijn de 27 onderdelen van de liturgie, die mensen aanspreken als persoonlijke beleving.9

< Terug