< Terug

Carte blanche

Bij 2 Kronieken 1,7-13, Psalm 111 en Lucas 11,1-13

Hoe zouden wij reageren op de vraag die God in 2 Kronieken 1,7 als een carte blanche voorlegt aan Salomo, de aanstaande koning: ‘Wat wil je dat Ik je geef?’ De vraag klinkt onvoorstelbaar, maar heeft alles te maken met waar het op de Biddag voor gewas en arbeid om gaat. Waar spannen wij ons voor in, in ons leven, werken en zorgen? Wat is werkelijk het verlangen waarover we zegen vragen?

Wij leven in een tijd van de nasleep van een economische crisis. De komende jaren in ieder geval zal de werkloosheid nog hoog blijven. Tegelijkertijd neemt de onzekerheid op de arbeidsmarkt toe door een toenemende trend van tijdelijke en flexibele banen. Daarnaast wordt de sociale zekerheid steeds verder beperkt. Voor de inrichting van de samenleving zitten we op het spoor van het zelfredzame individu.

In 2014 stelde de Franse econoom Thomas Piketty het fenomeen van een toenemende wereldwijde vermogensongelijkheid aan de orde, dat voor Nederland werd bevestigd met een rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Een toenemende vermogensongelijkheid vormt het fundament voor toenemende sociale ongelijkheid met uiteindelijk een aantasting van de samenhang en de democratische draagkracht van onze samenleving. Hoe reageren wij vanuit die ontwikkelingen op de vraag: ‘Wat wil je dat Ik je geef?’ Wat verlangen wij als samenleving? Nog meer lastenverlichting? Nog meer middelen onttrekken aan collectieve doelen?

Gedroomde koning

Salomo vraagt om wijsheid en inzicht. Het is het antwoord van een gedroomde koning. De boeken Kronieken hebben betrekking op dezelfde geschiedenis als de boeken Koningen, maar de blik van Kronieken is fundamenteel anders. Gaat het in Koningen om het doorzien van de eigen geschiedenis, vanuit het gericht dat het volk ondergaat in de ballingschap, in Kronieken gaat het om het perspectief dat het volk, teruggekeerd uit de ballingschap, zoekt om het land opnieuw te kunnen opbouwen. Salomo vraagt wijsheid en inzicht om het volk te kunnen leiden en besturen (1,10). Althans, ‘leiden’ en ‘besturen’ zijn de woorden waar de NBV voor kiest. Een vertaling met ‘richten’ is ook mogelijk (vgl. NBG ’51) en past wellicht meer bij waar het in bijbelse zin om gaat: het volk houden bij de weg van God, opdat gerechtigheid en vrede en daarmee welzijn zullen heersen in het land.

‘Bidden’ komt in het verhaal van Kronieken aan de hand van de figuur van Salomo enerzijds naar voren als een waagstuk. Salomo als aankomende koning ‘krijgt het voor het zeggen’. In die zin heeft de vraag van God het karakter van een test of, met een woord uit de tekst van Lucas (11,4), een ‘beproeving’. Anderzijds komt ‘bidden’ daarmee ook naar voren als een ontmaskerende bezigheid. Duidelijk wordt hoe zijn wezen is gericht. Het antwoord van Salomo toont aan dat hij al bezit waar hij om vraagt. In het licht van Psalm 111 is zijn vraag zijn antwoord: bij wijsheid gaat het om ‘ontzag voor de HEER’ en bij inzicht om ‘leven naar zijn wet’.

Beproeving

De tekst uit Lucas begint na een korte inleiding vrij onverhoeds met de vraag van de leerlingen aan Jezus: ‘Heer, leer ons bidden.’ In vergelijking met Kronieken krijgt Jezus het hier van zijn leerlingen voor het zeggen. Het gebed dat Jezus de leerlingen dan voorhoudt eindigt in de versie van de NBV met de bede: ‘Breng ons niet in beproeving.’ Hoe moeten we die bede verstaan? Een andere, meer letterlijke vertaling is: ‘Geef ons niet prijs aan beproeving.’ De vertaling van de NBV suggereert God als actor van de beproeving. De alternatieve vertaling suggereert vooral dat God kan doen ontkomen aan beproeving. In Kronieken zien we dat God Salomo beproeft met de woorden: ‘Wat wil je dat Ik je geef?’ Het antwoord van Salomo refereert aan de eerste beden van het gebed dat Jezus de leerlingen voorhoudt: ‘Laat uw naam geheiligd worden en laat uw koninkrijk komen.’ De beproeving komen we te boven door ons te richten op God. Met de beden om de heiliging van de naam en het laten komen van de heerschappij die daarbij hoort, geven we het God voor het zeggen. Alleen zo blijven we uit de beproeving en komen we de beproeving te boven.

Samenredzaamheid

Bij deze God kunnen we ons niet verschuilen achter de woorden dat we het niet voor het zeggen hebben. Deze God vraagt ons: ‘Wat wil je dat Ik je geef?’ Wij hebben het voor het zeggen! Deze wereld ziet eruit zoals ze eruitziet omdat wij mensen het er voor het zeggen willen hebben. In de nasleep van de huidige economische crisis lijkt het erop dat we vooral bezig zijn om de oude welvaart zo veel mogelijk te herstellen en te behouden. De verzorgingsstaat zijn we daarbij aan het inruilen voor de participatiesamenleving. Die samenleving heeft ook kansen, maar meer in het teken van samenredzaamheid dan van zelfredzaamheid. Alleen met welzijn dat we gemeenschappelijk hebben, komen we een sociale ongelijkheid te boven die ons als samenleving verdeelt en verscheurt.

Bidden is

beseffen dat bidden heel gevaarlijk is

omdat het enig antwoord

op de pijn en tranen van de wereld

een leven is met toegewend gelaat

en met een hart dat keer op keer

uit vrije wil zich treffen laat.1

< Terug