< Terug

Conflicten en verzoening tussen groepen

In een tweeluik worden de voorwaarden of stappen nagegaan, die de ene kant op tot conflicten en de andere kant op juist tot verzoening leiden.

Dr. H.P. de Roest is hoogleraar praktische theologie aan de Protestantse Theologische Universiteit, vestiging Groningen. Hij is lid van de redactie van Ouderlingenblad

A. Conflicten tussen groepen

In 2004, na de moord op Theo van Gogh, riep Job Cohen moskeeën, kerken en seculiere instellingen en ook de overheid op om samen thee te drinken. Het kwam hem op het verwijt te staan, dat hij ‘soft’ zou zijn. Zelf zegt hij, dat het een kwestie is van beschaving. Een conflict kan immers zomaar uit de hand lopen. Je moet altijd blijven praten. We komen het in andere artikelen in dit themanummer ook tegen. De ander uitnodigen voor gesprek is steevast een eerste stap in, zoals Cohen het uitdrukte, ‘de boel bij elkaar houden.’ Het geldt voor een samenleving als geheel, maar het kan ook nodig zijn binnen een vereniging of een bedrijf, een vriendinnengroep of een familie. En in steden en dorpen doen burgemeesters er goed aan, om op deze manier de verbindingen mét en tussen gemeenschappen te versterken. Lokale kerken kunnen daarin ook een belangrijke, bruggenbouwende rol vervullen.

In dit eerste artikeltje van een kleine tweeluik ga ik in op de dynamiek die aan geweld tussen gemeenschappen en groepen voorafgaat, om vervolgens in een tweede artikel stil te staan bij de omgekeerde weg, de weg van de-escalatie, verzoening en vrede. In een open samenleving, zoals wij die kennen, zijn er veel verschillen tussen mensen op het gebied van gewoonten, of etnische en religieuze achtergrond, maar ook ten aanzien van overtuigingen of levensprincipes. Langs deze lijnen kunnen ook groepen en gemeenschappen ontstaan en zich ontwikkelen. Gewoonlijk leiden de verschillen niet tot grote groepsconflicten, maar zelfs in open samenlevingen kan tussen groepen rivaliteit ontstaan. Onderzoek laat zien, dat deze rivaliteit vaak vooraf wordt gegaan door een intensivering van de tegenstellingen tussen groepen. Deze intensivering heeft enkele typerende kenmerken, die een aantal jaren geleden door socioloog Kees Schuyt, in zijn Cleveringa-oratie in Leiden, op een rij zijn gezet. Ik voeg er enkele eigen gedachten aan toe.

Je moet altijd blijven praten, samen thee drinken…

Volgens Schuyt leidt historisch, sociologisch en sociaal-psychologisch onderzoek op dit terrein tot dezelfde conclusies. Hij komt tot vier voorwaarden, die als zij alle vier worden vervuld, tot een destructieve ontwikkeling van conflicten tussen groepen leiden. De eerste stap is een fase of periode, waarin de individuele leden van een groep hun ik-identiteit moeten opgeven ten gunste van een wij-identiteit. Het gaat dus om een dynamiek binnen de groep: het wij wordt groter dan het ik. In zekere zin moet een individu altijd iets opzij zetten als hij of zij lid wordt van een groep of gemeenschap, maar een groepsnorm kan een ‘los’ karakter hebben of heel strikt zijn. Als een groep veeleisend wordt en er geen ruimte is voor afwijkende persoonlijke opvattingen, dan wordt de groep een gesloten groep. Elke groep kan zich in deze richting ontwikkelen.

De eigen groep wordt verheerlijkt en is onschuldig, de andere is verwerpelijk, schuldig, en vormt een bedreiging

De tweede stap vindt plaats als een ‘wij-zij’-tegenstelling ontstaat met een andere groep, vaak een meerderheid tegenover een minderheid, maar dat hoeft niet. De tweede stap neemt vaak veel tijd in beslag, maar er kan iets onafwendbaars in zitten. Het patroon dat plaatsvindt heet de ‘wet van de groepspolarisatie’. Je kunt het zien aan vooroordelen, het gebruik van verguizende termen en het demoniseren van de andere groep, maar ook aan het optuigen van historische mythen of het verdraaien van de feiten (valse informatie) en van de geschiedenis. De eigen groep wordt verheerlijkt en is onschuldig, de andere groep is verwerpelijk en is schuldig. De andere groep vormt bovendien, stelt men, een bedreiging, waarmee niet valt te praten of te onderhandelen, maar die ‘vraagt’ om bestrijding.

We zien hier ook wat James Aho ontdekte, dat wat kwaad is gerechtvaardigd wordt door de strijd tegen wat men ziet als een veel groter kwaad. Geweld hoort dan bij heroïek, bij heldendom. En opnieuw, elke positieve informatie over de ‘vijand’ moet geelimineerd worden.

De derde voorwaarde of stap wordt gezet als iets, wat wordt beschouwd als ‘heilig’ of ‘absoluut waar’, op het spel staat. Een conflict over waarden of geloof is vaak destructiever dan over belangen, al zal het vaak om een mengeling gaan.

De vierde stap is het passeren van de drempel van conflict naar geweld, en daarin spelen volgens meerdere sociaal-psychologen vaak schaamte, maar ook trots, eer, woede, ressentiment en wraakzucht een cruciale rol. Er ontstaat een ‘eer-belediging-wraak’ cyclus… Gekrenkte trots, vaak ook valse beschuldigingen, zetten deze cyclus in werking. Eerst komt het daarbij tot een, voor buitenstaanders vaak onverwachte, uitbarsting van geweld. Vervolgens is wraakzucht de emotie die de escalatie teweegbrengt. Wraak is een handeling, wraakzucht een emotie. Het is het verlangen, volgens Jon Elster, om lijden teweeg te brengen bij degenen die jou hebben laten lijden. En elke volgende wraakactie leidt tot vergelding. Wie vervolgens daarvan het slachtoffer wordt, gebruikt dat om opnieuw met geweld te reageren. Hoe valt dit ooit nog te doorbreken? Daarover gaat het in het volgende artikel.

B. Verzoening tussen groepen

In dit tweede artikel van het tweeluik ga ik in op de weg van de-escalatie, verzoening en vrede. Het laat zich lezen naast het artikel van Jaap van der Sar, omdat het inderdaad allemaal alleen kan beginnen wanneer er een bereidheid is tot gesprek, tot dialoog. Lokale geloofsgemeenschappen kunnen hierin een actieve rol spelen. In de afgelopen tientallen jaren hebben christelijke, maar ook niet-christelijke religieuze gemeenschappen regelmatig aan vredesopbouw bijgedragen na gewelddadige conflicten. Volgend op de uitbraak van geweld tussen moslims en christenen op de Molukken, bijvoorbeeld, werden in de dorpen interreligieuze verzoeningsteams opgezet, gefaciliteerd door de overheid, die voor de vredesopbouw essentieel bleken.

Taal geven aan emoties helpt om de destructieve gevolgen ervan tegen te gaan

In het eerste artikel beschreef ik, aan de hand van Kees Schuyt en anderen, de vier stappen in het ontstaan van conflicten tussen groepen, hier probeer ik de stappen op een creatieve manier om te keren. Een eerste stap in een ontmoeting tussen (vertegenwoordigers van) de groepen is gegeven in de noodzaak om aan emoties als schaamte, eer, boosheid, trots, vernedering en wraakzucht voluit erkenning te geven. Thomas Scheff geeft aan, dat taal geven aan emoties helpt om de destructieve gevolgen ervan tegen te gaan. Ook excuses zijn essentieel. Onderzoek laat zien, dat verontschuldigingen vaak stuiten op scepsis of zelfs cynisme. Ze kunnen worden ervaren als goedkoop, onoprecht of zelfs als manipulatief. Psychologen tonen echter ook aan, dat de taal van excuses ‘slachtoffer-gericht’ moet zijn. De verwoording is van groot belang, willen excuses ‘aankomen’ en ervaren worden als oprecht. Taal waarin de emoties van de ander op een empathische manier worden benoemd, gepaard gaand met het in de ogen kijken van de ander, versterkt het vertrouwen in de dader, of beter, de oprechtheid van diens spijt. Het heeft tot gevolg dat de wraakzucht wegebt en ook haat weg kan zakken. De escalatietrap wordt geïnterrumpeerd.

De tweede stap is de verkenning van waar het conflict over ging en of belangen op het spel stonden en/of diepgewortelde overtuigingen en waarden. De uitdaging is om te ontdekken wat ‘heilig’ is voor de andere groep en daarnaar te leren luisteren. Het houdt ook in dat ideologische taal, vooroordelen, en valse informatie over de (geschiedenis van de) andere groep worden ontmaskerd. Gezamenlijk kan het leiden tot de ontdekking dat ‘wij-zij’-tegenstellingen genuanceerd moeten worden. Zij lijken meer op ons dan wij dachten, of juist, zij verschillen onderling meer dan wij dachten, of: zij reageren net zo menselijk als wij zouden reageren, of: nu begrijpen wij hun emoties beter omdat we nu weten wat er voor hen op het spel stond. Wij beseffen nu ook hoezeer zij onder ons hebben geleden.

Waar segregatie is en muren zijn opgebouwd, moeten bressen in die muren worden geslagen

In de derde stap wordt getracht een einde te maken aan de diepe vervreemding tussen de groepen. Als de vervreemding blijft, komt er geen einde aan. De stap naar vrede (‘peace-making’) begint dan met het leren kennen van de andere groep. Onderzoekers in Noord-Ierland zijn ervan overtuigd geraakt dat daar waar segregatie is, waar muren zijn ontstaan tussen gemeenschappen, bressen in deze muren moeten worden geslagen. Contacten tussen gemeenschappen zijn essentieel voor een oplossing van het conflict. Deze reduceren de tussen de groepen bestaande vrees voor de ander, maken het mogelijk het perspectief van de andere groep in te nemen en zijn een ‘voorspeller’ van een positieve houding ten opzichte van de andere groep. Je kunt op een andere manier omgaan met de andere groep dan door te rivaliseren. Op de Molukken waren interreligieuze groepen, op dorpsniveau, met gewone mannen en vrouwen, een bouwsteen voor vredesopbouw. De ‘vredes-provocateurs’, opgericht door ds. Manuputty, schiepen een cultuur van verdraagzaamheid en zelfs vriendschap. Er ontstonden trauma-genezings-workshops, vredespreken in moskeeën en kerken en interreligieuze weekends. Manuputty noemde zijn methode de strategie van het ‘weven van een mat’ (strategi menganyam tikar pandan). Contacten tussen groepen verminderden ook het gebruik van vooroordelen.

Ten slotte, het omkeren van de voorwaarden werkt als een maatschappelijke spiegel. Er ontstaat dan, en dat is de vierde stap, weer een samenleving waarin individuele verschillen, tussen groepen, maar ook binnen groepen, worden erkend. Processen van vredesopbouw stimuleren de ontwikkeling van de individuele identiteit, door het stellen van vragen aan te moedigen en iedereen toegang te geven tot alle mogelijke informatie. Een ‘kritische gehechtheid’ aan de eigen groep, in plaats van de verheerlijking ervan, helpt om conflicten tussen groepen te reduceren. Groepen en gemeenschappen mogen van elkaar verschillen, maar dienen de karakteristieke eigenschappen van de andere groep te respecteren. Werkrelaties, activiteiten in de vrije tijd (verenigingen) en buurtcontacten kunnen leiden tot vriendschap tussen afzonderlijke leden van verschillende gemeenschappen. Juist deze alledaagse contacten zijn, als ze frequent zijn en persoonlijk, van belang om in een samenleving, landelijk, maar ook plaatselijk, ‘de boel bij elkaar te houden’. Of, in de woorden van Job Cohen, ‘samen theedrinken’ is in het geheel niet ‘soft’. Je bouwt er een vreedzame samenleving mee op. ■

< Terug