< Terug

Contemplatief luisteren in morele kwesties. Principes en methode beschreven

In het begeleiden van cliënten die voor moeilijke keuzes staan in de gezondheidszorg: vragen over leven en dood, gepaste behandeling of orgaandonatie is morele counseling een goed gespreksmodel, is de ervaring van de auteurs. Morele counseling is ook buiten de gezondheidszorg in te zetten, wanneer cliënten zich hardop afvragen wat het goede is om te doen (prospectief) en of hun handelen vanuit dit moment gezien goed is geweest (retrospectief).*

Herbert Bayer, ‘Lonely metropolitan’, 1932

Morele counseling wordt gedefinieerd als professionele ondersteuning of begeleiding van cliënten bij het nemen van beslissingen waarvan de uitkomst te rechtvaardigen is met morele termen als goed, juist of wijs. De moreel counselor onderzoekt met de cliënt wat het morele probleem is: gaat het om een keuze, speelt er een dilemma, of een onafwendbare noodzaak een besluit te nemen. Daarbij wordt gekeken welk mogelijk besluit past bij ‘het ik’ dat zichzelf opnieuw moet ontdekken. Morele counseling is daarom zeker geïndiceerd als de cliënt het gevoel heeft een besluit te moeten nemen dat niet past bij zijn of haar zelfbeeld, kortom als het te nemen besluit hem in een crisissituatie brengt.

De auteurs hebben veel ervaring in het begeleiden van cliënten die voor moeilijke keuzes stonden in de gezondheidszorg: vragen over leven en dood (abortus, euthanasie, staken behandeling), vragen omtrent een gepaste behandeling in de wereld van intensive care en neonatologie, en vragen rondom orgaandonatie (De Groot 2016). Maar morele counseling is ook buiten de gezondheidszorg in te zetten, wanneer cliënten zich hardop afvragen wat het goede is om te doen (prospectief) en of hun handelen vanuit dit moment gezien goed is geweest (retrospectief).

Methode in ontwikkeling

Onze methode is verwant aan de gespreksstijl van Carl Rogers (cliënt-centered method) (Rogers 1942; Rogers & Dorfman 1951; Rogers 1966). Rogers geeft vooral aandacht aan de houding van de counselor (realness; acceptance and respect; empathic understanding)(Rogers & Freiberg 1969). Wat dit betekent voor het feitelijk optreden van de counselor (de interventies) werd ons duidelijk toen we gebruik gingen maken van de taxonomie van William Stiles (Stiles 1992) om de interventies van de counselor te analyseren.

Ten aanzien van de inhoud van het gesprek benutten we de concepten uit het werk van Paul Ricoeur (Ricoeur 1992). Met Ricoeurs begrippen werd gefocust op de inhoud van uitspraken van de cliënt, het wat.

Reflectie op onze cursussen en counselingspraktijk bracht ons tot nieuwe inzichten, die Hans Evers in het voorgaande artikel beschrijft onder de titel ‘Contemplatief luisteren’ (Evers 2017). Met begrippen uit deze benaderingswijze wordt bekeken hoe de cliënt zichzelf ter sprake brengt. In navolging van hem spreken we in het vervolg liever over contemplatief luisteren in morele kwesties en gebruiken we de term auditor in plaats van counselor.

Rogers en Stiles: ruimte geven

In onze methode worden de uitgangspunten van de client-centered therapie toegepast (empathie, respect en congruentie) (Rogers 1966). Om onze gesprekken te analyseren qua interventie gebruiken we het boek van Stiles (Stiles 1992). Daarbij is het van belang dat de auditor de cliënt ruimte geeft door met zijn interventies binnen het referentiekader van de cliënt te blijven.

We kozen voor een radicale toepassing van de stijl die Stiles als ‘acquiescence’ (= stilzwijgende instemming) beschrijft. De belangrijkste interventie daarbij is de zogeheten ‘reflectie’, waarmee de auditor kort teruggeeft wat hij zojuist beluisterd heeft. De auditor onthoudt zich van vragen, adviezen en interpretaties, omdat die altijd uit zijn eigen referentiekader voortkomen. Door zich bewust te zijn van zijn wijze van reageren, kan een auditor zorgen dat hij de agenda van het gesprek echt bij de cliënt laat. Hierdoor kan de cliënt echt tot zijn persoonlijke overtuiging komen.

Concepten van Ricoeur

Nadat de cliënt alle ruimte heeft gekregen om morele uitspraken te doen, zal de auditor samen met hem proberen die uitspraken in een samenhangend verband te brengen. Hierbij gebruikten we een luisterraster met labels gebaseerd op de concepten die Ricoeur aanreikt (Ricoeur 1992). Cliënt en auditor laten zich hierbij vooral leiden door wat de cliënt ter sprake brengt.

Ricoeur wijst ons op het feit dat mensen bij het nemen van een moreel beladen besluit hun beslissing kunnen rechtvaardigen vanuit wat ze als waarden nastreven (ideaal – teleologisch) of van wat ze voor zichzelf als norm (gebod, verbod, plicht – deontologisch) zien. Voor de eerste invalshoek doet hij een beroep op het gedachtegoed van Aristoteles, voor de tweede invalshoek op dat van Kant.

Ricoeur pleit ervoor beide invalshoeken op elkaar te betrekken. Daarvoor gebruikt hij het beeld van de zeef. Om tot een wijs besluit te komen, zegt Ricoeur, dienen mensen datgene wat ze als ‘goed’ bestempelen door de ‘zeef ’ te halen van datgene wat ze als ‘juist’ zien. Bij het juiste gaat het om universele normen, normen die voor iedereen in elke situatie gelden. Ricoeur pleit voor wijsheid in de concrete situatie, een wijsheid die gevonden wordt door datgene wat voor iemand nastrevenswaardig is te laten ‘zeven’ door datgene wat in het algemeen als juist wordt gezien.

Ricoeur maakt daarnaast nog een onderscheid naar de bron van de opvatting: komt iets voort uit de persoon zelf; komt het voort uit zorg of respect voor de (significante) ander; of komt het voort uit gevoelens of regels van rechtvaardigheid die in de samenleving met al haar instituties breed gedeeld worden, de zogenaamde anonieme ander of ‘men’.

In onze eerste publicaties (De Groot & Evers 2007; De Groot & Leget 2011) presenteerden we een aantal abstracte begrippen die we als label meegenomen hebben uit het betoog van Ricoeur. Overwegingen die mensen gebruiken om tot een besluit te komen, zouden altijd terug te voeren zijn op één van die negen labels. Deze labels hebben we geordend in een luisterraster (zie schema).

In latere publicaties(De Groot 2008; 2011) gebruikten we daarvoor het beeld van het morele huis: mensen hebben van alles in huis als het gaat om de rechtvaardiging van hun moreel beladen besluiten. Hun huis herbergt waarden, normen en overtuigingen die hun bron vinden in zichzelf, in de relatie met significante anderen of in (rechtvaardige) instituties in de samenleving (zie de figuur op blz. 26).

Het morele huis

Als mensen een besluit nemen, doen ze intuïtief her en der een kamer open. Daarbij hebben ze vaak een voorkeur voor een bepaalde ‘verdieping/ etage’ van hun morele huis. Zo zal de één eerder de rechtvaardiging zoeken in bepaalde waarden of idealen die nagestreefd worden, terwijl de ander zijn besluit legitimeert met een beroep op (universele) normen. Soms heeft er al een afweging plaatsgevonden en spreken mensen vanuit vastberadenheid en overtuiging.

Bij het gesprek met de auditor worden mensen uitgenodigd om alle vertrekken van hun morele huis te onderzoeken om te bezien wat bij kan dragen aan hun uiteindelijke besluit. Soms wordt de cliënt hierbij geconfronteerd met ‘lege kamers’ (bijvoorbeeld geen eigen idealen, veel normen), en kan hij zich bewust worden van zijn blinde vlekken. Dit kan de cliënt ertoe brengen nog enige aanvulling te geven op de spontaan gedane morele uitspraken. Als de cliënt het idee heeft dat zijn morele overwegingen het hele morele spectrum beslaan, kan hij de afweging maken welke overwegingen het zwaarst wegen of welke overwegingen met elkaar botsen. Er ontstaat als het ware een morele atlas in zijn hoofd, aan de hand waarvan hij de weg kan vinden in wat eerst een verwarrende kluwen van gedachten en overwegingen was.

Evers: cliënt vergezellen

Het counselinggesprek is op te vatten als een uitwisseling van uitspraken, waarbij de inhoud van de uitspraak voorop staat. In trainingssituaties en in contact met cliënten, hebben we ontdekt dat niet alleen wat de cliënt ter sprake brengt van belang is, maar ook hoe de cliënt zichzelf ter sprake brengt. Spreken kan gezien worden als het uitzenden van een boodschap (inhoud) door een persoon die is, maar spreken kan ook gezien worden als een vorm van menswording: al sprekende wordt een persoon zichzelf. Spreken is dan een scheppings-act, de persoon is bezig met zelfverwerkelijking (zelfrealisatie). Het vraagt om een bepaalde manier van luisteren om de spreker tot deze zelfrealisatie te brengen.

Hans Evers noemt dit ‘contemplatief luisteren’(zie het voorgaande artikel in dit Handelingen– nummer): de auditor vergezelt de cliënt, die zichzelf beluistert op zoek naar een nieuw zelfverstaan, naar nieuwe overtuiging.

Vier invalshoeken

Deze vorm van contemplatief luisteren kan worden ingezet bij morele counseling, wat we om die reden hebben hernoemd als ‘contemplatief luisteren in morele kwesties’. Daar waar contemplatief luisteren over het hele leven kan gaan, gaat het bij morele kwesties over ‘het goede leven’. Cliënten spreken zich uit over wat het goede is in datgene wat ze moeten besluiten. Het goede (door ons verstaan als metafoor) is niet iets dat in één keer te vatten is, maar het ‘beeld van het goede’ ontstaat doordat mensen daar vanuit vier verschillende invalshoeken over spreken.

1. Het goede komt naar voren als iemand over zijn leven spreekt als ware hij toeschouwer. Hij spreekt dan over allerlei feiten met een morele dimensie: belangen die op het spel staan, het nut van een bepaald besluit of over effectiviteit, efficiëntie en doelmatigheid. Hij geeft een overzicht van belangen en factoren die zijn speelruimte bepalen omdat ze de morele beslissing conditioneren. Dit perspectief noemen we overzicht.

2. Spreken is niet alleen het uitwisselen van inhouden maar ook van beleving. Deze beleving leidt tot een vorm van inzicht vanuit associaties, emoties en gedrag. Zijn inzicht vertelt de cliënt iets over hoe hij zich verhoudt tot het spreken zelf. Daarin ervaart hij dat het goede leven door hem alleen gerealiseerd kan worden binnen bepaalde grenzen, als hij zich laat leiden door bepaalde normen en plichten. Het actuele gevoel is dan een vindplaats van moraliteit (Nussbaum 2003).

Hoe mensen zich ter sprake brengen wordt niet alleen bepaald door hun ruimtelijke positie nu en het actuele spreken daarbinnen (overzicht, inzicht). Ook het peilen van het spreken nu ten opzichte van het spreken gisteren en het spreken morgen bepalen het hoe, namelijk de temporele as.

3. Zoekend naar het goede leven kan de cliënt aangeven dat er in het verleden altijd waarde werd gehecht aan een bepaalde gedragswijze (terugblik). Cliënten geven dan aan wat ze tot dan toe zagen als deugdzaam, als goed leven.

In het licht van het dilemma is dat allerminst vanzelfsprekend meer. 4. De cliënt kan ook in de tijd naar voren kijken (vooruitblik) en vanuit het nu aangeven wat van het goede leven nog naar de toekomst uitstaat als gegronde hoop. Dit zijn idealen en waarden die voor hem op dat moment in het geding zijn.

In dit model ontdekken we in aanvulling op Ricoeur dat niet alleen recht wordt gedaan aan teleologische en deontologische gezichtspunten, maar ook aan pragmatische en utilistische overwegingen. Het accent ligt niet op de rechtvaardiging ten opzichte van de ander, maar meer op heroriëntatie van de eigen overtuiging. Het gaat niet om ‘zeven’ of construeren wat binnen de rechtvaardiging opportuun is, maar om het ‘ontdekken’ van het verband wat reeds voorgegeven is. Het gaat niet om wat plausibel is, maar om wat past, wat authentiek is, iemands diepste overtuiging.

Ter illustratie Ter illustratie van onze aanname dat in het spreken altijd vier perspectieven te onderscheiden zijn, citeren we enkele uitspraken van een vrouw die voor de keuze stond om een abortus te ondergaan. Haar ongeboren kind kreeg bij prenataal onderzoek een slechte diagnose. De vrouw komt bij de auditor omdat ze niet weet welk besluit ze moet nemen: abortus of de zwangerschap uitdragen met het risico op een ernstig gehandicapt kind. Ze doet de volgende uitspraken:

• Ik voel twijfel over de vanzelfsprekendheid van mijn moederschap (inzicht – beleving)

• en realiseer me dat ik altijd zonder enig voorbehoud kinderen heb gewild (terugblik – betekenisgeving)

• en ik denk dat ik een goede moeder zou zijn (vooruitblik –ideaal).

• Ik heb al een zoon (overzicht – feit)

• en ik moet ook met hem rekening houden (inzicht – norm).

• Van huis uit heb ik meegekregen, dat je het leven moet accepteren zoals het op je af komt (overzicht – feit).

• en daarom word ik ziek van het idee dat ik nu abortus zou laten plegen (inzicht –beleving/ grens).

• Ik vind dat ik mijn zoontje alle tijd en zorg moet kunnen geven (inzicht – norm).

• Mijn man is er op tegen dat we dit kindje laten komen (overzicht – belang).

Aandacht voor het hoe en het wat

In onze eerste publicaties over de ondersteuning van cliënten bij hun beslissing (De Groot & Leget 2011) ging de aandacht vooral uit naar wat de cliënt ter sprake bracht in relatie tot zijn keuze voor het goede leven. Het schema dat we ontlenen aan Ricoeur, suggereert een vorm van hiërarchie: het goede leven staat voorop, maar wordt gecorrigeerd (met de vergelijking van de ‘zeef ’) door een normatieve ethiek om zo tot wijsheid in de concrete situatie te komen. Als we echter kijken naar hoe mensen zichzelf en hun beeld van het goede leven ter sprake brengen, dan zien we dat deze hiërarchie ontbreekt. Met onze benadering van de overtuiging vanuit vier invalshoeken hebben we laten zien dat het beeld van de overtuiging ontstaat vanuit vier perspectieven die ten opzichte van elkaar geen hiërarchische relatie hebben.

De cliënt die bij de auditor komt, ziet zich gesteld voor een keuze waarbij hij verwarring ervaart. De antwoorden die tot dan toe golden voor zulke keuzes voldoen niet meer. Datgene van waaruit hij leeft en datgene wat hij nastreeft als wat hij ‘het goede leven’ noemt, staat onder druk. De overtuigingen van gisteren bieden geen grond meer voor het handelen van vandaag. Er blijken allerlei belangen, overwegingen van nut en noodzaak te zijn, waardoor de persoon en zijn wereld onomkeerbaar veranderd zijn. De cliënt beleeft dat er nieuwe grenzen zijn aan wat er kan en wat hij wil. Deze begrenzingen benauwen en verwarren hem: hij is zijn overtuiging kwijt.

Het proces in vier elementen

Hoe kunnen we de cliënt begeleiden, zodanig dat hij een keuze kan maken of een beslissing nemen, waar hij in de nabije toekomst geen spijt van heeft? Door hem te begeleiden, zodanig dat hij tot een nieuwe overtuiging komt.

Dan moet de auditor aandacht geven aan vier elementen. Die vier aandachtspunten worden beschreven aan de hand van een casus, waarvan we een aantal illustratieve fragmenten weergeven. Tijdens een MDO merkt een geestelijk verzorger (GV) dat er onvrede is onder de verpleegkundigen. Hij vraagt later aan Esther, de seniorverpleegkundige, wat er speelt. Zij vertelt dat een medewerkster op de afdeling ontslagen wordt omdat er bezuinigd wordt. Esther vindt dat dit niet op een goede manier gebeurt en vraagt zich af of ze er wat aan moet doen. Ze vertelt dat het niet de eerste keer is dat een oudere medewerker wegbezuinigd is. De geestelijk verzorger nodigt haar uit om er op een later tijdstip nog eens rustig over te praten.

Ruimte geven

Wanneer een geestelijk verzorger merkt dat een cliënt met een moreel dilemma zit, kan hij voorstellen om contemplatief luisteren in morele kwesties te doen. De cliënt geeft dan aan wat het morele probleem is en tot welke beslissing hij intuïtief geneigd is. Daarna wordt hij uitgenodigd om zijn ‘morele landkaart’ te verkennen door zoveel mogelijk overwegingen te vertellen die er in het kader van het te nemen besluit toe doen.

De auditor stelt zich terughoudend op, dat wil zeggen dat hij zich niet buiten het referentiekader van de cliënt begeeft. De meest gebruikte en meest effectieve interventie in deze is de ‘reflection’ (Stiles 1992). De auditor geeft terug wat hij de ander hoort zeggen. Dit gebeurt meestal door eenvoudig te herhalen, of met eigen woorden samen te vatten, wat kort daarvoor gezegd is (GV3). Ook kan de auditor een reflectie geven op het gesprek tot dan toe, een meer totale samenvatting (GV4). Zo krijgt de cliënt de ruimte om alles wat hem – min of meer associatief – te binnen schiet betreffende wat hem ten diepste beweegt naar voren te brengen. Ook de ‘acknowlegdment’ is een adequate interventie. Kleine (non)verbale aanmoedigingen kunnen de cliënt helpen door te gaan met zijn verhaal (GV2).

Tijdens het gesprek registreert de auditor voor zichzelf wat er gezegd wordt. Hij kan soms een aantekening maken om een bepaalde uitspraak niet te vergeten. Ook kan hij het gesprek opnemen om het later uit te werken.

GV1: Esther, je vertelde dat je wat op je hart hebt.

E1: Ja, ik heb moeite met de manier waarop de directie met ons omgaat. Medewerkers worden hier gewoon afgedankt. Nu wordt er weer een oudere collega de laan uit gestuurd met wie ik veel te maken had. Ik vind dat niet kunnen, maar ik doe er niks mee. Zou ik dat moeten doen? Dat zou me veel negatieve aandacht kunnen geven.

GV2: [knikt]

E2: Er is druk op haar uitgeoefend. Ze werkt hier al, hou je vast, 40 jaar! En nu wordt ze er zomaar uitgeschoven. Ik vind dat verwerpelijk. Moet ik dat zomaar laten passeren?

GV3: Je vindt het verwerpelijk.

E3: Ja! Zo ga je niet met mensen om! Ik vraag me af of ik een reactie moet geven als ik zie dat mijn werkgever dingen doet die ik verwerpelijk vindt.

GV4: Je hebt er moeite met dat een collega die er al 40 jaar werkt nu ontslagen wordt. Dat vind je verwerpelijk. Je wilt er iets van zeggen, maar dat zou jou negatieve aandacht geven.

Alle invalshoeken

Tijdens het verkennen van de morele landkaart is de auditor erop bedacht dat de cliënt zichzelf ter sprake kan brengen vanuit verschillende invalshoeken. In zijn reflecties doet hij daar recht aan, bijvoorbeeld door feit en beleving (lichaamstaal) beide terug te geven (GV11). Het is dan aan de cliënt of hij op de inhoud ingaat (kan iets feitelijks zijn) of meer op datgene wat het spreken over de inhoud met hem doet. De auditor kan ook twee perspectieven tegelijk teruggeven (bijv. ideaal en belang (GV13). Cliënten kunnen dan heel gemakkelijk qua invalshoek wisselen.

De auditor probeert door goede reflecties te bewerkstelligen dat de cliënt zijn overwegingen ten aanzien van zijn overtuiging niet vanuit één enkele invalshoek naar voren brengt. Het is echter een misverstand te denken dat de cliënt alle invalshoeken moet benutten voor hij tot zijn overtuiging kan komen. De cliënt blijft eigenaar van het gesprek en híj bepaalt hoe hij gebruikmaakt van de ruimte die geboden wordt – de auditor hoeft niet ‘te duwen en te trekken’.

E10: De ziekenhuisdirectie vind dit oké, oudere mensen buiten de deur werken. Maar ik vind het niet oké. Het is a-moreel om zo met mensen om te gaan.

GV11: Je zegt a-moreel en maakt er een duidelijk armgebaar bij.

E11: Ik word er boos van! Als niemand er iets van zegt, gaan ze maar denken dat het oké is. Het is niet oké, het is verwerpelijk!

GV12: Je wordt er boos van, het is verwerpelijk.

E12: Diep in mijn hart moet ik er iets van zeggen, maar wat roep ik over mezelf af als ik dat doe? Ik heb ook een gezin thuis zitten. Maar ik kan niet achterover leunen

GV13: Diep in je hart wil je er iets van zeggen, maar je hebt ook een gezin.

E13: Ja, we zijn samen kostverdiener, dus ik kan mijn baan niet zomaar kwijtraken. En ik ben bang dat ik de volgende ben als ik nu iets zeg. Het zou niet de eerste keer zijn.

Verhelderen en ordenen

Tijdens het contemplatief luisteren noteert de auditor kort alle relevante uitspraken (feiten, normen, deugden, waarden) als ware hij de secretaris van het innerlijk overleg. Nadat het onderwerp van alle kanten is bekeken en er geen nieuwe uitspraken meer komen, sluiten de cliënt en auditor het open gesprek af. De cliënt hoorde zichzelf spreken en kwam tot een nieuw verstaan van zichzelf en zijn morele probleem. Vaak komen al pratend nieuwe inzichten naar boven. De overtuiging of keuzerichting kan echter nog niet duidelijk zijn.

Om de cliënt te helpen een ordening aan te brengen in de veelheid aan (soms tegenstrijdige) uitspraken, kijken auditor en cliënt terug naar de genoteerde uitspraken. Vanaf dit moment wordt een nieuwe richting voor het gesprek afgesproken: na het verzamelen worden uitspraken specifieker geformuleerd en vervolgens geordend. De cliënt wordt uitgenodigd een in het gesprek gedane uitspraak te formuleren als persoonlijke stelling (GV101-103). Voor zover uitspraken erg algemeen zijn, probeert de auditor de cliënt zover te brengen dat deze de uitspraken persoonlijker maakt (GV150-152).

Bij de formulering probeert de auditor niet alleen te letten op wat er gezegd wordt, maar ook op hoe –vanuit welke invalshoek– het gezegd wordt. Wanneer de cliënt aangeeft dat een zin ook echt weergeeft wat hij bedoelt te zeggen, wordt deze uitspraak genoteerd.

GV101: Esther, je hebt een aantal uitspraken gedaan. Die gaan we nu stuk voor stuk opschrijven. Je zei aan het eind van het gesprek: ‘Ik wil een grote meid zijn en er wat van zeggen.’ Kun je dat wat meer uitwerken?

E101: Ik vind dat ik niet bang moet zijn. Ik wil niet zo bang zijn voor mijn eigen positie dat ik de zwaksten niet meer bescherm. Dan zou ik alleen op mijn eigen belang afgaan.

GV102: Je wilt niet voor je eigen belang gaan, maar opkomen voor de belangen van anderen.

E102: Precies. Als iedereen alleen maar aan zichzelf denkt, gaat dat ten koste van de zwaksten. En zo wil ik niet zijn.

GV103: Dan schrijf ik op dit briefje: ‘Ik wil opkomen voor de belangen van de zwaksten.’ En ook deze: ‘Ik wil niet handelen uit eigenbelang.’

E103: Niet puur uit eigenbelang, nee. …

GV150: En deze uitspraak van het begin: ‘Zo ga je niet met mensen om.’

E 150 Wat de directie doet, kan niet. Je moet mensen met respect behandelen, je kunt ze niet zomaar afdanken.

GV 151 ‘afdanken’

E151 Ik vind dat je een medewerker die zich 40 jaar heeft ingezet voor je ziekenhuis moet bedanken voor alle diensten en rustig naar haar pensioen moet laten werken. Dat is een kwestie van respect en waardering.

GV 152 Ik schrijf op: ‘Ik vind dat je mensen met respect en waardering moet behandelen.’

Als er een (groot) aantal uitspraken zijn genoteerd, laat de auditor de cliënt deze uitspraken onderscheiden naar invalshoek. Hij legt de cliënt, in voor hem begrijpelijke taal, uit wat de verschillen in invalshoek zijn en hoe we die perspectieven kunnen herkennen als feit, norm en plicht, deugd of ideaal en waarde. Binnen de verschillende invalshoeken kan een vorm van prioriteit aangebracht worden: sommige na te streven waarden kunnen belangrijker zijn dan andere, sommige normen kunnen zwaarder wegen of meer verplichtend zijn dan andere enz. Er zijn ook blijvende ambivalenties denkbaar.

GV 201 Esther, de uitspraak ‘Ik wil opkomen voor de belangen van de zwaksten’ is dat iets dat je moet, iets dat je graag zou willen of is dat zoals je jezelf kent?

E202 Nou, ik doe het lang niet altijd, ik probeer het vaker te doen. In het verleden heb ik wel eens wat gezegd, maar dat kwam me duur te staan. Dus het is iets wat ik wel zou willen, maar het moet niet.

GV202 Is het een wens van je om zo te handelen?

E202 Ja. Dus dan rechts bij de idealen?

Gv203 Het is aan jou waar jij hem plakt. Je kunt hem nog verschuiven.

E204 Bij de idealen dan.

GV205 En hoe belangrijk is dit voor je?

E205. Heel belangrijk. Dus bij het centrum. Er kan bij alle vier de invalshoeken nog een onderscheid gemaakt worden tussen wat de cliënt ziet als iets wat uit zichzelf komt, wat voortkomt uit zorgzaamheid/respect voor de (significante) ander of uit de waarden en normen die hij ontleent aan bepaalde instituties.

GV 206 Ik heb hier staan: ‘Ik ben kostwinner, ik moet mijn baan houden.’ Waar zou je die plaatsen?

E206 Tja, ik wil mijn baan niet kwijt, anders zou ik er allang wat van gezegd hebben en ander werk hebben gezocht. Ik moet dit werk houden in het belang van mijn gezin. Dat is toch een feit waar ik rekening mee moet houden? Belangen waren toch boven?

GV 207 En is het belang voor jezelf, voor een belangrijke ander of voor ‘men’? E 207 Voor mijn gezin, dus het middelste vakje. En het is best belangrijk, maar ook weer niet heel erg. Ik geef als moeder liever het goede voorbeeld dan dat ik bang mijn mond houdt op mijn werk.

Dit onderscheid van Ricoeur tussen zelf, significante ander en anonieme ander (men) kan echter ook achterwege blijven als er niet uitgebreid tijd is voor afwegingen. In dat geval is de benadering vanuit vier invalshoeken voldoende. Bij het ordenen is de cliënt leidend. Als deze een bepaalde uitspraak voor zichzelf hanteert als norm of ondergrens, dan moet de auditor dat volgen, ook al zou de auditor vanuit zijn eigen referentiekader dezelfde uitspraak misschien eerder zien als deugd of waarde.

Besluit door de cliënt zelf

Als alle uitspraken onderscheiden zijn, stelt de auditor de laatste vraag: Wat zie je? Als je dit alles zo overziet, is er dan een beeld (van het goede leven), een zin of gezegde dat bij je opkomt? De auditor vraagt als het ware naar het beeld van een nieuwe overtuiging.

Ter afronding kan de auditor vragen hoe dit beeld zich verhoudt tot eerste intuïtie van de cliënt. Soms leidt het gesprek ertoe dat de cliënt zijn eerdere intuïtie moet bijstellen of er een ander besluit aan verbindt. Zo hebben we naar aanleiding van diverse cases met zwangere vrouwen gehoord: ‘Ik kies nu voor een abortus, maar ik wil nooit meer voor deze keuze komen te staan.’ Voor de één betekende dat, dat ze besloot nooit meer zwanger te worden. Voor een ander betekende het, dat ze bij een volgende zwangerschap geen prenatale diagnostiek meer wilde ondergaan. In de hier uitgewerkte casus versterkt deze oefening met argumentatieve uitspraken de eerder geformuleerde intuïtie, zodat de cliënte zelfverzekerder is over haar besluit.

E301 Goh, ik dacht dat ik er goed aan deed mijn mond te houden. Maar eigenlijk weet ik allang dat ik er wat van wil zeggen. Ik was alleen zo bang voor mijn baan. Maar nu voel ik dat ik dit onrecht niet zomaar kan negeren. Ook omdat de directie anders zo met ons blijft omgaan. Ik kan niet rond blijven lopen alsof er niets aan de hand is.

Afronding van het gesprek

De cliënt gaat naar huis met het beeld van een nieuwe overtuiging. Welk besluit hij daaraan verbindt hoeft nog niet duidelijk te zijn. De auditor dient zijn nieuwsgierigheid te bedwingen en er niet op aan te dringen dat de cliënt zijn besluit neemt waar hij bij is. Meestal is het voldoende om het vertrouwen in de cliënt uit te spreken dat deze zijn besluit zelf kan nemen. De cliënt neemt het besluit tegenover zichzelf. De auditor kan alleen maar bevestigen dat, hoe het besluit ook uitpakt, de cliënt voor zichzelf weet dat hij dit zorgvuldig genomen heeft. Die zorgvuldigheid kan troostend zijn, zelfs als de cliënt later zijn besluit betreurt. Wat troost, is de overtuiging dat hij in de gegeven situatie het goede gedaan heeft: Hier sta ik, ik kan niet anders. De auditor neemt pas afscheid van de cliënt nadat hij hem nogmaals verzekerd heeft dat niets van dit gesprek naar buiten komt én dat hij de cliënt nooit voor zijn besluit om verantwoording zal vragen. De cliënt gaat naar huis met het advies om nog eens een nachtje te slapen over dat wat ter tafel is gekomen.

Tot slot

Met dit artikel hebben we gepoogd onze nieuwste ervaringen en inzichten omtrent wat we eerder aangeduid hebben als ‘morele counseling’ vast te leggen. Een van de inzichten is dat we beter kunnen spreken van ‘contemplatief luisteren in morele kwesties’. We hebben de ontwikkeling van het model beschreven aan de hand van onze eigen ervaringen en reflecties. We menen een model te presenteren dat theoretisch doordacht en praktisch getoetst is.

Dit artikel beoogt niet een handleiding voor contemplatief luisteren in morele kwesties te zijn. Deze vorm van luisteren is ons inziens niet (alleen) vanuit een boekje te leren, maar vraagt veel oefening en zeker ook leren aan feedback. De meer dan honderd cursisten die de afgelopen tien jaar bij ons de basisvaardigheden voor contemplatief luisteren in morele kwesties hebben aangeleerd, zullen dit bevestigen. Wij zijn hen ook dankbaar voor de feedback die wij van hen mochten ontvangen. Zonder hen zou dit artikel niet tot stand hebben kunnen komen.

Voor de onderbouwing van onze gespreksmethode zijn we Hans Evers bijzondere dank verschuldigd. Wij danken hem ook voor zijn kritisch commentaar op ons manuscript en zijn bijdrage aan de ontwikkeling van onze trainingen.

Literatuur

Evers, H. (2017) Contemplative Listening: A RhetoricalCritical Approach to Facilitate Internal Dialog. Journal of Pastoral Care and Counseling, 71(2), 114-121.

Groot, J. de (2008). Morele counseling voor de patiënt als pendant voor moreel beraad. Tijdschrift voor gezondheidszorg & ethiek, 18(4), 107-111.

Groot, J. de (2011). Ethische benadering – Nijmeegse methode voor morele counseling. Handelingen, 38(3).

Groot, J. de (2016). Decision making by relatives of eligible brain dead organ donors. PhD, Radboud University.

Groot, J. de & Evers, H. (2007). Morele counseling. Presentatie van de Nijmeegse methode. Praktische Theologie, 34(3), 314-332.

Groot, J. de & Leget, C. (2011). Moral counseling: a method in development. Journal of Pastoral Care & Counseling 65(1), 2,1-14.

Maso, I. & Smaling, A. (1998). Kwalitatief onderzoek: praktijk en theorie. Boom Koninklijke Uitgevers. Nussbaum, M.C. (2003). Upheavals of thought: The intelligence of emotions. Cambridge University Press.

Ricoeur, P. (1992). Oneself as another. University of Chicago Press.

Rogers, C.R. (1942). Counseling and psychotherapy; newer concepts in practice. Oxford, England: Houghton Mifflin.

Rogers, C.R. (1966). Client-centered therapy. American Psychological Association.

Rogers, C.R. & Dorfman, E. (1951). Client-centered: Its Current Practice, Implications, and Theory. ICON Group International.

Rogers, C.R. & Freiberg, H. (1969). Freedom to learn. Columbus, OH: Merrill.

Stiles, W.B. (1992). Describing talk: A taxonomy of verbal response modes. Sage Publications Newbury Park.

* Dit artikel verscheen vorig jaar in Journal of Pastoral Care & Counseling, 71, 106-113 als ‘Contemplative listening in moral issues: Moral counseling redefined in principles and method’ en is op verzoek van Handelingen door de auteurs vertaald en bewerkt.

Jack (dr. J.) de Groot is emeritus geestelijk verzorger, KPV-opleider en trainer in de cursus Morele counseling en moreel beraad. Hij is gepromoveerd op een onderzoek naar besluitvorming rond postmortale orgaandonatie. 

Marline (Maria E.C. MSc) van Hoek is co-trainer in de cursus Morele counseling en moreel beraad. Ze studeerde Biomedische Wetenschappen en deed onderzoek naar diverse medisch-ethische kwesties. 

Samen met Hans Evers verzorgen zij de cursus Morele counseling en moreel beraad in het Radboudumc: www.radboudumc.nl/onderwijs/scholingen/cursusmorele-counseling-en-moreel-beraad of op verzoek op locatie: contemplatief luisteren

< Terug