< Terug

Continuïteit en discontinuïteit in de eschatologie

Met zijn uitdagende monografie over de eschatologie roept Bram van de Beek1 de vraag op, hoe continuïteit en discontinuïteit zich verhouden in het nadenken over de komst van Gods Rijk. Zelf legt hij een sterke nadruk op de discontinuïteit. Dat verbindt zich bij hem met de nadruk op het oordeel: als God komt, dan komt Hij om te oordelen. Dat betekent dan het einde van de geschiedenis. En omdat het oordeel voltrokken is aan het kruis, is de geschiedenis al afgelopen. Wij wachten nu op de voltooiing van het oordeel dat voor God geen uitgestrektheid heeft, maar in de tijd wel uitgestrektheid krijgt. In deze tijd van de voltrekking van het oordeel is er voor christenen geen taak weggelegd in de wereld. Zij zijn niet van deze wereld, en tonen hun verbondenheid met de Heer door de werken van barmhartigheid en door hun getuigenis. Hartgrondig zet Van de Beek zich daarmee af tegen elke vorm van vooruitgangsgeloof. Maar biedt hij een waardevolle structuur voor het nadenken over de eschatologie?

Het einde van de geschiedenis

Voor Van de Beek ligt het Koninkrijk van God niet in het verlengde van de geschiedenis.2 Het bevindt zich als het ware in een andere dimensie. Het kruis van Christus, dat in de geschiedenis te dateren is, is tegelijkertijd het einde van de geschiedenis, het oordeel over de geschiedenis. De opstanding betekent niet een nieuwe fase in de geschiedenis, maar is het ingaan in de dimensie van het Koninkrijk.

De gebruikelijke verdeling van de tijd in een periode voor het komen van Christus en een periode van wachten op zijn wederkomst is volgens hem onjuist.3 Er is slechts één komen van de Heer, dat in de tijd verschillende opeenvolgende gestalten aanneemt. Dit komen heeft al plaatsgevonden; alle daden van God zijn al vervuld. Er is niets van belang, dat nog moet geschieden. Elke gedachte dat christenen nog een taak hebben om de wereld te verbeteren, is een godslastering, een ontkenning van het reeds volbrachte werk van Christus. Christenen zijn in zekere zin al buiten de geschiedenis geplaatst: door de doop zijn ze uit deze wereld overgegaan naar het Rijk van God, zodat ze hier alleen nog maar als vreemdelingen kunnen leven.

De enige plek waar ze thuis zijn, is aan de maaltijd van de Heer, de eucharistie.4 Deze nadruk op het Avondmaal5, dat liefst dagelijks gevierd zou moeten worden, laat vermoeden, dat daarin de (enige) verbindingslijn tussen Christus en ons gegeven is. Van buiten de tijd voedt Hij ons, houdt Hij ons in leven. Het beeld dringt zich op van mijnwerkers die in een ingestorte mijngang zijn opgesloten. Wanneer de reddingsploeg hen zal bereiken, is nog onduidelijk. Er is alleen wel een pijpleiding geboord door het losse gesteente, die groot genoeg is om voedsel en drinken bij de ingesloten mijnwerkers te brengen. Ze kunnen overleven, ook al laat de uiteindelijke redding nog wel een tijd op zich wachten.

Als er geen geschiedenis meer is, dan is God klaar met ons en met de geschiedenis. Maar als het oordeel volledig gedragen is en niet nog een keer voltrokken kan worden6, kan er dan nog recht gedaan worden aan wie vandaag in Zimbabwe of Noord-Korea in Haïti of Pakistan slachtoffer is van een onderdrukkend regime of van de verwoesting door natuurgeweld? Mogen zij er nog op rekenen, dat God hun roepen hoort? Dat is voorwaarde, wil er aan hen recht gedaan worden. Wat op dit punt in ieder geval duidelijk moet blijven, is dat ons leven hier en nu voluit betekenis heeft voor God. Niet alleen voor de voltrekking van zijn oordeel, maar ook voor de vervulling van zijn trouw, zijn belofte van met ons zijn. De keuzes die wij maken en de activiteiten die wij ontplooien moeten daarin een plaats hebben. Omdat Gods oordeel over het geheel van ons bestaan gaat, kan het ook pas uitgesproken worden als dit bestaan voltooid is (cf. Heb. 9,27). Het laatste oordeel over het totaal van de geschiedenis omvat heel het samenspel van menselijke verantwoordelijkheid en van menselijk leed. Wanneer het oordeel wordt uitgesproken voordat wij leven, dan gaat het in ieder geval niet meer over ons concrete bestaan waaraan God recht doet.

Gezien de nadruk die Van de Beek terecht legt op God die in zijn oordeel recht doet aan de slachtoffers in deze wereld, zou ook hij een mate van continuïteit moeten erkennen tussen Gods Koninkrijk en de wereld zoals deze nu bestaat. Want het recht dat gedaan wordt, moet specifiek aansluiten bij de situatie van onrecht, die opengebroken en omgekeerd wordt. Anders zou het geen recht zijn, maar hooguit een gedeeltelijke vergoeding.

Winst uit de geschiedenis

Deze aarde is weliswaar enerzijds onderworpen aan de macht van het kwaad, maar anderzijds is het de aarde waarop het kruis van Christus gestaan heeft. Daardoor is het kwaad geoordeeld, maar is ook voorgoed bevestigd dat het deze schepping is die door God van alle bederf zal worden gered. Daarom moet ook de goedheid van de schepping nadrukkelijk beleden worden, evenals de realiteit van de herschepping. Het kruis is niet alleen oordeel, veroordeling, maar juist ook redding, openbreken van de gesloten wereld. Bevestiging dat God zijn schepping redt. Daarmee heeft de geschiedenis zin gekregen, omdat God haar opent naar de toekomst. Dat biedt ruimte om te spreken over wat God uit de geschiedenis meeneemt in zijn koninkrijk. Als wat in de tijd gedaan wordt voor God geen waarde zou hebben, dan zou de geschiedenis slechts een lange onvruchtbare periode zijn waaruit Hij alleen de rechtvaardigen, c.q. gerechtvaardigden overhoudt, terwijl al het overige wordt weggedaan. Maar er zijn voldoende signalen uit de Schrift die wijzen in de richting van verbinding tussen onze daden in het heden en het koninkrijk van God. In de eerste plaats is het spreken over het oordeel een verbindend element. Als God oordeelt over ons en onze geschiedenis, dan verwerkt Hij onze geschiedenis en blijft de geschiedenis van ieder die dit oordeel doorstaat, meeklinken (cf. Rom. 2,6; 1Kor. 3,14; 2Kor. 11,15; Opb. 22,12). Daarnaast spreekt Jezus meer dan eens over loon en beloning voor zijn leerlingen en voor hen die hen ondersteunen (Mt. 5,12; 6,1; 10,41v; Mk. 9,41; Lc. 6,23.35) Dit klinkt ook elders door. Zo wordt gezegd van hen die zich houden aan Gods geboden en de trouw van Jezus: ‘hun daden vergezellen hen’ (Opb. 14,13).7 In Paulus’ uiteenzetting over de opstanding stelt hij dat door de Heer onze inspanningen nooit tevergeefs zijn. (1Kor. 15,58) Ronduit intrigerend blijft in dit verband de tekst van Opb. 21,24vv. In de Naardense Bijbel vertaalt Oussoren deze verzen zo: ‘En de volken zullen wandelen in haar licht, en de koningen van de aarde brengen in haar hun glorie. … En zij zullen de glorie en eer van de volken in haar brengen.’ Dat hier nog de volken en hun koningen genoemd worden, toont aan dat de structuren van de ‘oude’ schepping niet geheel verdwijnen. En wat wordt in het nieuwe Jeruzalem gebracht: lof aan God in woorden uitgedrukt (‘betuigen daar hun lof’, aldus de NBV)? Of heeft de glorie en de eer van de volken ook te maken met hun eigenheid, hun unieke karakter, dat zij als vrucht van hun geschiedenis binnenbrengen in Gods Koninkrijk, inclusief hun economische, creatieve en culturele verworvenheden? Het zal toch ook niet voor niets zijn, dat de Bijbel begint te vertellen over een tuin die God aan de mensen geeft en eindigt met een stad, één van de meest complexe wijzen van leven die de mensen in de loop van hun geschiedenis ontwikkeld hebben?8 Miroslav Volf9 en Darrell Cosden10 zien hier een aanknopingspunt voor het positief waarderen van menselijke arbeid. Dat vereist dan wel een eschatologie die uitgaat van herschepping van de goede schepping en dus van continuïteit tussen het heden en de toekomst die God brengt. Zonder deze herschepping is er voor Volf theologisch geen reden te noemen voor positieve inspanning in de maatschappij. Het alternatief is dat de wereld zo slecht is dat deze niet gered kan worden, of zo onbelangrijk, dat deze het niet waard is om gered te worden.11 Volf ziet juist een doorgaande lijn van menselijke activiteit in het heden naar de nieuwe aarde, ook al moet alles wat wij doen door Gods oordeel heen.

Van de Beek oordeelt ronduit negatief over de werkelijkheid waarin wij ons bevinden en de mogelijkheid van zinvolle menselijke arbeid. Afbreken, opruimen is nu nog het enige is wat God daaraan doet.12 De heerlijkheid van de nieuwe schepping kan pas zichtbaar worden na het ondergaan van het huidige bestel, de heerlijkheid van de gemeente van Christus wordt pas zichtbaar na ‘het vergaan van alle sociale structuren en verbanden van de menselijke geschiedenis.’13 Daarom spreekt hij ook over het huwelijk sterk relativerend, en wijst hij een herkenning na de dood resoluut van de hand.14 De enige verbondenheid die na de opstanding nog telt, is die met Christus.15

Voor het heden geldt: ‘de wereld met haar structuren is mij vreemd geworden.’ Christenen zijn ontheemd, hebben geen doel of thuis op deze aarde.16 De nadruk op de betekenis van ons leven op aarde is daarom teken van verval. ‘We zijn het aardse leven gaan waarderen als het eigenlijke bestaan en stellen daarin dan ook onze doelen. Zo hebben we het besef van vreemdelingschap verloren. … De gerichtheid van ons bestaan is niet op het nieuwe leven dat geboren wordt, maar op het leven in de wereld. … Alleen als we Hem en de gemeenschap van zijn liefde niet als ons hoogste goed en ons diepste verlangen zien, kunnen we ons thuisvoelen op aarde.’17

Hierin klinkt duidelijk een hartgrondige afkeer van het moderne vooruitgangsdenken door, een verzet tegen het optimisme dat wij gaandeweg naar Gods rijk toe bouwen. Dat mag terecht zijn, de oplossing die geboden wordt is niet vruchtbaar. Want horen de sociale structuren waarin de mens als medemens beelddrager van God is niet wezenlijk tot Gods schepping?

Oordeel en discontinuïteit

Van de Beek zet alle kaarten op de discontinuïteit. Eén van de dragende stellingen in zijn werk, die hij niet beargumenteert maar poneert, is namelijk dat het oordeel het einde van de geschiedenis is. Daarbij wordt het oordeel gelijkgesteld met veroordeling.

Bestudering van het bijbelse spreken over de oordelen van God roept echter een ander beeld op. Daar zijn de oordelen van God gericht op herstel, op bekering. Het bijbelse woord ‘richten’ heeft ook de klank van rechtzetten, terechtbrengen. Het oordeel van God is een gestalte van Gods trouw en liefde die niet onverschillig de wereld zijn gang laat gaan. De Heer strijdt tegen het kwaad om mensen los te weken uit het kwaad dat zij doen en dat hen overkomt. 18 Tot op de grens van het definitieve, laatste oordeel dat een einde maakt aan het kwaad en de invloed ervan, staat de weg naar omkeer open. (Cf. Opb. 16,9b: ‘Ze toonden geen berouw en bewezen hem [God] geen eer.’ en 11b: ‘en ze braken niet met het leven dat zij leidden.’)

Van de Beeks centrale stelling is dat God reeds gekomen is om recht te doen, in Jezus. Hij is Gods definitieve antwoord op het onrecht en het lijden dat mensen getroffen heeft en op het onrecht dat mensen anderen hebben aangedaan.19 Op grond van Gal. 4,4: ‘Maar toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God zijn Zoon uitgezonden…’ (NBG 1951), concludeert hij dat de tijd nu vol is, dat er niets meer bij komt, dat het einde van de tijd nu gekomen is. De komst van Jezus uitmondend in het kruis is de afsluitende gebeurtenis. Of hij daarmee recht doet aan het begrip plèroma blijft een open vraag.20 Zijn conclusie is in ieder geval helder: ‘Het gaat om het totale inbreken van Gods koninkrijk in een eenmalige daad van God.’21 Dit heeft op aarde uitgestrektheid in de tijd. Geboorte, sterven, opstanding, hemelvaart van Christus, Pinksteren, parousie zijn daarin onderscheiden momenten.22 Nu is er geen tijd meer, geen geschiedenis waarin nog iets gebeuren kan. We wachten op het einde, ‘ dat geen vervulling meer is maar opruiming.’23. ‘We hebben te maken met een voltooide wereld. Het einde is gekomen en het doel is bereikt. ’ De voltrekking van dit oordeel is nu gaande, en dat is het laatste voor de definitieve openbaring van de komst van Jezus als Redder.24

Dit roept indringende vragen op. Is Christus in deze wereld handelend aanwezig, of is zijn werk nu slechts het uitwerken van het oordeel, totdat zijn koningschap over de nieuwe schepping zichtbaar wordt? Leven wij nu in de geschiedenis nog onder de regering van God, of past alleen het woord ballingschap op ons leven op aarde? Is de Geest in ons en om ons heen aan het werk?25 Want als onze tijd geen geschiedenis is, kunnen wij niet rekenen op daden van God.

Redding als continuïteit

De belijdenis dat God deze aarde goed geschapen heeft en haar draagt, gericht op zijn Koninkrijk, is door Van de Beek tot een minimum teruggebracht. Het heil is dat wij weten, dat er in de toekomst plaats is in Gods rijk, dat wij zullen opstaan uit de doden. De opstanding is het enige voorbeeld dat hij geeft van de positieve uitwerking van dit oordeel. In de opstanding van Jezus heeft God bewezen dat Hij recht doet.26 Dat lijkt ook het totale heil te zijn: over herstel of vergoeding wordt in dit verband verder niet gesproken. Tot aan de tijd van het zichtbaar worden daarvan is het overleven, in de hoop dat de ellende niet erger wordt.

Nog nadrukkelijker dan Barth concentreert hij de eschatologie rond het kruis. Barth staat uitvoerig stil bij de uitwerking van de verzoening in de tijd27 en de taak voor mensen om getuigen te zijn.28 Hij wijst er op, dat er in de traditionele ecclesiologie een belangrijk stuk ontbreekt, namelijk de uitwerking van de taak die de kerk heeft in de wereld.29 Omdat Christus het fundament van de kerk is, heeft ook zij een roeping in de wereld, om net als Hij er voor de wereld te zijn.30 Bij Van de Beek ontbreekt dit aspect zo goed als geheel.31 Ook al sluit hij op een aantal punten duidelijk aan bij Barth, uit KD IV/3, waarin het gaat over de geschiedenis van de verlossing en de gestalten van het komen van Christus, citeert hij niet eenmaal. En dat is niet alleen maar toevallig. ‘Christenen hebben geen doel op aarde.’32 Het is volbracht.

Het is echter de vraag of we in het licht van de bijbel alleen maar over discontinuïteit kunnen spreken. Als bij het oordeel alles afbreekt en er niets overblijft, dan is er geen verlossing, maar slechts een einde en een nieuw begin. Dan zou er na het laatste oordeel een nieuwe schepping moeten plaatsvinden om de achtergebleven leegte op te vullen. Waar het oordeel echter ook verlossing betekent, daar is sprake van continuïteit. De toekomst gaat dan open voor hen die tot dan toe gebukt gingen onder de lasten van schuld, ellende en vergankelijkheid. Zij worden bevrijd en krijgen de ruimte om te leven. Dat sluit ook aan bij aan bij de conclusies in de zorgvuldig opgebouwde exegetische studie van dr. Harmen U. de Vries.33 Hij toont aan dat in het spreken over de opstanding in de Schrift discontinuïteit en continuïteit samengaan. Gezien de doorwerking van de zonde zal er bij ieder die door het oordeel wordt verlost ook een transformatie moeten plaatsvinden die zonde, oneer, vergankelijkheid en zwakheid verandert in bezieling door de Geest, heerlijkheid, onvergankelijkheid en kracht.34 Dat betekent dus dat we hier wel mogen spreken van een nieuwe stap in Gods scheppend handelen, maar dat de doorgaande lijn van schepping naar verlossing duidelijk zichtbaar blijft.35 De Vries wijst er op dat Paulus ook spreekt over de innerlijke vernieuwing van de gelovige tijdens dit aardse leven als begin van de uiteindelijke transformatie. Er is dus tegelijkertijd sprake van discontinuïteit en continuïteit.36

Lichamelijke opstanding als verlossing uit de wereld?

Van de Beek voert een hartstochtelijk en terecht pleidooi voor de lichamelijkheid van de opstanding.37 Deze nadruk heeft alles te maken met de centrale vraag: Doet God recht? Dat recht moet gelden voor de concrete mens in zijn lichamelijkheid; anders is het geen recht.38 Zo wordt onderstreept ‘dat God deze concrete, materiële wereld heeft geschapen, die liefheeft en trouw is. Hij is die ook trouw als deze zozeer verziekt is, dat ze de gestalte van een lijk heeft aangenomen. God redt zijn gehele schepping en niet alleen het geestelijke.’39 Het belijden van de lichamelijke opstanding is dus ook belijden van de goedheid van de schepping.40 Een vergelijkbare concreetheid ziet hij ook als noodzakelijk bij het spreken over oordeel en vergelding: daarin neemt God mensen en hun keuzes serieus.41

Zoals wij zagen vereist deze stelligheid dat er ook continuïteit tussen schepping en herschepping is. God redt niet alleen vanuit zijn Rijk, Hij haalt niet alleen mensen uit de wereld naar zijn Rijk, Hij redt ook het werk waaraan Hij in de geschiedenis begonnen is. Als het einde alleen discontinuïteit is, dan verdwijnt uit het zicht dat God de schepper als verlosser het werk van zijn handen redt, en niet slechts een nieuwe start maakt na het oordeel. Ook in haar gevallen staat is de wereld schepping van God.

Een goede schepping?

Zoals gaandeweg al naar voren kwam, is dat het denken over het oordeel onlosmakelijk verbonden is met ons denken over God als de schepper. Daarbij stuiten we op de terloopse opmerking van Van de Beek, dat hij niet denken wil in termen van een goede schepping die door de val in de greep van het bederf gekomen is. Hij wil liever spreken van een schepping die nog in ontwikkeling is, voorlopig, bedoeld om onder te gaan, zodat daarna de heerlijkheid zichtbaar kan worden. De vertrouwde trits van (volmaakte) schepping, zondeval en verlossing legt naar zijn mening teveel nadruk op continuïteit, waarin de verlossing in het verlengde ligt van de schepping. Hij betrekt de beeldspraak van Paulus in 1Kor. 15, waarmee deze de opstanding van het lichaam verstaanbaar wil maken, op de schepping als geheel: de schepping is het zaad dat God gezaaid heeft om te komen tot de heerlijkheid. 42 Feitelijk stelt Van de Beek dus dat de wereld niet zo goed is als wij wel willen denken. Leven op deze aarde betekent leven in het geboortekanaal, onder druk van de persweeën.43 Voor christenen geldt: ‘De aarde zelf is hun diaspora.’44 Wij leven nu in de tijd van het zaad dat sterft.

Spreken over een goede schepping die een staat van perfectie kende, behoort voor Van de Beek tot een kernelement in de zonde, want dan laat men zich niet losmaken van het oude. Te mogen behoren tot de nieuwe kosmos, dat is de eigenlijke verlossing. Vandaar dat hij ook nauwelijks iets zegt over oordeel als rechtdoen aan de slachtoffers: het lijden van de geboorte is immers geen kwaad, maar noodzakelijk. Verzet tegen lijden als iets vreemds is daarom voor hem niet de weg.

Maar betekent het belijden van God als de schepper niet dat ook gesproken moet worden over de goedheid van de schepping? Niet voor niets heeft de kerk nadrukkelijk de opvattingen bestreden van hen die een onderscheid maakten tussen de (lagere) schepper en de (hogere) verlosser. Daarom moet er mijns inziens een nadrukkelijke verbinding zijn tussen de scheppingsdaad van de drie-enige God en zijn verlossend handelen. Dat is zijn ene, doorgaande werk dat zich in verschillende fases voltrekt, dat zelfs verstoord wordt door de mensen die Hij geschapen heeft, maar dat Hij niet opgeeft. Als wij de belijdenis van de eenheid van God willen handhaven, zullen wij ook de eenheid van zijn werk in schepping en verlossing moeten belijden. Dan moeten we ook spreken over blijvende structuren van Gods schepping die in zijn Koninkrijk blijven bestaan. Dat wij mensen een tastbaar lichaam hebben, dat wij mensen leven in relaties, dat wij verantwoordelijkheid en vrijheid hebben ontvangen, dat de aarde uit materie is opgebouwd en deel uitmaakt van een voor ons oneindig heelal, dat er naast de mens vele bezielde en onbezielde schepselen leven, dat lijken mij voorbeelden van de door God gewilde structuur van de schepping. Dergelijke structuren zijn niet door de zonde ontstaan, maar er hooguit door aangetast. Daarom wil ik wel spreken van een noodzakelijke vernieuwing of transformatie van deze structuren, maar niet van hun verdwijning. Daarbij moeten wij erkennen dat onze kennis van de structuren van Gods schepping zo beperkt is, dat wij niet veel kunnen zeggen over de wijze waarop God zijn schepping zal vernieuwen.

Is er nog goed te doen?

In de wereld die op het einde wacht, hoeven christenen hun positie, hun goede naam, hun bezit niet meer te verdedigen omdat hun identiteit met Christus in God geborgen is, stelt Van de Beek. Zo kunnen juist zij de bestaande machtsstructuren ondergraven door er niet in mee te doen.45 Maar daarnaast staat dat volgens hem de huidige sociale relaties geen toekomst hebben: ze behoren tot de oude wereld, en daarom is er geen enkele behoefte om ze te wijzigen. Oproepen tot bekering, zoals de profeten van het Oude Testament deden, is niet meer aan de orde.46 Investeren in de structuren van deze wereld is niet slechts verspilde energie, maar verwerpelijk, want dan ‘zeggen we eigenlijk dat Christus nog maar even had moeten wachten met zelf alles te vervullen.’47 Wat wij nu nog op aarde doen, is wachten tot we vertrekken.48

Er is daarom nauwelijks iets goeds te verwachten van onze activiteiten op aarde. ‘Voor zover wij handelen in de wereld, handelen wij aan onze verlorenheid’.49 Tegelijkertijd houdt Van de Beek er aan vast dat wij geoordeeld worden naar onze werken, naar de werken van barmhartigheid, ‘met ontferming bewogen om de wereld om wie Christus zoveel geeft.’50. Hij werkt dit niet uit, en lijkt er ook geen echte voorstelling bij te hebben. Structureel zal dit niet mogen worden. We mogen een hongerige wel voeden, maar geen actie ondernemen voor het beter verdelen van de beschikbare voedingsmiddelen. Inzet in de (lands)politiek is inzet voor een veel te beperkt doel. Het zou de indruk wekken dat het ons om aardse macht gaat.51 We moeten juist wegtrekken ‘uit de sociale, economische en politieke structuren die het gezicht van de wereld bepalen.’52 Het laatste oordeel is na de voltrekking ervan in uitvoering. ‘Wat er verder nog in de wereld gebeurt, kan daaraan niets meer afdoen – en ook niets meer toedoen. Wat wij dus verder doen, doet er niet meer toe voor het koninkrijk van God.’53

Als het voor ons verboden is om energie te steken in het verbeteren van de structuren van deze wereld, dan moeten wij concluderen dat ook de Here God sinds de komst van Christus niet meer in de geschiedenis handelt. Dat acht ik onhoudbaar. Als het zijn wereld is, dan kan Hij daar niet buiten staan omdat daarin alleen maar mensenwerk en zonde te vinden zouden zijn. Het zal onomwonden duidelijk moeten blijven dat wij niet achter Gods rug leven, op een plek die door God al is afgeschreven.

Conclusies

Een eschatologie die zo nadrukkelijk staat in het teken van het oordeel als veroordeling, is te eenzijdig. Er is oordeel van God over al het kwaad dat zijn schepping bederft, over al het kwaad dat mensen doen. Dat oordeel is een vastberaden ‘Nee’. Maar de diepste zin van het oordeel is de redding van wereld. Want in de Schrift is het oordeel een aspect van de liefde van de Heer voor zijn schepping. Johannes vat dat kernachtig samen door te stellen dat God zoveel van de wereld houdt dat Hij daarom zijn eigen Zoon zendt om te redden (Joh. 3,16) Omdat Gods ‘ja’ tegen zijn schepping en tegen mensen fundamenteel is en bij wijze van spreken al aan de schepping vooraf gaat (cf. Ef. 1,4v), is zijn oordeel niet alleen een wegdoen van de gevallen schepping. Gods reddende en scheidende oordeel is uiting van Zijn vastberaden keuze om de wereld niet uit zijn handen te laten vallen. In zijn weg door de geschiedenis heeft God zich steeds meer laten kennen, in Jezus heeft Hij zijn hart getoond om ons te winnen zodat wij Hem uiteindelijk zullen zien van aangezicht tot aangezicht. (1Kor. 13,12) Omdat God deze wereld bestaan heeft gegeven, komt er winst uit de geschiedenis binnen in Gods rijk. Ook menselijke arbeid heeft waarde die in het Koninkrijk blijft bestaan.

Er is dus ruimte voor een ‘theologie van vertrouwen’ die de moed heeft om ook doorgaande lijnen te zien vanuit de geschiedenis naar Gods koninkrijk. Over Gods aanwezigheid in deze wereld en de waarde van onze arbeid mag ook positief gesproken worden, zoals anderen hebben betoogd.5455 De stelling ‘Hier beneden is het niet’ wil ik daarom vervangen door de belijdenis ‘Hier beneden is Hij bij ons.’ Totdat Hij komt.

< Terug