< Terug

Daar heb ik geen toegang toe

Over digitale kerkdiensten en online sacramenten

Een gelovige gamer valt over het feit dat hij zich in de loop van het spel virtueel moet laten dopen om verder te kunnen spelen. Hoe echt is virtueel? En kan een virtueel kerkelijk ritueel ook echt zijn?

In 2014 gaf mgr. Claudio Maria Celli, directeur van de pauselijke raad voor de sociale communicatiemiddelen, een interview aan het online magazine Zenit. Sergio Mora vroeg de directeur of een digitale omgeving voldoende is om een goed christen te zijn. Celli antwoordde ontkennend:

Ik kan geen leerling van de Heer zijn louter en alleen op internet. Ik moet een concrete gemeenschap hebben die mij ontvangt (…), waarmee ik samen op kan trekken. Het is niet voldoende om de sacramenten te denken, ik heb daar geen toegang toe via internet.

Jammer genoeg voor Celli werd de pauselijke raad in 2015 opgeheven en moest de bisschop zich tevreden stellen met het presidentschap van de Vaticaanse televisie en filmbibliotheek. Celli is dus niet erg te spreken over het idee van digitale kerkdiensten en online sacramenten. Maar niet iedereen is het met de prelaat eens. In zijn boek SimChurch (2009) spreekt Douglas Estes over een ‘bètafase’ waarin de kerk zich bevindt na de komst van het internet, een verwijzing naar de testfase van software en videogames, waarvan de kerken zich nu eindelijk eens moeten bevrijden:

Als een virtuele kerk afziet van het praktiseren van enige vorm van het vieren van de Maaltijd des Heren, loopt zij het risico om Jezus’ opdracht te onteren. (…) Als een virtuele kerk afziet van het vieren van de sacramenten, dan stelt zij vraagtekens bij haar eigen geldigheid als kerk.

Wie heeft er gelijk in deze discussie? De meer traditionele Celli, die een scherp onderscheid maakt tussen offline en online kerk-zijn, of de enthousiaste pionier Estes, die dat onderscheid theologisch diskwalificeert als onchristelijk? Zoals altijd staat de gewone huis-tuin-en-keukengelovige er meewarig en onbegrijpend bij te kijken. Vooral omdat er al zoveel voorbeelden zijn van kerkelijke digitalisering.

Tijd en ruimte

Denk aan pre-internet oplossingen als de kerktelefoon, of de televisieregistratie van de heilige mis of de halfjaarlijkse urbi et orbi-zegen van de paus, maar ook aan de aloude praktijk van de ziekencommunie, waarbij priester, diaken, pastoraal werker of familielid met de tijdens de eucharistieviering geconsacreerde hostie naar zieken toe gaat. In al deze gevallen ervaren mensen gemeenschap met elkaar, ook al zijn ze in tijd en ruimte van elkaar gescheiden.

Denk ook aan de talloze internetpioniers die hebben geëxperimenteerd met digitale kerkdiensten, zoals MijnKerk.nl van de PKN in Nederland of het netwerk van Life.Church uit de Verenigde Staten. Nu is iedereen het erover eens dat er nog wel een wereld te winnen is als het gaat om digitale kerken, kerkdiensten en sacramentenbediening, aangezien de meeste onlineexperimenten gesneuveld zijn in schoonheid en ambitie. Maar aan de andere kant: zonder falen slaagt niemand. Het was niet voor niets dat Estes sprak over een bètafase waaraan kerken zich moeten ontworstelen.

Enfin, voor-en tegenstanders, of liever gezegd: digitale enthousiastelingen en virtuele sceptici zijn het in ieder geval met elkaar eens dat inzake digitale kerkdiensten en online sacramenten de crux ligt bij de spatiële en temporele dimensies van liturgie en gemeenschap. In normaal Nederlands: is het noodzakelijk voor kerk en sacramenten om met elkaar op hetzelfde moment in dezelfde (fysieke) ruimte te zitten? Estes is duidelijk over zijn positie:

De Bijbel geeft nergens regels over de fysieke en spatiële voorwaarden voor de Maaltijd des Heren (behalve het gebroken brood en de wijn).

Op zich klopt dat: de Bijbel noch de rooms-katholieke traditie heeft specifieke aandacht voor het feit dat de beminde gelovigen op één-en dezelfde tijd en plaats samen dienen te komen voor de viering. Maar zoiets aan de Bijbel of de traditie vragen is anachronistisch: de Bijbel kan geen antwoord geven op vragen die de mensen toen niet konden stellen. En internet is toch echt een na-bijbelse uitvinding.

Virtueel versus reëel

De digitale koudwatervrees, waarvan Celli slechts een voorbeeld is, wordt ook veroorzaakt door het idee dat ‘virtueel’ gelijkstaat aan ‘nietecht’. Denk maar aan een voetbalclub die tijdens een spannende finale ‘virtueel’ winnaar van de groep is. Een tegendoelpunt maakt daar echter direct een einde aan. En virtueel geld zoals bitcoin voelt pas ‘echt’ als je het hebt omgeruild voor keiharde euro’s, die overigens—heel ironisch—eigenlijk ook alleen bestaan als eentjes-en-nulletjes in de database van je favoriete huisbank. Gamers weten echter heel zeker dat virtueel heel reëel kan zijn. Een mooi voorbeeld daarvan is de game Bioshock Infinite uit 2013. In die game heeft de speler de rol van de aan lager wal geraakte privédetective Booker DeWitt, die op pad gestuurd wordt om een jonge vrouw, Elizabeth, te bevrijden van de dictatoriale profeet Zachary Comstock. Comstock woont aan boord van een gigantische vliegende stad, Columbia, waarover hij de scepter zwaait. De inwoners van Columbia zijn, als hun leven hun lief is, devote volgelingen van de Kerk van Comstock, een bizarre combinatie van protestantisme, patriotisme en Amerikaans exceptionalisme (America is the best!). Om de stad van Columbia in te kunnen, moet Booker zich langs een overijverige dominee werken, die een wel hele vreemde door policy heeft: alleen wie zich laat dopen in de kerk van Comstock mag naar binnen. En omdat er geen enkele andere mogelijkheid is de stad in de komen—en 99% van de game zich daar afspeelt—laat eigenlijk elke speler zich dan maar initiëren in deze virtuele kerk. Behalve Breen Malmberg. Malmberg is een christelijke gamer die een refund vroeg én kreeg van de verkoper van Bioshock Infinite op basis van zijn levensovertuiging. Na een interview aan de bekende gamesite Kokatu.com werd hij wereldberoemd, in de gamer community dan. Hij schreef aan de makers van Bioshock:

‘Ik kan dit spel niet spelen omdat aan het begin van de game een sectie is die zo beledigend is voor mijn religieuze overtuigingen dat ik niet verder kan doorspelen. (…) De speler wordt gedwongen een keuze te maken, die in mijn religie (christendom) als uiterst godslasterlijk wordt beschouwd. (…) Er is geen manier om deze scène over te slaan of te omzeilen. (…) Als u nog meer overtuiging nodig hebt, maak ik gebruik van de volgende analogie: als u een moslim was geweest, zou het geweest zijn alsof de speler gedwongen was ‘druk op x om in Allahs gezicht te spugen’ uit te voeren om verder door het spel te komen.’

Heftige woorden en emoties. Vooral de analogie tussen het virtuele doopsel van Bioshock en Allah in het gezicht spugen zorgt ervoor dat niemand twijfelt dat het Malmberg serieus is. Intrigerend genoeg laten zijn heftige woorden zien dat de identificatie tussen de speler en zijn avatar (in dit geval Booker) verder gaat dan louter het bedienen van een robot of machine, en dat de virtuele realiteit van een videogame net zo echt kan zijn als het offline-leven van alledag.

Gelijk biechten

Games doorbreken die virtuele grens dus al geregeld, daar waar kerkelijke organisaties beducht zijn voor die oversteek. Zo wordt de app-markt al jaren overspoeld met betere en vooral slechtere ‘biechtapps’. The Confession App, Catholic Confession, Confession, Confessit, Konfesso, enzovoorts bieden allemaal een online alternatief voor die goeie ouwe gang naar meneer pastoor, een gewoonte die in onze postmoderne tijd nogal uit de mode is geraakt. Tegelijk zien we overal de behoefte van mensen om ‘te biecht’ te gaan, al is meneer pastoor vaak ingeruild voor Oprah Winfrey (als je een beroemdheid bent, zoals Lance Armstrong die zijn dopinggebruik bij haar opbiechtte) of voor Twitter of Instagram als je gewoon jan-met-de-pet bent, die ook even zijn ziel wil ontlasten.

De reactie van officiële kerkelijke zijde is vaak negatief, op een enkele uitzondering na. Zo keurden de Amerikaanse bisschoppen in 2011 het gebruik van de Confession: A Roman Catholic App goed, al moet daarbij wel vermeld worden dat de app de gelovige alleen voorbereidt op de real deal bij meneer pastoor zelf. Nee, virtueel biechten is nog steeds niet geaccepteerd in de roomse kerk en wel met dezelfde argumenten als we eerder aanhaalden: er is geen gelijktijdigheid en gelijkplaatselijkheid tussen biechtvader en biechteling. En daar zit de crux van de zaak. Sacramentaliteit, zeker in de rooms-katholieke traditie, is een heel fysiek gebeuren. Er zijn heilige gebeden, gebaren en objecten, zoals kaarsen, brood en water. De sacramenten worden gevierd in een groep van gelovigen, die op een speciale plek bij elkaar gekomen is, op een vooraf bepaald uur van een bepaalde dag van de week. Dat levert een enorme concentratie op, op één plek, op één moment, waardoor zo’n doop of eucharistieviering ook ‘opgeladen’ wordt. Zodra je dat gaat versnipperen, verlies je rituele waarden, of je dat nu doet met de mis op televisie of met biechten via de app.

Ik denk echter dat het hier eerder om een technisch probleem gaat, dan om een principieel theologisch probleem. De stand van de techniek, zelfs inclusief virtual reality, augmented reality en geotracking, is gewoonweg nog niet in staat om een virtuele wereld te construeren die voor mensen op geen enkele wijze te onderscheiden is van de wereld van vlees en bloed. Op het moment dat die technische barrière gebroken is—en voor iedereen toegankelijk, niet alleen voor de rijke westerling—kunnen mensen virtuele tijd en ruimte met elkaar delen, elkaar voelen en horen.

Dan komt het moment waarop digitale kerkdiensten en online sacramenten geen kwestie meer zijn van theologische speculatie of kerkelijke bèta testing, maar van de realiteit van alledag.

Dr. Frank G. Bosman is cultuurtheoloog en verbonden aan het Tilburg Cobbenhagen Center, Tilburg University.

< Terug