< Terug

‘Dat regelen de kerkrentmeesters’

Over cultuur, geld en het evangelie

Wat gebeurt er als mensen van verschillende culturele achtergronden elkaar tegenkomen in kerkgebouwen? Hoe worden verschillen in cultuur en/of theologische visie ervaren? Kunnen gebouwen het gemeenschapsleven en de missionaire roeping faciliteren of juist bemoeilijken? Wat gebeurt er met de relaties? In dit artikel verkent Pieter van Winden de geleefde realiteit en de ervaring van het delen van kerkgebouwen met groepen mensen van verschillende culturen. Er blijken zowel mogelijkheden als frustraties te zijn. Onbegrip en conflict kunnen onbedoeld ontstaan. Delen blijkt niet de makkelijkste weg. Het vraagt eerlijkheid, openheid en bereidheid te kiezen voor elkaar, tot dienst aan elkaar.

Een groep christenen huurt een kerkgebouw. Dat kerkgebouw is van een andere gemeente die er zelf diensten houdt op zondagochtend. Op zondagmiddag komen de huurders. Tussen die diensten in loopt men door elkaar in de gangen rond de kerkzaal. De verhurende gemeente heeft een diaconaal project in Ethiopië. Geldinzameling voor de opvang van vrouwen in dat land levert een mooi bedrag op. Contact tussen de verhurende en de hurende gemeente kan voor allebei interessant zijn. Want de meeste leden van de hurende gemeente zijn in Ethiopië geboren. De gemeente van wie het kerkgebouw is, is een gemeente van de landelijke Protestantse Kerk. De meerderheid van die gemeenteleden is opgegroeid in Nederland. Als ik mensen van de verhurende gemeente vraag naar contact met de huurders, dan hoor ik aanvankelijk: ‘Dat regelen de kerkrentmeesters.’ Er is geen onderlinge uitwisseling.

Cultuur, geld en evangelie. Ik bespreek drie aspecten: gebouw als kans voor christenen; gebouw als aanjager van racisme; machtsverschillen en de macht van God.

Gebouw als kans

In de interculturele theologie zijn er die beweren dat christelijk geloof fundamenteel en van het begin af aan grenzen overschrijdt. De term ‘bekering’ is daar bepalend bij. Als iemand zich bekeert tot Christus, dan kopieert hij of zij niet het geloof van degene die het hem of haar aanreikte. De bekeerling zal Christus leren kennen via de beleving en middelen die de eigen cultuur aanreikt. Andersom zal de bekeerling de eigen cultuur en gewoontes vanuit het nieuwe geloof aanvullen of aanpassen. Zo ontstaat er bij elke bekering een nieuwe, levende stem van Christus in en ten opzichte van een cultuur. Zo ontwikkelt zich het geloof voortdurend. Grensoverschrijding is vanuit die optiek een levensvoorwaarde voor de wereldwijde kerk.

Het verhuren of huren van een gebouw is een kans voor geloofsgroei en toename van maatschappelijke zeggingskracht van christenen

Momenteel is zes procent van de Nederlandse bevolking, zo’n één miljoen, christen met een migratieachtergrond. Een kerkgebouw verhuren aan medechristenen is zo bezien een kans op grensoverschrijding, zonder dat je naar een ander land hoeft te gaan. Het is een kans op ontmoeting met een stem van Christus die je nog niet kende, maar die wel in deze zelfde samenleving klinkt. De verhuur van een kerkgebouw is een kans, maar blijkt geen makkelijke. Er zijn veel obstakels. Zo kan de spirituele opvatting van een gebouw van de één botsen op de zakelijke omgang met een gebouw door de ander. Taalbarrières en communicatiestijlen kunnen het lastig maken. Vaak heeft iedere gemeente ook de handen al vol aan de eigen sores. Moet je dan ook nog je best gaan doen in het contact met ‘die’ andere christenen?

Misschien zit er niks anders op. Het alternatief is dat je het houdt bij je eigen groep, die je al kent, met het Godsbeeld dat je al kent. Dan wordt het moeilijk om bijvoorbeeld de brief aan de Efeziërs, in hoofdstuk 2 vers 19 goed te begrijpen. Daar lees ik immers dat wij, christenen: ‘geen vreemdelingen of gasten meer zijn maar burgers, huisgenoten van God’.

Vijftig situaties van samenwerking

Het is interessant om te zien dat er in Nederland naar schatting zo’n vijftig situaties van interculturele samenwerking zijn of waren. Hoe dat ‘na corona’ blijft of uitpakt, valt af te wachten. Die vijftig situaties kwamen niet zelden door ontmoetingen via verhuur tot stand. Ze laten soms missionaire of diaconale initiatieven zien, soms is het puur op ontmoeting gericht. In alle gevallen zie je hoe kerken tegen de trends van groeiend nationalisme en populisme ingaan; gewoon door hun praktijk van samenwerking.

Een voorganger van een internationale kerk zei mij eens: ‘The gospel runs on the wheel of money.’ Om het evangelie te laten doorgaan, biedt de verhuur van een gebouw dus volop kansen.

Aanjager van racistische reflexen

In verband met de toeslagenaffaire werd er over institutioneel racisme gesproken. De belastingdienst hanteerde een algoritme dat selecteerde op herkomst. Een niet-westerse achtergrond van één van de ouders werd een indicatie van fraude. De regering, de rechterlijke macht, de Raad van State en de Tweede Kamer gingen mee in deze praktijk, totdat mensen die elders geboren zijn – oh verrassing! – onschuldige burgers bleken te zijn.

Intercultureel theologen zeggen dat het indelen naar land van herkomst of het denken in etniciteit op zich al racisme is. Het is een restant van koloniaal denken: je ziet een uiterlijk kenmerk (land van herkomst) en je zegt dat je daarom weet hoe iemand qua karakter is en qua betrouwbaarheid. Dat helpt als je de macht wilt houden over die andere groep. Maar de bijbelse gedachte dat God het innerlijk ziet, terwijl mensen elkaar op uiterlijk beoordelen, is daarin ver weg.

Het is geen moralisme, wat intercultureel theologen beweren. Het gaat om feiten en waarneming. Ik heb dat zelf gemerkt in mijn onderzoek onder ‘migrantenkerken’. Ik wilde kerken indelen naar culturele verschillen. Ik dacht dat er Afrikaanse kerken waren en Chinese kerken enzovoorts. Maar mensen van zo’n kerk zeiden: ‘Wij zijn geen migranten, we zijn een christelijke gemeente in Nederland.’ Of: ‘We zijn een internationale gemeente.’

Dat klopte ook. In zo’n gemeente kwam ik mensen tegen van allerlei achtergrond, met allerlei talen en allerlei invalshoeken. En ook gebeurde het dat mensen van eenzelfde culturele achtergrond sterk verschillende keuzes maakten ten aanzien van kerk-zijn. In een stad als Utrecht kwam ik vijf kerken tegen die ik ‘Chinese kerken’ zou noemen. Maar onderling was er tussen deze kerken geen contact. En men zag zichzelf in geen geval als een categorie.

Superdiversiteit

Misschien was het naïef van mij om culturele en nationale verschillen te plakken op christelijke groepen. Maar ik wilde greep krijgen op die superdiverse situatie waarin wij leven: met z’n honderden nationaliteiten in één land, met z’n negentien politieke partijen in de Tweede Kamer, met – nog los van de vele religies die hier zijn – z’n honderden vormen en talen waarin mensen gemeente of kerk zijn.

‘Wij zijn geen migranten, we zijn een christelijke gemeente in Nederland’

Een belangrijke theorie zegt dat onze samenlevingen wereldwijd superdivers aan het worden zijn. Dit spreekt cultuurtheorieën tegen die mensen indelen naar herkomst. Superdiversiteit houdt in dat mensen niet in te delen zijn volgens een beperkt aantal meetbare categorieën. Ieder maakt deel uit van meerdere netwerken. Daarmee komt in ieder een baaierd aan categorieën samen: herkomst, leeftijd, manier van migratie, moment van migratie, sociale positie, woonwijk, geslacht, seksuele voorkeur, politieke oriëntatie, taal of talen, opleidingsniveau, herkomst van ouders, religie, internationale contacten enzovoorts. Via ontmoetingen ontstaan wijzigingen en verschuivingen in die superdiverse identiteit van ieder van ons. Culturele achtergrond bestaat dus wel, maar ze is steeds vermengd met vele andere elementen.

Ik kwam migranten van een etnische groep tegen die de migranten van ‘hun eigen’ groep verafschuwden. Waarom? Ze kwamen toch uit hetzelfde land? De reden lag in het moment van migratie: recent of vijftien jaar geleden.

Hoe kun je anderen dan aanduiden als ‘migrantenkerk’, als mensen zichzelf zo niet noemen?

‘Die Nederlanders’ en ‘typisch Afrikaans’

Misschien was ik dus naïef. Maar ik zag dat ik niet de enige was. Dat kwam naar voren juist bij het hebben van een gebouw. Als meer gemeenten één kerkgebouw gebruiken, ontstaat er nogal eens wrijving of conflict, onbedoeld en niet voorzien. De één gaat bijvoorbeeld iets langer door dan afgesproken.

Of de ander ergert zich eraan dat stoelen niet goed teruggezet worden. Ik heb ook meegemaakt hoe twee gemeenten van de Protestantse Kerk in één gebouw kerkten. Van één en dezelfde kerk dus, maar toch hoorde je af en toe een verongelijkt ‘wij’ en ‘zij altijd …’.

In de casussen die ik bestudeerd heb merkte ik hetzelfde op, maar dan met een extra element. Zelfs daar waar de verhurende en hurende gemeenten een vorm van samenwerking kenden, sprak men bij wrijving of conflict rond het gebouwengebruik opeens van ‘zij’ als ‘die Afrikanen’, ‘typisch Afrikaans’, en ook ‘die Nederlandse mentaliteit’, et cetera. Dat gebeurde over en weer.

Vanuit interculturele theologie duid je dat als racisme: de ‘ander’ indelen op basis van herkomst. Je gaat dan voorbij aan de superdiversiteit waarin we leven. Je gaat dan voorbij aan de identiteit die een mens kan hebben in Christus, waarbij labels als ‘jood’ of ‘heiden’ geen vat meer op ons hebben, hoe divers we verder ook zijn. Dan staat strijd om macht over een gebouw voorop. En racisme helpt als wapen in die strijd. Ondanks Efeziërs 2:19 bombardeer je de ander toch maar weer tot vreemdeling of gast, tot ‘bijwoner’.

Machtsverschillen

Een gemeente waarin één van de Ethiopische talen de voertaal is, huurt een kerk om er zondagse diensten te houden. Schuchter lopen de mensen van deze gemeente door het gebouw. Als ze bij elkaar zijn in de kerkruimte lijkt er een last van de gemeenteleden af te vallen. Lichaamsbewegingen worden vloeiend en vrij. Er is kennelijk een verschil of je ‘onder elkaar’ bent als huurders, of dat je met de verhuurders samen in een ruimte bent.

Is dat een machtsverschil? Dat kan. Waar mensen zijn, zijn machtsverschillen. Wijdverbreid is het idee dat migranten gemarginaliseerd zijn. Dat houdt in dat migranten minder toegang zouden hebben tot de instanties, voorzieningen en scholing.

Dat beeld moeten we nuanceren. Zo zijn er plaatsen waar relatief veel gefortuneerde migranten (expats) wonen. Ook zijn er kerken met veel leden met een migratieachtergrond die goed in staat zijn om fondsen te vinden. Niettemin, als huurder ben je afhankelijk van de verhuurder. Voor veel hurende gemeenten is het bezit van een eigen kerkgebouw dan ook een ambitie. Maar machtsverschil kan ook een tegenreactie oproepen. Een voorbeeld daarvan is de situatie van een ‘Ethiopische kerk’.

De voorganger van de protestantse wijkgemeente spreekt een gemeentelid van de huurders aan. Deze reageert schoorvoetend. Maar de aanhouder wint. En na enkele maanden hebben deze voorganger en enkele gemeenteleden van beide kerken een ontmoeting.
Eerst hebben ze een paar keer bijbelstudie. Dan besluiten ze om samen tienercatechese te gaan houden. De tieners zien dat na een eerste gezamenlijke bijeenkomst zitten. Ze kennen elkaar al van school en samen is de groepsgrootte beter.
Dan hoort de PKN-predikant dat de voorganger van de hurende gemeente het afblaast. Waarom? Het gerucht gaat dat de voorganger van de hurende gemeente de samenwerking afkeurt omdat de protestantse gemeente predikanten ongeacht hun geaardheid laat voorgaan in de erediensten.

Is dit een principekwestie? Of is dit macht en tegenmacht?

Misschien is die vraag niet het belangrijkste. Het bezit van een gebouw en van geld is een machtsfactor. Jezelf als kerk organiseren met een bepaalde taal is ook een machtsfactor. Voor een kerk is de vraag misschien allereerst wat je met die macht doet. Onder intercultureel theologen heerst vaak de opvatting dat jouw macht gericht moet zijn op een missionaire, op hoop gerichte manier van samenleven. Kortom, op vrede. Nog één keer de brief aan de Efeziërs, in hoofdstuk 2 vers 17: ‘Vrede kwam hij verkondigen aan u die ver weg was en vrede aan hen die dichtbij waren.’

De macht die in het omgaan met een gebouw of geld besloten ligt, kan daar een antwoord op zijn.

Pieter van Winden is als interim-predikant verbonden aan de Protestantse Kerk in Nederland. Hij is bezig met de afrondende fase van een promotieonderzoek aan de Protestantse Theologische Universiteit naar veranderingen die interculturele samenwerking tussen kerken in Nederland teweegbrengt.

< Terug