< Terug

David vestigt zich in Jeruzalem

Alternatief bij vijfde zondag van de herfst (2 Samuël 5:6-16)

Isboset, zoon van Saul en koning over Israël, is dood. Er is nog één mannelijke nazaat: Mefiboset, zoon van Jonatan en kleinzoon van Saul. Maar hij is niet geschikt als troonopvolger omdat hij aan beide voeten verlamd is (2 Samuël 4:4). David is koning over Juda. Nu willen alle leiders van Israël dat hij ook koning over Israël zal worden. David wordt gekozen en gezalfd, net als toen door Samuel in opdracht van God (1 Samuël 16:13) en door de leiders van Juda (2 Samuël 2:4). Met deze derde zalving wordt het volk herenigd en David officieel koning voor het hele volk (2 Samuël 5:1-5).

Tot nu toe zetelde David in Hebron, zuidelijk van Betlehem in Juda. De stammen vormen nu weer één volk en de hoofdstad bij één stam zou jaloezie bij de andere kunnen opwekken. De Encyclopedia Judaica beschrijft dat er tussen de gebieden van de verschillende stammen één enclave ligt die het territorium in tweeën splijt: Jeruzalem en haar omgeving. Als deze enclave veroverd was, zou zij dus een geschikte hoofdstad voor het hele volk op de grens tussen de tien noordelijke en de twee zuidelijke stammen zijn. Zij staat op voor het volk Israël neutrale grond en vormt daarmee geen aanleiding voor jaloezie tussen de stammen.

Lammen en blinden

David trekt niet met een heer, maar met zijn mannen op naar Jeruzalem en de aldaar levende Jebusieten begroeten hem met de woorden: Je komt hier niet in of je verwijdert de lammen en blinden (5:6). Abravanel biedt uitleg: De Jebusieten zeggen dat deze plaats zo goed is bevestigd dat je haar niet kunt innemen, zelfs als lamme en blinde mensen haar zouden bewaken. Je moet de hele bevolking, de zwaksten inbegrepen, verwijderen voordat je toegang tot de veste krijgt. Als antwoord staat er: David verovert de metsoedat tsijon, de bergveste Tsion, waarbij Abravanel tsijon vertaalt met ‘uitstekend’ (Hebr.: mitsoejan). De bergveste staat op een prominent punt en is bekend om zijn onoverwinnelijkheid. Vers 7 vat samen wat vanaf 5:8 nader uitgelegd wordt.

Haat David lammen en blinden?

In 5:6-8 worden samen drie keer lammen en blinden genoemd. De eerste keer kan met de uitleg van Abravanel een logische betekenis gegeven worden. Maar de tweede keer lijkt de zin rondweg absurd. Waarom zou koning David lamme en blinde mensen haten? In 4:4 werd Mefiboset genoemd die aan beide voeten verlamd is. David haalt hem naar zijn huis en omwille van Jonatan zorgt hij voor hem. Het maakt hem niet uit of hij verlamd is of niet (9:1-13). Misschien worden met lammen en blinden geen mensen bedoeld. In Psalmen 115 vinden we een aanleiding tot een andere uitleg: ‘hun afgoden (…) hebben ogen, maar zien niet (…) voeten, maar zij gaan niet’ (4.6-7). David beschrijft in zijn psalm afgoden als blinden en lammen. In 1 Kronieken 11:5-6 kunnen we de volledige tekst lezen van de belofte die David tegenover zijn mannen doet (2 Samuël 5:8). Maar er worden geen lammen en blinden genoemd. Hier gaat het dus naast de verovering nog om iets anders. De stad moet bevrijd worden van afgoden wil zij de stad Davids, de hoofdstad en toekomstige zetel van de sjechina, de aanwezigheid Gods zijn. Er wordt heel duidelijk gemaakt dat David in zijn diepste ziel afgoden haat. Er staat niet: ‘David haat’, maar: ‘de ziel van David haat’ (Hebr.: senoe’é nèfèsj david – 5:8).

‘Blind en lam komt het huis niet in’

De derde keer dat lam en blind genoemd worden, blijkt het een gezegde te zijn en deze keer in het enkelvoud. Om aan te geven dat iemand gevrijwaard wil blijven van andere goden zou je er volgens Psalmen 115 nog stommen en gehoorlozen aan toe kunnen voegen. Voor de verovering van een stad zijn mensen nodig die goed kunnen lopen en rennen en in de verte kunnen zien. Misschien hebben de Jebusieten daarom voor deze twee eigenschappen gekozen. Davids haat was blijkbaar zo sterk dat juist daaruit een spreekwoord is ontstaan. De Jebusieten gebruiken lammen en blinden als beeld om de onoverwinnelijkheid van de veste te beklemtonen. Vervolgens wil David ermee aangeven dat de stad van andere goden bevrijd moet worden om God alle ruimte te geven. Davids gedrevenheid daarin vormt de aanleiding voor het ontstaan van een spreekwoord dat de individuele wens van mensen uitdrukt dat geen andere goden in het eigen leven mogen binnen dringen. Op die manier worden lam en blind in deze tekst als beeld gebruikt. Maar je moet er heel erg voor opletten om de zo gebruikte beelden naar de realiteit terug te vertalen. Want dan zouden echte lamme en blinde mensen in de molen van buitengesloten, geïsoleerd worden en discriminatie terechtkomen.

Prosperiteit

Het blijkt dat de stad helemaal niet zo moeilijk in te nemen is. Joab klimt, naar men aanneemt, met een aantal mannen door de ‘watertunnel’ (Hebr.: tsinnor = waterval, waterstraal – een hapax legomenon) naar boven en er wordt verder niet over gevechtsacties gesproken. Vanaf dat moment begint Davids macht en familie op te bloeien met volle ondersteuning van God: ‘de Naam, de God der heerscharen was met hem’ (Hebr.: HaSjem ’elohé tsebha’ot ‘immo – 2 Samuël 5:10). Het tetragram, de naam van God die nabijheid en vertrouwdheid symboliseert, en de God der heerscharen: die naam impliceert volgens Radak dat God naast hemelse, spirituele en wereldse heerscharen ook alle krachten van de natuur orkestreert. David kan alleen dit ongelooflijke succes en deze macht bereiken omdat God volledige controle ten behoeve van hem uitoefent (Art Scroll, the Early Prophets, NY 2002, 231). En God doet dit alleen maar omdat David bescheiden is en wéét dat God hem koning heeft gemaakt ten behoeve van zijn volk Israël (5:12).

Deze exegese is opgesteld door Kristin Ritsert.

< Terug