< Terug

‘De blijvende opdracht’ over verbreding, verlegenheid en herontdekking

Tussen 1948 en 2018 kwamen in de achtereenvolgende missiologische periodieken De Heerbaan, Wereld en Zending en TussenRuimte talloze thema’s aan de orde.1 Drie opmerkelijke zaken licht dit artikel daar uit: de waarschuwing van zendingsvoorman J.C. (Hans) Hoekendijk dat zending niet mag opgaan in oecumene, de steeds bredere scopus van zending en de herontdekking van de missionaire identiteit van de lokale kerk.

Missionaire oecumene als knelpunt

Prangende vragen

De kwestie Indonesië, zending in zes continenten, wederzijdse assistentie, de verhouding tot andere godsdiensten en de verbreding van de zendingsrelaties naar Afrika en Latijns-Amerika vormen slechts enkele voorbeelden van ingrijpende veranderingen in de naoorlogse periode.

E. (Evert) Jansen Schoonhoven (1904-1995), rector van de Oegstgeester Zendingshogeschool, voegde daaraan toe in De Heerbaan van 1952 het ‘buitengewoon actuele’ probleem van de verhouding van zending en oecumene.2 De toen veelgehoorde gedachte dat de ‘zendingseeuw’ (negentiende eeuw) was afgelost door de ‘oecumenische eeuw’ (twintigste eeuw) leidde voor hem tot prangende principiële en praktische vragen:

• Kan de zending samenwerken met geïnstitueerde ‘jonge’ kerken of is de zendingstaak ten einde zodra een kerk zelfstandig wordt?

• Als er blijvende samenwerking is, hoe verhouden missionaire doelstellingen zich dan tot institutioneel-kerkelijke belangen?

• Moeten ‘jonge’ kerken zich blijven oriënteren op de internationale zendingsbeweging of moeten zij hun weg zoeken binnen de oecumenische beweging?

Jansen Schoonhoven koos principieel voor de oecumene. Het moest dan echter wel gaan om een voluit missionaire oecumene: ‘De oecumene is draagster van de opdracht tot wereldevangelisatie.’ Die insteek vinden we ook bij zendingsman H. (Hendrik) Kraemer (1888-1965), een Nederlandse ‘leeuw van de oecumenische beweging’.

3 Het was zijn grootste gave aan de oecumenische beweging om ‘met de wereld een ernstig gesprek te houden’, schreef oudcollega De Dietrich in De Heerbaan van 1958.

Kraemer verdroeg het slecht dat ‘confessionele vooroordelen, theologische twistpunten van de tweede rang de voortgang van het evangelie in de wereld verlammen of in ieder geval vertragen’.

Niet vanzelfsprekend

Terwijl de naoorlogse zendingsorganen zochten naar nieuwe verhoudingen met de ‘jonge’ kerken, waarschuwde J.C. (Hans) Hoekendijk (1912-1975) al in 1950 dat de zending niet mocht vluchten in oecumene.

Daar dreigde immers het risico dat een concentratie op ‘christelijke broederschap’ en fellowship zou leiden tot verlies van de missionaire gerichtheid.

De oecumenische beweging, grotendeels voortgekomen uit de Wereldzendingsconferentie van Edinburgh (1910), liep het risico tot ‘kerk’ te worden die ‘zichzelf zo ernstig neemt en zichzelf ook zo geniet, dat vergeten wordt, dat de kerk alléén voor de wereld bestaat’.4 In oecumene moest het dus om de wereld blijven gaan, niet om interkerkelijke samenwerking en samenleven als zodanig.

Vanzelfsprekendheid was dat geenszins.

Dit blijkt onder meer uit een verslag van Joh. (Johannes) Blauw (1912-2007), secretaris van de Nederlandse Zendingsraad, over de Wereldzendingsconferentie te Willingen (1952). Deze conferentie legde het accent op de ‘missionary obligation of the church’ – dus niet van zendingsorganisatie of individueel christen – en de daaruit voortvloeiende noodzaak de structuur van de ‘ganse zendingstaak’ ingrijpend te herzien.

Werkgroep IV deed met het oog daarop voorstellen. Daarin valt op dat evangelisatie bijna schuilgaat achter oecumenische samenwerking en financieel-personele hulpverlening voor kerkopbouw. Een verschuiving van missionaire gerichtheid naar consolidering van kerkelijke structuren lijkt in deze voorstellen al volop aan de orde.5 Het is daarom niet verwonderlijk dat Hoekendijk in 1952 opnieuw waarschuwde voor een ‘church-centric-conception’, waarin de zending tot departement van de kerk dreigde te worden. De kerk moest echter ‘totaal zending zijn’ en gericht blijven op het Rijk en de wereld.6

Bang voor ondersneeuwen

Hoewel De Heerbaan Hoekendijks waarschuwing bespreekt, komt de kritiek van evangelicals op de toenemende integratie van zending en oecumene niet aan de orde.

Zij hadden zorg om het ondersneeuwen van de zendingsagenda, als de International Missionary Council (IMC) zou opgaan in de Wereldraad van Kerken. De IMC had kans gezien ‘mensen van zeer uiteenlopende theologische opvattingen aan zich te binden’ (waaronder vele evangelicals), maar na de integratie van de zendingsraad in de Wereldraad zou dat niet meer lukken.7 Eerdergenoemde NRZ-secretaris Blauw blikt in De Heerbaan van 1962 terug op de formele integratie tijdens de assemblee te New Delhi (1961) en verwijst slechts terloops naar de kritiek van de daar als waarnemer aanwezige Billy Graham.8 Laatstgenoemde stelde dat de assemblee vooral te veel met zichzelf bezig was.

Blauw stemde in met die kritiek en vermeldde dat tijdens de assemblee weinig te merken was van de integratie met zending. Hij maakte zich zorgen of de Wereldraadafdeling Faith and Order wel voldoende beïnvloed zou worden door de nieuwgevormde zendingsafdeling. In bijna cynische bewoordingen schreef hij: ‘Persoonlijk vermoed ik hier meer bundeling van wereldwijde kerkelijke introvertie dan een gewénd zijn naar de wereld.’ De toetreding van de Russisch-Orthodoxe Kerk tot de Wereldraad (1961) zag hij in dit verband als een verzwakking van een missionair gerichte oecumene.

Evangelisch-oecumenische controverse

Wereld en Zending, voortgekomen uit de fusie van de protestantse periodiek De Heerbaan (1948-1971) en het katholieke blad Het Missiewerk (1941-1971), besteedde in de jaren 1972-2007 veel aandacht aan nieuwe oecumenische uitdagingen.

Zo maakt de jaargang van 1973 duidelijk dat wederkerigheid in de missionair-oecumenische relaties een belangrijke kwestie was geworden, evenals de vraag naar de verhouding van contextuele (lokale) en universele (oecumenische) theologie.9 Naast Azië waren andere continenten in beeld gekomen en de bespreking van Latijns-Amerikaanse bevrijdingstheologie kreeg een prominente plaats in het blad.

Ook tekenen zich de contouren af van het heftige debat rondom de verhouding van ‘evangelisatie en humanisatie’. Opmerkelijk – en pijnlijk – is dat de jaargangen 1974-1980 maar mondjesmaat ingingen op de ontstane breuk en de consequenties daarvan voor de protestantse zendingsbeweging. Deze jaargangen schonken veel aandacht aan het bevolkingsvraagstuk, het moratorium op personele assistentie en aan diaconale hulpverlening, maar over de evangelisch-oecumenische controverse treffen we slechts enkele artikelen aan, namelijk van I.P.C. van ’t Hof (1974), H.B. Kossen (1977) en J.D. Gort (1980). De oecumenisch samengestelde redactie was wellicht van mening dat het hier een interne protestantse kwestie betrof.

Zending in Nederland

Waarschijnlijker is echter dat haar aandacht in deze jaren vooral gericht was op een weloverwogen koerswijziging van het blad: met ingang van 1977 moest Wereld en Zending dienstbaar worden aan het ‘missionair functioneren van de gemeente’. Zending in Nederland was in beeld gekomen. Oecumenisch leerproces en terugkoppeling van missionaire ervaringen zouden in de jaren tachtig steeds terugkerende trefwoorden worden. Het ging erom samen te ontdekken hoe het belijden van de christelijke gemeente het kwaad in de wereld zichtbaar maakt, evenals de tekenen die verwijzen naar ‘werkelijk nieuw leven’.10

De Groninger missioloog L. Hoedemaker stelde kritische vragen naar het missionaire gehalte van deze oecumenische leerprocessen. Hij waarschuwde dat wederkerige oecumenische relaties tot een kerkelijke gevangenschap en interkerkelijk toerisme konden leiden, waarbinnen een echte missionaire vraagstelling niet kan gedijen. Die moet immers ‘van buiten’ komen, vanuit de spanning tussen wereld en Gods Rijk, en kan ‘niet worden gelokaliseerd in de relaties tússen kerken’.11 J. (Jan) van Butselaar, van 1983-2001 algemeen secretaris van de Nederlandse Zendingsraad, concludeerde dat de oecumene wel degelijk aandacht had voor de communicatie van het evangelie ‘buiten de tuin van de kerk’, maar hij plaatste daarbij kanttekeningen van geheel andere aard. Zo stelde hij dat oecumenische zending, zoals de Urban Mission, een maatschappelijke protestbeweging was geworden die geen feeling meer had met de evangelieverkondiging aan degenen die het nog niet gehoord hadden.12

Missionaire scopus: verbreding en herontdekking

De verandering in de naoorlogse periode zouden nog veel verder voeren dan mensen als Blauw en Jansen Schoonhoven zich hadden gerealiseerd. ‘Zending op zes continenten’ en de totstandkoming van World Christianity, de groei van pinksterkerken en evangelische zending, mission from the South en kerken van migranten, oecumenischmissionaire relaties met de rooms-katholieke en oosters-orthodoxe kerken zouden het missionaire landschap ingrijpend wijzigen. Daarbij kwamen ook secularisatie in het Westen en onze ‘verlegenheid’ met het evangelie, de ontdekking van Nederland als ‘zendingsterrein’, de groei van werelddiaconale ‘hulpverlening’ en zending als presentie in solidariteit.

‘Gospel and Culture’

De jaargangen van Wereld en Zending vormen een weerslag van deze ontwikkelingen. Zichtbaar is dat zending, mede onder invloed van het missio Dei-concept, steeds breder werd gedefinieerd. In dat denken ging het immers niet langer om het werk van zendingsorganisaties en zendingswerkers, maar om het ‘herstel van alle dingen’, om Gods op bevrijding gerichte werk in deze wereld.

Weliswaar werd de insteek van Hoekendijk (zending als ‘sjalomisering’ van de wereld, de kerk als functie van apostolaat) genuanceerd, maar breed gedragen was het besef dat ‘wereld en zending’ staan in het perspectief van het komende Godsrijk.

Maar de daarmee samenhangende verbreding van zending tot presentie, bevrijding, solidariteit, interkerkelijke assistentie en interculturele theologie leidde ook tot de kritische vraag wat zending dan eigenlijk is.

Stephen Neill verwoordde dat ooit met de bekende uitspraak: ‘If everything is mission, nothing is mission.’ Een omslag werd in feite zichtbaar in de hierboven al genoemde aandacht voor ‘Zen ding in Nederland’ en de door Leslie Newbigin (1909-1998, van 1958-1965 algemeen secretaris van de International Missionary Council) opgestuwde bezinning op Gospel and Culture in het Westen. Daarin ging het immers om de vraag naar de missionaire roeping in de eigen context en naar het missionaire gehalte van kerk, kerkenwerk en opleiding. Vragen over missionaire ecclesiologie en homiletiek zouden daardoor steeds meer aandacht krijgen.

‘De blijvende opdracht’

‘Men is in Whitby [conferentie aldaar van de Internationale Zendingsraad van 5-24 juli 1947] begonnen met een overzicht van de toestand der kerk in de gehele wereld.’ ‘Er behoort bijv. toe de geweldige politieke verandering in de gehele oostaziatische wereld van India, China, Japan, maar ook van Burma, de Philippijnen en vooral Korea.’ ‘En van nog veel groter betekenis is, dat de drie grote machten, die vijanden van het Evangelie zijn, Islam, Communisme en het politiekclericale Rooms-Katholicisme, aan macht gewonnen hebben en in niet geringe mate.’

‘Van blijder aard is het, dat bezetting door vijandelijke macht en groeiend nationaal bewustzijn het verantwoordelijkheidsbesef voor het werk der kerk en het rijper worden van het inheemse leiderselement, zowel als de vooruitgang in zelfonderhoud sterk hebben bevorderd.’

Dr. K.J. Brouwer, ‘Blijvende opdracht?’, De Heerbaan, 1948/I, 11

Nieuwe bezinning

Ongetwijfeld vormden restauratieve motieven onderdeel van deze herontdekking van de missionaire context van onze kerk. Kerstening werd in de jaren negentig nog ongegeneerd als synodebeleid van de Hervormde Kerk vastgesteld, ook al werd daar in missionaire kring ietwat lacherig op gereageerd.13 Maar de toon was wel gezet: in de jaren negentig bleek een sterk besef gegroeid dat nieuwe missionaire aanzetten nodig waren, zowel in Nederland als daarbuiten. Breaking New Ground (Anglicaanse Kerk Engeland, 1994), Proposer la Foi dans la Société Actuelle (Rooms-Katholieke Kerk Frankrijk, 1996), Reden von Gott in dieser Welt (Evangelische Kirche Deutschland, 1999), Wat bijdraagt aan het getuigen en Leren Leven van de Verwondering (Protestantse Kerk in Nederland, 2004/2005) vormen slechts enkele bewijzen van de nieuwe bezinning op de missionaire roeping van de kerk.

Een beslissende tijd

Het was dan ook niet verwonderlijk dat Wereld en Zending in 2003 een nummer uitgaf met als titel ‘Missionair mág weer’. De inleiding daarvan verwijst naar het project ‘Zending in Nederland’ en de toen ervaren verlegenheid met het evangelie. Maar de redactie schetst dat rond de eeuwwisseling een andere situatie is ontstaan, waarin de missionaire kerk is herontdekt.

Kenmerkend voor deze nieuwe fase is dat de bereidheid tot een missionair-oecumenisch leerproces nu veel groter is dan in het verleden, toen nog gemakkelijk geschuild kon worden binnen de comfortabele omheining van de eigen kerk.

Het besef brak echter door dat dit niet langer kan, omwille van de voortgang van het evangelie. Gort spreekt in het betreffende nummer van Wereld en Zending zelfs van een kairos, een beslissende tijd.

Het gaat om de ‘blijvende opdracht’ in de voetsporen van Christus te gaan en anderen daartoe uit te nodigen. De klassieke zendingsthema’s discipelschap en levensheiliging kwamen in de oecumene weer centraal te staan.14 Het is dan ook niet verwonderlijk dat de missiologische reflectie op missionaire methodiek inmiddels een opmerkelijke comeback beleeft.

Noten

1 Zie o.m. D. Bosch, Transforming Mission, New York, 2012, 377-532; S. Paas, Vreemdelingen en Priesters, Zoetermeer 2015, 39-108

2 E. Jansen Schoonhoven, ‘Oecumene en Zending’, De Heerbaan, 1952, 279-295

3 S. de Dietrich, ‘Kraemer et l’Oecumene’, De Heerbaan, 1958, 108-115

4 J.C. Hoekendijk, ‘Nieuwe leren zakken’, De Heerbaan 1950, 315-317

5 J. Blauw, ‘Willingen 1952’, De Heerbaan 1952, 296-309, zie 306-307

6 I.P.C. van ’t Hof, ‘De Theologie der Wereldzendingsconferenties’, De Heerbaan, 1965, 184-185

7 J. van Butselaar, ‘Uitdaging of ondergeschoven kind?’, Wereld en Zending, 1998/3, 30-33 Hij verwijst hier naar observaties van Max Warren in ‘The fusion of IMC and WCC at New Delhi’, in: Tj. Baarda (red.), Zending op weg naar de toekomst, Kampen 12978, 190-202

8 J. Blauw, ‘New Delhi. Indrukken en Overwegingen’, De Heerbaan, 1962, 1-15. Zie 7.

9 H.H. Rosin, ‘Theologia in loco en in oecumenisch verband’, Wereld en Zending, 1972, 31- 43; D.S. Amalorpavadas, ‘Een schets van de theologische grondslag van de indigenisatie’, Wereld en Zending, 1973, 289-296

10 Zie o.m. Wereld en Zending 1984/3; L. Hoedemaker, ‘Het schema van de wereld en het belijden van de kerk’, Wereld en Zending, 1988/4, 352

11 L.A. Hoedemaker, Met anderen tot Christus, Zoetermeer 2000, 96-98

12 J. van Butselaar, ‘Uitdaging of ondergeschoven kind?’, Wereld en Zending, 1998/3, 27-35

13 Kerstening als Kerkewerk, synode NHK, 1991

14 De WCC-zendingsconferentie in Arusha (2018) stelde transforming discipleship centraal; heiliging staat centraal in de pauselijke exhortatie Gaudete et Exsultate (2018).

– Gerrit Noort is theoloog en directeur van de Nederlandse Zendingsraad.

< Terug