< Terug

De blik op oneindig

Brandaan, een heilige globetrotter

De vuurtoren op Terschelling heet Brandaris, sinds 1323 een lichtbaken voor zeelui. Vroeger konden zij hun weg wel vinden met behulp van sterren en kompas, maar de doorgang tussen Vlieland en Terschelling was uiterst gevaarlijk. De Brandaris was een oriëntatiepunt. De oudste vuurtoren in Nederland werd vernoemd naar de Ierse heilige Brandaan (feestdag 16 mei). Hij zou in de zesde eeuw geboren zijn aan de Ierse westkust en daar een aantal kloosters hebben gesticht. Net als veel van zijn landgenoten werd hij aangetrokken door de eindeloze zee.

Sint Brandaan aan de Rijn

Brandaan was niet de enige Ierse monnik die zijn vaderland verliet en de wijde wereld introk. Het was onder Ierse monniken de gewoonte om huis en haard te verlaten om de Blijde Boodschap te verspreiden. Vanaf de zesde eeuw hebben Ierse monniken op het West-Europese continent talloze kloosters gesticht. Ze brachten niet alleen het christelijke geloof, maar ook hun eigen verhalen mee, vooral reisverhalen.

In de omgeving van Trier hadden Ierse monniken eveneens ‘wortel geschoten’. In de tiende eeuw ontstond daar een uniek reisverhaal in het Latijn, de taal van de geestelijkheid. De hoofdpersoon was de historische, zesde-eeuwse abt Brandaan. Deze Navigatio Sancti Brandani (De reis van sint Brandaan) was gebaseerd op een Iers verhaal waarin een jongen op zoek gaat naar de moordenaars van zijn vader. Uiteindelijk slaagt zijn zoektocht. In hun klooster aan de Rijn ‘bouwden’ de monniken deze wraakexpeditie ‘om’ tot een zoektocht naar het aards paradijs. De jonge hoofdpersoon werd vervangen door een eerbiedwaardige Ierse abt, Brandaan. Het verhaal begint als Brandaans klooster wordt bezocht door een zekere Barindus. Deze historische Barindus (hij stierf in 548 of 552) was een familielid van Brandaan en abt van een klooster. Hij vertelt dat hij met zijn gezellen naar het westen voer. Plotseling werden ze omgeven door een dichte mist. Na een uur brak de zon door en zagen ze:

“[…] een groot land, met een overvloed aan groenten, noten en vooral appels. Nadat het schip op de kust gelopen was, klommen wij er aan stuurboordzijde uit. Vijftien dagen lang doolden we rond, zonder de andere kant van het eiland te bereiken. Alle planten hadden bloemen, alle bomen droegen vrucht, alle stenen waren kostbare edelstenen. Op de vijftiende dag kwamen we bij een rivier die van oost naar west stroomde. Terwijl we onze gedachten over al deze dingen lieten gaan, overviel ons een grote twijfel: wat moesten we doen? Het leek ons het beste de rivier over te steken, maar we wachtten toch op een teken van God. Plotseling stond er een man voor ons in een helder licht. Hij groette ons en noemde ieder van ons bij zijn eigen naam. Vervolgens zei hij: ‘Wees blij, eerwaarde broeders, want God heeft u dit land willen laten zien. Dit is het land dat Hij aan zijn heiligen zal geven. Deze rivier verdeelt het eiland precies in tweeën: het is u niet toegestaan verder te gaan. Keer daarom terug naar waar u vandaan komt. […] Zoals het eiland er nu uitziet, zag het er onmiddellijk ná de schepping van de wereld uit. Hebt u voedsel, drank of kleren nodig? U hebt helemaal niets gegeten of gedronken, en evenmin hebt u ’s nachts slaap gekregen. Het is hier altijd dag en nooit donker: Onze Heer Jezus Christus verlicht dit eiland onophoudelijk.’”

Varen in een kringetje

Brandaans nieuwsgierigheid is gewekt en hij besluit dit aardse paradijs te gaan zoeken. Hij bouwt een boot en vast veertig dagen lang met veertien medebroeders. Daarop hijsen ze de zeilen en zetten koers naar het westen. Onderweg beleven ze allerlei avonturen. Zo bereiken ze een rotsachtig eiland:

“[…] er groeiden geen planten, er stonden nauwelijks bomen en er was geen zandstrand. De broeders baden de nachtelijke getijden en bleven buiten het schip waken, terwijl de man Gods aan boord bleef. Hij wist wel wat voor soort eiland dat was, maar hij wilde dat niet aan de broeders vertellen, opdat ze niet bang zouden worden.

Bij zonsopgang beval hij de priesters elk afzonderlijk de mis op te dragen. Zo gezegd, zo gedaan. Brandaan las de mis aan boord van het schip. Vervolgens gaf hij opdracht het rauwe, gezouten vlees en de vissen die ze (…) hadden meegenomen van boord te halen. Daarna hingen ze een ketel water boven het vuur, maar zodra het water kookte, begon het eiland te bewegen als de golven van de zee. De broeders renden naar de heilige vader, die elk van hen eigenhandig aan boord hees. Alles moesten ze op het eiland achterlaten. Ze voeren weg en het eiland zwom verder de zee in; het vuur kon men wel twee mijl lang zien branden. Sint Brandaan sprak tegen de broeders:

‘U bent verbaasd over hetgeen u gezien hebt.’
‘Wij zijn hoogstverbaasd! Bovendien waren we doodsbang!’
‘Kinderen, wees niet bang. God heeft mij het geheim hiervan geopenbaard. Dat was geen eiland, maar een vis, en wel een van de allereersten die ooit in water zwommen. Voortdurend is hij op zoek naar zijn staart, want die wil hij in zijn kop steken. Omdat hij zo lang is, lukt hem dat niet. Hij heet Jasconius.’”

Zeven jaar lang zwerven ze over de zeeën. Elk jaar doen ze dezelfde plaatsen aan. Ze varen in een kringetje. Dan worden hun inspanningen beloond. Brandaan en de zijnen komen terecht in een diepe duisternis. Als na een uur het licht weer ‘aangaat’, ontwaren ze het gezochte eiland. Ze gaan voor anker en:

“[…] iedereen sprong van boord. Het land was zeer weids en stond vol appelbomen die barstensvol vruchten hingen alsof het herfst was. Terwijl ze over het eiland liepen, spraken ze niet. Ze aten wel van de appels en dronken uit de bron. Veertig dagen zwierven ze rond en nog hadden ze de andere kant van het eiland niet bereikt.”

Dwars over het eiland stroomt een rivier. Daar mogen ze niet overheen. Er staat een engel die hun meedeelt:

“‘Kijk, dit is het land dat jij lange tijd hebt gezocht. Je mocht het niet te snel vinden, omdat God je de vele geheimen van de zee wilde laten zien. Ga nu terug naar je geboortegrond. Neem zoveel vruchten en edelstenen mee als je schip kan dragen, want de laatste dag van je bedevaart nadert, de dag waarop je zult rusten bij je voorvaderen. […] Deze rivier splitst dit eiland precies in tweeën. En zoals dit eiland altijd vol rijpe vruchten is, zo zal de dood hier altijd verre blijven, omdat Christus het Licht is.’”

Daarop vaart Brandaan rechtstreeks naar huis. Korte tijd later overlijdt hij, zoals de engel voorspeld had.

Over Brandaan

Brandaan is een van de vele Ierse monniken die huis en haard verlieten om elders de Blijde Boodschap te brengen. Een aantal is historisch traceerbaar, zoals Columba van Iona (±521-597; feestdag 9 juni) en Columbanus van Bobbio (±543-615; feestdag 23 november). Willibrordus, de patroonheilige van Nederland (658-739; feestdag 7 november), en Bonifatius, bisschop van Mainz en vermoord bij Dokkum (±641-755; feestdag 5 juni), zijn bekende voorbeelden uit de Lage Landen. Er zijn echter ook enkele legendarische heiligen, zowel mannen als vrouwen. Daarbij valt te denken aan Cunera van Rhenen (een van de 11.000 maagden die sint Ursula op haar tocht vergezelden; feestdag 12 juni), Jeroen van Noordwijk (hij werd door de Vikingen op wrede wijze vermoord; feestdag 17 augustus) en Oda (naamgeefster van Sint-Oedenrode; feestdag 27 november). Het zat ongetwijfeld in hun Ierse genen dat deze mensen het ruime sop kozen. Moedig en welbewust trokken ze de zee op, met de blik op oneindig, dat wil zeggen op God die immers zonder begin of einde is.

Van zoektocht naar straf

In de tweede helft van de twaalfde eeuw werd de Latijnse Navigatio drastisch omgewerkt in een dialect dat gesproken werd in het gebied tussen Rijn en Moezel. Die tekst is niet overgeleverd. Wel beschikken we over twee Duitse versies (een in verzen en een in proza) en een Nederlandse tekst in verzen: De reis van sint Brandaan. Al deze teksten zijn opgetekend in handschriften uit de veertiende en vijftiende eeuw. In de Latijnse versie werd Brandaan geprikkeld om op reis te gaan door het verhaal over het aards paradijs, in de Reisversie is de aanleiding voor de reis een geheel andere. Brandaan leest in een oud boek hoe de wereld in elkaar steekt. Hij las:

“[…] hoe er twee paradijzen op de aarde zijn. Verder las hij over de vele wonderen die er op de wereld zijn en over vele grote eilanden. Ook las de wijze heer dat er onder de wereld nog een wereld was en dat als het hier dag werd, het daar nacht was. Hij las dat er drie hemelen waren. Over vissen vond hij geschreven hoe een bos op hun rug groeide. Dat sprak hij tegen omdat het zo ongeloofwaardig was. Hij las ook dat Judas in de nacht van zaterdag op zondag telkens Gods barmhartigheid genoot en genade kreeg. Dat kon en wilde hij niet geloven, tenzij hij het met eigen ogen zou zien. Uit woede verbrandde hij het boek en vervloekte de schrijver. Dat kwam hem later duur te staan. Terwijl hij bij het vuur stond waarin het boek lag te branden, sprak de engel Gods tot hem: ‘Brandaan, beste vriend, je hebt een zware zonde begaan, want door jouw woede is de waarheid verloren gegaan. Laat dat boek nu maar branden. Het zal je nog wel duidelijk worden wat waarheid en wat leugen is. Jezus Christus beveelt je op de zee rond te varen, negen jaar lang. Je zult met eigen ogen ontdekken wat waar is en wat leugen.’”

Dus geen zoektocht naar het aards paradijs, maar een straf voor het verbranden van een boek. Brandaan heeft de waarheid vernietigd omdat hij die niet geloofde. Dit roept het verhaal van de ongelovige Thomas in herinnering. Dat Christus verrezen was, wilde hij eerst zien en dan pas geloven (Johannes 20:24-29). De Ierse abt moet negen jaar over de wereldzeeën rondzwerven ten einde de waarheid opnieuw te boek te stellen. Aan boord heeft hij een ‘secretaris’ die alles opschrijft wat ze onderweg meemaken. In de Reis van sint Brandaan wordt regelmatig verwezen naar dit boek waarin alles staat, bijvoorbeeld in de episode met Jasconius, de walvis: Het boek vertelt ons dat op die plek zoet water de zee instroomt. Daar was die vis al vele jaren aan zijn eten gekomen, zoals het boek zegt. Brandaans reis loopt langs de rand van de bekende wereld. Met eigen ogen aanschouwt hij vele van de wonderen die God geschapen heeft. Tegen het einde van zijn tocht komt hij een eigenaardig mannetje tegen:

“Volgens het boek dreef hij op een blad. Hij was nauwelijks groter dan een duim. In zijn linkerhand had hij een nap en in de rechter alleen maar een niet erg grote griffel. Daarmee had hij het erg moeilijk, want hij doopte de griffel in het zeewater en liet het vocht in de nap druppelen die hij in zijn andere hand hield. Zodra de nap vol was, gooide hij hem leeg. Op die manier mat hij en goot hij weer terug. Luister naar een groot wonder. Sint Brandaan vroeg hem waarom hij dat deed. Het mannetje antwoordde: ‘Ik meet deze zee. Het is mijn lot om te proberen of ik dat karwei tegen de dag van het Laatste Oordeel af zal hebben.’ Daarop sprak heer Brandaan:

‘Dat krijg je nooit voor elkaar.’ Het kleine mannetje dat op het blad zat, gaf daarop ten antwoord: ‘Net zo min als ik de zee vóór de Jongste Dag kan opmeten, net zo min kun jij alle wonderen aanschouwen die God heeft geschapen in het water en op de aarde en die op dit moment voor jou verborgen zijn. Jouw godvruchtige, geestelijke kinderen zitten thuis zonder jouw steun. God die jou dikwijls uit de nood heeft gered, bidden ze omwille van zijn genade of Hij je wil behoeden voor onheil. De engel Gods moge je beschermen.’”

Vrij snel hierna meldt de ‘secretaris’ dat het boek vol is. Daarop keren Brandaan en zijn gezellen kloosterwaarts:

“Sint Brandaan nam het boek en samen met de andere monniken liep hij naar de kloosterkerk. Vele devote monniken, broeders en priesters – allen schepselen Gods – kwamen de zeevaarders tegemoet en ontvingen hen met alle égards. Het boek waarin de wonderen waren opgetekend, heeft Brandaan omhoog geheven. Een engel Gods daalde neer en sprak in opdracht van de Heer: ‘Welkom, Brandaan, je hebt je tocht volbracht. Blijf op aarde zo lang als je wenst. Mocht je hier niet meer willen zijn, dan kun je naar het hemelrijk gaan, naar je eigen zetel.’”

De abt draagt de mis op en daarna blaast hij zijn laatste adem uit. Niemand minder dan de aartsengel Michaël haalt zijn ziel op en brengt die naar de hemel.

Op weg naar het einde

Voor christenen is het aardse leven een pelgrimstocht: elk mens moet er doorheen op weg naar de hemel. Elke ziel is immers geschapen door God en wil naar Hem terugkeren. En ook al verschillen de Latijnse Navigatio Sancti Brandani en de Middelnederlandse Reis van sint Brandaan totaal van elkaar wat betreft de aanleiding tot de zeereis, in beide teksten overlijdt Brandaan vrij snel na thuiskomst. Het Middelnederlandse woord ‘overliden’ (een voorvader van het hedendaagse ‘overlijden’) betekent ‘overgaan naar’. Brandaan keert terug naar zijn Schepper.

In zowel de Latijnse als de Middelnederlandse tekst richt de hoofdpersoon zijn blik op de einder, dat wil zeggen op de horizon die in het oneindige ligt. Niemand kan de horizon bereiken. Tijdens zijn zeevaart beleeft de Ierse abt in beide teksten min of meer dezelfde avonturen. Hij moet hetzij zeven, hetzij negen jaar lang rondjes varen, totdat God het genoeg vindt. Telkens komt Brandaan iets meer te weten over de wonderbaarlijke wereld die God geschapen heeft. De Ierse globetrotter bezoekt niet alleen een tweetal hemelburchten, maar ziet ook de angstaanjagende ingangen naar de hel waar de trawanten van Lucifer de zielen van zondaars met duivels genoegen heen sleuren. Op alle mogelijke manieren proberen ze mensen voor hun karretje te spannen om zo voor hen de weg naar de hemel te blokkeren. De twee Brandaan-teksten tonen aan dat de duivel te verslaan is, mits men een deugdzaam leven leidt en de begane zonden bijtijds opbiecht.

Ludo Jongen doceerde Middelnederlandse letterkunde aan de Universiteit Leiden en de Katholieke Universiteit Lublin Johannes Paulus II (Polen). Hij bestudeert met name heiligenlevens. Van zijn hand verscheen Heilig in de Lage Landen. Herschreven Levens (Davidsfonds, Leuven, 2005).

Verder lezen

De citaten in bovenstaand artikel komen allemaal uit: De reis van Sint Brandaan. Kritische editie van de Middelnederlandse tekst naar het Comburgse handschrift, met vertalingen van de Middelnederlandse en Middelhoogduitse Reis-versie en van de Oudfranse en Middelnederlandse Navigatio-versie door Ludo Jongen, Julia Szirmai & Johan H. Winkelman, uitgeverij Verloren, Hilversum, 2013. (Middelnederlandse tekstedities 13). ISBN 978-90-8704-137-3.

< Terug