< Terug

De democratische rechtsstaat en de kerk

De eigen rol van de overheid in een multireligieus landschap, bepaald door het EVRM

Inleiding

Het bijna tien jaar geleden door de PKN-synode vastgestelde rapport De kerk en de democratische rechtsstaat – een positiebepaling1 was bedoeld als handreiking voor kerk en gemeente en schetst de positie die een kerk in zou kunnen nemen in een staat die een rechtsstaat ambieert te zijn. De positiebepaling ziet hier in de eerste plaats op uitkomsten van binnenkerkelijk debat.

Eén van de kwesties die, zij het beperkt2, in het rapport aan de orde komt is die van de rechtspositie van de kerk. Kan de kerk in een democratische rechtsstaat, een staat die grondrechten respecteert3, voor zichzelf als geloofsgemeenschap vrijheidszones claimen bij de overheid? In het PKN-rapport lijkt die vraag bevestigend te worden beantwoord4; het rapport acht het niet enkel het recht maar ook de plicht van de kerk zich zo nodig “kritisch uit te spreken over het feitelijke handelen van die overheid”5. Vooral dat laatste uitgangspunt laat goed uitkomen dat de kerk niet in een positie terecht wil komen waarin zij “horig” is aan de staat.

In 2016 schreef Leo Koffeman over het rapport dat het “beleidsmakers aan de zijde van de overheid aan het denken kan zetten – wellicht móet zetten”6. Deze wens is op zijn plaats. De vraag naar de verhouding tussen staat en kerk moet immers ook – in een rechtsstaat misschien zelfs eerst en vooral – vanuit overheidsperspectief worden beantwoord: welke vrijheid (en welke handelingsruimte) moet de overheid aan de kerk laten, zonder dat daartoe een juridische claim bij de overheid of een ‘kritische uitspraak’ van die kerk over de overheid nodig zou moeten zijn (nl. louter op basis van de plicht van de overheid grondrechten te respecteren) of zelfs – zo nodig – bij internationale instanties, zoals het Europees Hof voor de bescherming van de Rechten van de Mens (EHRM).

De overheid is gebonden aan enkele belangrijke principes die er uiteindelijk op neer komen dat zij een zekere terughoudendheid jegens geloofsgemeenschappen aan de dag moet leggen. Dit is overigens niet hetzelfde als afstand houden van religieuze organisaties. Contact tussen overheid en kerk is van belang voor het ontwikkelen van een goede verstandhouding tussen staat en religieuze organisaties. Sophie van Bijsterveld noemt het een voor-waarde “voor een duurzame, stabiele en subtiele relatie tussen beide”7. Een te gretige, dat wil zeggen weinig terughoudende, overheidsbemoeienis levert in de regel echter spanning op met grondrechten van geloofsgemeenschap-pen en van hun aanhangers, waaronder de godsdienstvrijheid, de vrijheid van vereniging en de vrijheid van meningsuiting niet de minste zijn.

Als de overheid haar terughoudende rol serieus neemt, wordt voorkomen dat geloofsgemeenschappen al te snel ‘geïnstrumentaliseerd’ worden of (maar dan vanuit het gezichtspunt van deze gemeenschappen) dat deze zich gewillig of minder gewillig voegen naar overheidswensen. Het is de maat-staf die Nederlandse politici aanleggen bij het beoordelen van het optreden van vreemde overheden jegens religieuze gemeenschappen: maak ze niet tot instrumenten van uw beleid. Het is een aangelegen punt in de discus-sies over de bemoeienis van de Turkse overheid bij het reilen en zeilen in Turkse Diyanet-moskeeën hier te lande8 en, zeer recent, bij het financieren van weekendscholen9.

Het risico op een minder terughoudend opererende overheid is in ons land anno 2018 reëel, nu religie (en zeker publieke manifestatie van religie) in de ogen van velen botst met een steeds manifester veiligheidsverlangen10 en met nieuwe visies op goed burgerschap. Van de overheid wordt tegenwoor-dig verwacht dat zij de levensbeschouwelijk steeds pluralere maatschappij in een vredig spoor houdt en het nodige onderneemt om een samenleven van aanhangers van diverse, elkaar soms bestrijdende, religieuze groepen mogelijk te maken. Dit type overheidsbeleid ligt gevoeliger naarmate religie-gerelateerd geweld dichterbij komt en – als gevolg daarvan – nieuw over-heidsbeleid, of het voornemen daartoe, vooral vanuit veiligheidsaanspraken gevoed wordt.

In dit kader getroffen maatregelen kunnen individuele gelovigen treffen (denk aan het in 2018 ingevoerde boerkaverbod11), maar ook de gemeenschap-pen waartoe ze behoren (denk aan het regeringsvoornemen de buitenlandfi-nanciering van religieuze groeperingen te belemmeren12). Opvallend is daarbij overigens dat CDA, CU en SGP op dit terrein in de Tweede Kamer gezamenlijk optrekken en nadere (Nederlandse) regulering van religiefinanciering nastre-ven, waarbij deze fracties zich beroepen op “de scheiding van kerk en staat”13.

In deze bijdrage wordt geschetst welke rol de overheid heeft in het regelen van de verhouding met de kerk, welke ruimte aan de kerk toekomt en voor welke grenzen de overheid zich daarbij gesteld weet, vooral waar zij het nodig acht in te grijpen in de vrijheid van de kerk. Dit geeft een indruk van hetgeen de kerk van de overheid verwachten mag. Daartoe wordt niet aangeknoopt bij de eigen Nederlandse Grondwet14, maar bij een mensenrechtenverdrag waarin onder meer de vrijheid van godsdienst is verankerd, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), een verdragsbepaling die juridisch hoger staat dan en voorrang heeft op de Nederlandse wetgeving, de Grondwet incluis. In art. 9 EVRM15 is die vrijheid als volgt verwoord:

Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in practische toepas-sing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften.

Het EVRM is een verdrag waarbij landen partij zijn die zich hebben aan-eengesloten in de Raad van Europa. Op de naleving ervan wordt niet alleen toegezien door nationale rechters, maar ook door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Voor de nationale rechter zijn de voor deze aangelegenheid relevante EVRM-bepalingen van grote betekenis, omdat àlle overheidsoptreden, zelfs dat van de nationale wetgever, door de rechter aan deze verdragsbepalingen getoetst kan worden. Nationaal recht dat strijdt met deze verdragsbepalingen laat de rechter buiten toepassing16.

In wat volgt is rekening gehouden met de EHRM-jurisprudentie met be-trekking tot geloofsgemeenschappen die zich in een tijdsbestek van ongeveer een kwarteeuw ontwikkelde17. Verdere aanknopingspunten zijn te vinden in de aanbevelingen en adviezen van de Venice Commission18, een in de schoot van de Raad van Europa opererend experten-panel dat op verzoek van staten en op eigen initiatief adviseert in diverse grondrechtenvraagstukken. In zijn oordelen over concrete klachten houdt het EHRM rekening met door deze commissie ingenomen posities.

Het recht van de Europese Unie (voortgekomen uit de Europese Gemeen-schap voor Kolen en Staal) wint al enige tijd aan belang op dit terrein, ook door toedoen van het Hof van Justitie in Luxemburg. In de PKN-nota wordt nog geconcludeerd dat “Europese wetgeving (…) de nationale kerkstaat ver-houdingen [niet mag] beïnvloeden.”19, maar uit de (nog beperkte) recentere ju-risprudentie van het Hof van Justitie moet toch worden opgemaakt dat die in-vloed er wel degelijk is, of het nu gaat om kerkelijk personeelsbeleid (2018)20, over het door een geloofsgemeenschap gevoerde beleid met betrekking tot persoonsgegevens (2018)21 of over de ruimte die het EU-recht laat aan slachten volgens een religieuze ritus (2018)22. De door het Hof van Justitie aan EU-wetgeving gegeven uitleg in deze aangelegenheden bindt de nationale rechter.

Overigens houdt ook het EHRM rekening met de verplichtingen die EU-lidstaten hebben onder EU-recht. Deze ontwikkeling is voor wat betreft de positie van kerkgenootschappen herkenbaar in een reeks uitspraken (met name tegen Duitsland) waarin het gaat om door kerkgenootschappen ontsla-gen kerkelijk personeel23.

De godsdienstvrijheid van de kerk – collectieve aspecten van godsdienstvrijheid

Het idee dat ook een kerkgemeenschap zelf – als collectief – drager zou zijn van het grondrecht ‘godsdienstvrijheid’ is vanuit een mensenrechtenper-spectief niet vanzelfsprekend. Verdragsteksten waarin godsdienstvrijheid is verankerd, niet alleen het EVRM, zien immers steeds individuen als drager van het grondrecht24. Ook in het PKN-rapport vinden we die nadruk op dit individuele aspect terug25, zonder dat het collectieve aspect daarbij uit beeld raakt26. Het sluit aan bij wat al in 2004 als uitgangspunt gold: “De kerk acht de vrijheid van godsdienst (…) als een groot goed, dat bescherming verdient”27.

Mettertijd heeft het EHRM in zijn jurisprudentie de geloofsgemeen-schappen zelf als grondrechtendrager van het recht op godsdienstvrijheid aangemerkt en daarbij een brede waaier aan collectieve aspecten van gods-dienstvrijheid erkend. Tot deze collectieve aspecten van de godsdienstvrij-heid worden rechten gerekend die garanderen dat:

(a) godsdienst door gelovigen gezamenlijk kan worden gevierd (het groeps-gewijs bijeenkomen van geloofsgenoten in een geloofsgemeenschap28), waarbij de overheid er zo nodig voor zorgt dat andere geloofsgemeen-schappen dit tolereren (bescherming29);

(b) geloofsgemeenschappen hun geloofsgoed vrijuit mogen verkondigen (extern gericht, proselitisme), preken en onderwijzen (intern gericht, bv.door catechese)30, in de taal die ze zelf kiezen (of de taal die ze om reli-gieuze redenen moeten hanteren)31;

(c) geloofsgemeenschappen gelegenheid hebben daartoe een gebedshuis te bouwen of te verwerven32;

(d) geloofsgemeenschappen zich vrij kunnen organiseren33, wat onder meer betekent dat ze uitmaken wie ertoe behoren of niet (kwesties i.v.m. indi-vidueel lidmaatschap), tot welk groter verband ze al dan niet wensen toe te treden34 of van welk verband ze afscheid willen nemen35;

(e) geloofsgemeenschappen zelf uitmaken wie de geestelijke bedienaren en geestelijk leiders zijn36, deze zo nodig uit het buitenland betrekken37 en bepalen wie bevoegd is voor de geloofsgemeenschap religieuze taken te verrichten38;

(f) geloofsgemeenschappen de vrijheid hebben religieus voorgeschreven ri-tuelen uit te voeren (bijvoorbeeld: besnijdenis39, lijkbezorging, gebedsop-roep40…);

(g) geloofsgemeenschappen de ruimte hebben voorzieningen te treffen om de gelovigen naar religieuze voorschriften te laten leven (bijvoorbeeld: het naleven van spijswetten41);

(h) geloofsgemeenschappen de ruimte hebben om de gelovigen die een be-perkte bewegingsvrijheid hebben geestelijke verzorging te bieden (met name in detentie-instellingen)42;

(i) geloofsgemeenschappen de voor hun diverse activiteiten (o.m. deze opge-30 somd in de punten (a) tot en met (h)) noodzakelijke fondsen vrij kunnen verwerven (= recht op zelffinanciering).

Vormen van directe of van indirecte staatssteun (zoals de in Nederland be-staande giftenaftrek voor ANBI-instellingen) behoren niet tot het grond-rechtelijke minimum dat uit het EVRM afgeleid kan worden43. Dat bete-kent overigens niet dat de staat een stelsel van directe of indirecte steun naar believen kan inrichten. Uit de (op dit punt nog schaarse) jurispru-dentie van het EHRM blijkt dat discriminerende regelingen de toets van de kritiek niet kunnen doorstaan. Als een dergelijke regeling het naakte bestaan van een geloofsgemeenschap (waaraan een steunvorm onthouden wordt) in gevaar brengt is dit overheidshandelen in strijd met de vrijheid van godsdienst zelf44.

Voor in Nederland gevestigde geloofsgemeenschappen geldt dat al de onder (a) tot en met (i) genoemde elementen sinds mensenheugenis verwor-ven zijn, maar uit de regelzucht van de regering van koning Willem I en – het PKN-rapport De kerk en de democratische rechtsstaat wijst er ook op45 – uit de geschiedenis van de Afscheiding van 1834 kan worden opgemaakt dat er ook in een land waarin de Grondwet de vrijheid van godsdienst uitdruk-kelijk garandeert46 overheidsoptreden denkbaar is dat veel van de hierboven opgesomde deelrechten beperkt of zelfs teniet doet, tot en met het voor het bestaan van een geloofsgemeenschap wezenlijke recht tot gemeenschappe-lijke viering47. Alleen daarom al is het door het EVRM in het leven geroepen bovennationale beschermingsmechanisme van groot belang voor het in stand houden van een stelsel waarin ook de grondrechten van geloofsgemeen-schappen gerespecteerd worden.

Sommige van de hierboven opgesomde aspecten zijn ook terug te vinden in andere typen organisaties die samen met de levensbeschouwelijke organi-saties de civil society uitmaken48, maar ze zijn samen genomen zo kenmer-43 kend voor geloofsgemeenschappen dat het zinvol is de grondrechtspositie van levensbeschouwelijke organisaties (en dus de positie van de overheid ten opzichte van die organisaties) als een afzonderlijke categorie te blijven beschouwen.

Zodra collectieve aspecten van godsdienstvrijheid onder (overheids-) druk komen te staan, komen meestal ook individuele vrijheidsrechten in het gedrang. In de zaak Fernández Martínez tegen Spanje, een zaak over de beslissing van een Rooms-katholiek bisschop om een godsdienstleraar voort-aan niet toe te laten godsdienstonderricht te geven in een Spaanse openbare school, heeft het Hof deze verbondenheid als volgt verwoord:

Were the organisational life of the community not protected by Article 9 of the Convention, all other aspects of the individual’s freedom of religion would become vulnerable49.

Een overheid die rekening houdt met individuele rechten, kan ook daarom niet buiten het respect voor de collectieve rechten. Het vrijheidsrecht van de kerk is daarmee ook meteen het vrijheidsrecht van haar gelovige(n).

Deze rechten zijn niet absoluut : vrijheidsbeperkingen

Deze aan geloofsgemeenschappen toekomende grondrechten zijn echter, net als de individuele godsdienstvrijheid, niet absoluut50. De overheid kan – zo nodig, onder voorwaarden – grondrechten beperken, ook die van de kerk. Voor wat betreft de godsdienstvrijheid wordt de handelingsruimte van de overheid bepaald door art. 9, tweede lid, EVRM:

De vrijheid zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uiting te brengen kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Om te weten in welke omstandigheden een beperking van de godsdienst-vrijheid door de Nederlandse overheid geoorloofd is, moet deze bepaling samen gelezen met het interne recht (bijvoorbeeld in de Grondwet) voorziene condities. Artikel 9, tweede lid, EVRM bindt vrijheidsbeperkingen aan drie voorwaarden: de beperking op het belijden van een godsdienst of het uiten van een levensovertuiging moet ‘bij de wet zijn voorzien’, moet een in het verdrag bepaald doel dienen (hier: ‘in het belang van de openbare vei-ligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen’) en dient bovendien proportioneel te zijn (‘in een democratische samenle-ving noodzakelijk zijn’)51. Die derde en laatste voorwaarde houdt bij de Straatsburgse beoordeling in dat onder meer wordt nagegaan of er voor de vrijheidsbeperking een dringende sociale behoefte bestaat. De nationale instanties (en de nationale rechter) komt hierbij in het algemeen een zekere, soms ruime, beoordelingsruimte toe (margin of appreciation)52, in het bij-zonder als de kerk en staat-verhoudingen in het geding zijn, want in die aangelegenheid bestaat geen uniforme Europese standaard.53 Aan de drie voorwaarden moet cumulatief voldaan zijn, wil een vrijheidsbeperking geen vrijheidsschending zijn.

De vrijheidsgarantie in artikel 9 EVRM ziet primair op de verhouding tussen overheid en burgers of – voor deze bijdrage relevant – tussen overheid en geloofsgemeenschappen, ‘verticaal’. Ze kan echter ook betekenis hebben in verhoudingen tussen particulieren; in dat geval spreekt men van ‘horizontale werking’. Voor de staat houdt het de opdracht in ervoor te zorgen dat het vrijheidsrecht zo nodig verwerkelijkt wordt in verhoudingen tussen de burgers onderling. Dit kan gevolgen hebben voor de rechtspositie van de kerk, die in balans moet worden gebracht met die van het individu. Vooral personeelskwesties zijn tot nog toe door het EHRM afgehandeld54, waarbij het de ontslagzaak betrof van een kerkmusicus die niet leefde volgen de re-ligieuze huwelijksregels) de kerk, en de kerk soms ook aan het kortste eind trok omdat het grondrecht op respect voor het privéleven van de individuele kerkelijke medewerker in de afwegingen van de Duitse nationale rechter onvoldoende meegewogen was55.

Dat de overheid de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst zo nodig kan beperken neemt niet weg dat het hier om een kernvrijheid blijft gaan. Al een kwarteeuw, sinds het arrest Kokkinakis tegen Griekenland, de aller-eerste uitspraak waarin EHRM schending van artikel 9 EVRM vaststelde, geldt voor het Hof dat deze vrijheid één van de fundamenten is van wat een ‘democratische samenleving’ uitmaakt in het licht van het EVRM56. Deze vrijheid kan daarom niet naar believen aangetast worden.

Het EHRM, dat de speelruimte van de overheid in de loop van dertig jaar jurisprudentie heeft moeten beoordelen, geeft de overheid enig krediet als het erom gaat een religieus pluriforme samenleving in vreedzaam spoor te houden. Al in de zaak-Kokkinakis overwoog het “that in democratic societies, in which several religions coexist within one and the same population, it may be necessary to place restrictions on this freedom in order to reconcile the interests of the various groups and ensure that everyone’s beliefs are respected“57. De overheid wordt door het Hof standaard omschreven als “neutral and impartial organiser of the practising of the various religions, denominations and beliefs”58, die haar taak moet uitoefenen met het oog op het bereiken of handhaven van “religious harmony and tolerance”59. Hoe enthousiaster de overheid die rol invult, hoe minder terughoudend zij zal zijn en hoe groter de kans dat de vrijheid van de kerk – zelfs met de beste bedoelingen – nodeloos geschaad wordt60.

Opnieuw: plaatsbepaling van de kerk(en)

De contouren van de grondrechtpositie van de kerk, door de overheid te waarborgen, zijn hierboven geschetst. Dit kan behulpzaam zijn bij het bepa-len van de kerkelijke koers: de kerk weet wat haar (en daarmee haar leden) grondrechtelijk toekomt.

De rol van de kerk, vanuit de ambities van het PKN-Rapport (en op grond van engagementen in CEC-CCEEen WRR-verband61) is dubbel:

(a) zij bewaakt de eigen vrijheid / grondrechten, door zich zo nodig uit te spreken over overheidsvoornemens die de kerk in haar collectieve vrij-heid raken of door het betwisten van overheidshandelen dat op gespannen voet staat met die vrijheid

(b) zij bewaakt de vrijheid / grondrechten van andere geloofsgemeenschap-pen en neemt daarbij zo nodig stelling in.

ad (a): de eigen vrijheid van de kerk

Over het algemeen is de kerk (of beter: zijn kerken) goed toegerust om deze opdracht te vervullen. De samenwerking van kerkgenootschappen in het kader van het CIO bewijst hier ongetwijfeld diensten in de sfeer van de al-gemene belangenbehartiging62.

Voor het betwisten van vrijheidsbelemmerend overheidshandelen is het de taak van de betrokken kerk(en) zelf om uit te maken of de onafhankelijke rechter om een oordeel gevraagd moet worden, waarbij het overigens denk-baar is dat andere kerkgenootschappen aan dergelijke actie gevraagd wordt financieel bij te dragen63. Het is juist in concrete conflicten dat het nodig kan zijn dat grotere helderheid wordt geschapen over grondrechtenclaims van geloofsgemeenschappen.

ad (b): de vrijheid van andere geloofsgemeenschappen

Het PKN-rapport lijkt meer te vergen van de kerk: waar niet haar eigen rechten in het geding zijn maar die van andere geloofsgemeenschappen moet de kerk zich sterk maken voor de godsdienstvrijheid64 en ligt er een taak om de overheid daar zo nodig publiek op aan te spreken65.

Dat de eigen (grond-)rechtspositie en die van andere geloofsgemeenschappen nauw met elkaar verbonden zijn wordt helder in het kerkrecht van de Ver-enigde Protestantse Kerk in België (VPKB), zusterkerk van de PKN. Artikel 5.1 van haar Constitutie (1978) luidt: “De Verenigde Protestantse Kerk in België aanvaardt met dankbaarheid de volledige vrijheid van organisatie, meningsuiting, publicatie en getuigenis, die haar door ‘s lands grondwet verleend wordt. Zij is onvoorwaardelijk gehecht aan deze vrijheid zowel voor zichzelf als voor alle andere godsdienstige of wereldbeschouwelijke gemeenschappen”66.

De PKN neemt in De kerk en de democratische rechtsstaat een vergelijk-bare positie in: “De Protestantse Kerk in Nederland (…) is dankbaar voor de bij wet vastgelegde vrijheid het kerkelijk leven voluit naar eigen overtuiging te kunnen inrichten. (…) Zij acht het ongewenst zelf meer mogelijkheden te hebben dan anderen in de samenleving om haar opvattingen in het politieke leven te laten doorwerken.”67

De kerkelijke inzet voor de vrijheid van andere geloofsgemeenschappen is op Europees niveau neergelegd in het Charta oecumenica uit 2001, waarin de Con-ferentie van Europese Kerken (CEC-KEK) en de Raad van Europese Bisschop-penconferenties (CCEE) zich er met betrekking tot àndere religies toe engageren: “to defend their right to practise their faith or convictions, whether singly or in groups, privately or publicly, in the context of rights applicable to all”68.

Op mondiaal niveau werd in 2013 door de WRK (10de Assemblee, Busan) in het Statement on the Politicization of Religion and Rights of Religious Minorities een uitvoerig standpunt over de godsdienstvrijheid vastgelegd waarin de lidkerken worden opgeroepen “to engage actively in defending the rights of all religious minorities and their right to freedom of religion or belief, especially in opposing legislation or regulations that would limit religious freedom in contravention of international human rights standards”69

Het bewaken van eigen vrijheid en die van de ander is een sterk uitgangs-punt, waarin ook het principe van gelijke behandeling doorklinkt. Het zal zich steeds in de (soms weerbarstige) praktijk moeten bewijzen. Dertig jaar geleden schreef Leen van Drimmelen: “Dit spreken van de kerk kan de staat ongelegen komen en onwelgevallig zijn. Des te meer reden is er om ervoor te zorgen dat de kerk vrij staat tegenover de staat en hem niet naar de ogen hoeft te zien”70. Het Nederlandse stelsel van scheiding van kerk en staat waarin de directe staatsfinanciering (en daarmee gepaard gaande invloed) weggevallen is, biedt wat dat aangaat sterkere garanties dan stelsels waarin kerken voor het bestaan afhankelijk zijn van overheidsgeld.

Kerk, rechtsstaat, grondrechten: actualiteit

Sinds enige jaren is er in de landelijke (en soms plaatselijke) politiek een koerswijziging waarneembaar; regulering van religie staat hoog op de poli-tieke agenda, op meerdere terreinen. Daarbij wordt soms beleid uitgewerkt dat mogelijk schuurt met elementen uit de hierboven gegeven catalogus aan collectieve aspecten van godsdienstvrijheid. Ingrijpen in religie-uitoefening is meestal terug te voeren op (1e) de overheidstaak er zorg voor te dragen dat een multireligieuze samenleving in vrede functioneert maar ook op (2e) (van-daag de dag) fundamenteel geachte integratiedoelstellingen. De initiatieven zijn vaak, maar niet uitsluitend, toe te schrijven aan een steeds breder gedeeld onbehagen met individuele en collectieve geloofsmanifestaties van moslims.

Vaak raken ze aan individuele geloofsuitingen (religieuze kledingvoorschrif-ten, voorschriften m.b.t. lichaamscontact), maar ook de positie van geloofsge-meenschappen komt in beeld. Te denken valt aan het in 2018 opnieuw in de Tweede Kamer aanhangig gemaakte initiatiefvoorstel-Thieme met betrekking tot een verbod op onverdoofde slacht71, aan de in 2018 geuite wens van de Rot-terdamse CDA-fractie eredienstuitoefening niet meer in een vreemde taal te laten plaatsvinden, maar in het Nederlands72, aan het in 2016 van VVD-zijde aanhangig gemaakte initiatiefvoorstel dat beoogt het ontbinden van kerkgenoot-schappen te vereenvoudigen (art. 2:20 BW)73 en het in 2017 in het regeerakkoord vastgelegde voornemen grenzen te stellen aan buitenlandfinanciering van ge-loofsgemeenschappen vanuit ‘onvrije landen’74. Ook de toelating van vreemde geestelijke bedienaren75, een kwestie die Nederland al op een EHRM-procedure kwam te staan76, hoort in deze categorie thuis. En, hoewel hieromtrent (ondanks steun in D66 en VVD-kring) nog geen initiatief te verwachten is, er is ook nog het KNMG-pleidooi voor een verbod van jongensbesnijdenis uit 201177. Alle voorbeelden hebben raakvlakken met de godsdienstvrijheid van ge-loofsgemeenschappen, soms ook met die van christelijke kerken. Het zijn stuk voor stuk onderwerpen die nader onderzoek verdienen in het licht van de hoger besproken uitgangspunten. Verdienen sommige ervan een stelling-name van de kerk (of van Raad van Kerken, het CIO, de CEC-KEK ….78)?

Het wetsvoorstel-Thieme leidde in 2011 tot een brief van het moderamen van de generale synode van de PKN aan alle fracties van de Tweede Kamer79. Het wetsvoorstel over het toepassen van art 2:20 BW op kerkge-nootschappen leverde in 2016 een afwijzend standpunt op van het CIO80. In beide gevallen werd de voorgenomen regelgeving in strijd geacht met de godsdienstvrijheid .

Het is nog onduidelijk hoé het kabinet Rutte-III uitvoering zal geven aan de in het regeerakkoord opgenomen afspraken over buitenlandse reli-giefinanciering. Denkbaar is dat deze ontwerpregelgeving tot een bezorgde reactie van de kerk leidt, met name als een regeling wordt uitgewerkt die tot gevolg zou hebben dat geloofsgemeenschappen financieel worden ‘droog-gelegd’, zodat een belangrijk voorwaardenscheppend element uit de in deze bijdrage genoemde collectieve elementen van de vrijheid van godsdienst, het recht op zelffinanciering81, wordt aangetast. Zal de kerk (in een demo-cratische rechtsstaat, een staat die grondrechten respecteert82) hier spreken of zal zij er het zwijgen toe doen? Deze concrete kwestie ligt ongetwijfeld gevoelig, nu het sinds de zomer van 2016 vooral lijkt te gaan om de omstre-den voorzieningen die de Turkse staat biedt aan Turkse moskeeën in Neder-land. Principieel is deze nieuwe casus interessant, omdat ze toelaat na te gaan welke criteria de kerk op dit terrein toepast83. Bovendien is de casus interessant, omdat religiefinanciering vanuit het buitenland in de kerk(en84) een lange traditie kent. Die traditie gaat ver terug, tot aan de collecte voor Jeruzalem (2 Korintiërs, hoofdstukken 8 en 985). Ook anno 2018 nu nog gaat geld van de kerk naar kerken in het buitenland, bijvoorbeeld ter on-dersteuning van christelijke kerkgemeenschappen in islamitische landen86.

Een handzaam criterium bij het bepalen van de positie (en het zo nodig spreken) van de kerk op dit terrein is beknopt geformuleerd door Arjan Plai-sier: “Wie opkomt voor de vrijheid van de eigen religie, zal dat ook moeten doen voor die van de ander”87.

1 L. Koffeman (eindred.), De kerk en de democratische rechtsstaat – een positiebepaling. Bijdrage aan het gesprek in gemeente en kerk, 2009, 51 (Rapport PKN-Synode, 2009), verder in deze bijdrage aangehaald als De kerk en de democratische rechtsstaat. Recenter toegelicht in L. Koffeman, “Een kerk spreekt zich uit over de democratische rechtsstaat”, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2016, nr. 2, 40-56.

2 Koffeman signaleert dat het in het Rapport “niet primair ging om de vraag welke belangen en rechten de kerk binnen ons staatsbestel heeft.” L. Koffeman, l.c., (voetnoot 1), 43.

3 De kerk en de democratische rechtsstaat, § 8. L. Koffeman, l.c., (voetnoot 1), 44.

4 “[Kerken] kunnen in volstrekte vrijheid ten opzichte van de overheid hun kerkelijk leven inrichten. Als het anders was, zou dat worden ervaren als een aantasting van het grondrecht van de vrijheid van godsdienst”. De kerk en de democratische rechtsstaat, § 1.

5 De kerk en de democratische rechtsstaat, §35 (zie ook §75, § 127)

6 L. Koffeman, l.c., (voetnoot 1), 40.

7 S.C. van Bijsterveld, Religie, Staat en Samenleving. Kerken en christendom in de samenleving van vandaag, Rede ter gelegenheid van de opening van het academisch jaar van de Protestantse Theologische Universiteit, 30 augustus 2013, 12. In dezelfde zin J.W. Sap, “De gevaarlijke verleiding van de staatskerk”, Nederlands Tijdschrift voor Kerk en Recht 2017, nr. 2, 184.

8 J.T. Sunier en N. Landman, Diyanet. The Turkish Directorate for Religious Affairs in a changing Environment, Amsterdam/Utrecht: VU/UU, 2011, 164

9 Bericht “Zorgen in Kamer over Turkse plannen met weekendscholen”, Trouw 11 augustus 2018 (https://www.trouw.nl/home/zorgen-in-kamer-over-turkse-plannen-met-weekendscholen~a058a954/)

10 Zie hierover: B. de Graaf, Heilige Strijd, Den Haag: Boekencentrum, 2017. Zie ook: De kerk en de democratische rechtsstaat, § 4.

11 Wet van 27 juni 2018, houdende instelling van een gedeeltelijk verbod op het dragen van gezichts-bedekkende kleding in het onderwijs, het openbaar vervoer, overheidsgebouwen en de zorg (Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding), Staatsblad 2018, 222

12 Vertrouwen in de toekomst. Regeerakkoord 2017-2021, 10 oktober 2017, 4.

13 (mijn cursivering) Zie de door de Tweede Kamer aangenomen motie van de fractieleiders van CDA, CU en SGP: Motie Van Haersma Buma c.s. (over voorkomen dat gebedshuizen in Nederland worden gefinancierd door de Turkse overheid), 13 september 2016, TK 2015-2016, 32 824, nr. 155. (Integratiebeleid)

14 Art. 6 Grondwet laat ik hier dus terzijde. Daarover: S.C. van Bijsterveld en B. Vermeulen, “Com-mentaar op artikel 6 van de Grondwet”, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikels-gewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2018 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).

15 Een omstandige analyse hiervan in: B. Vermeulen en M. van Roosmalen, “Freedom of thought, conscience and religion (Articke 9)” in van Dijk, F. van Hoof, A. van Rijn en L. Zwaak (ed.), Theory and Practice of the European Convention on Human Rights, Antwerpen: Intersentia, 2018, 735-763.

16 Zie Art. 94 Grondwet.

17 Naar deze EHRM-jurisprudentie wordt in de voetnoten verwezen zonder nadere aanduiding van vindplaatsen. Deze jurisprudentie kan worden geraadpleegd via de online databank van het Hof, HUDOC, www.hudoc.echr.coe.int/. Zie over de betekenis van het EHRM: De kerk en de democratische rechtsstaat, § 55.

18 Zie met name het overzicht geboden in: Venice Commission, Compilation of the Venice Commission opinions and reports concerning Freedom of Religion and Belief, Straatsburg, 4 juli 2014, CDL-PI(2014)005.

19 De kerk en de democratische rechtsstaat, § 56 (uitgaande van het door het Verdrag van Lissabon geïntroduceerde art. 17 TFEU, uitvloeisel van de zgn. ‘Amsterdamse Kerkenverklaring’ van 1997).

20 HvJ EU 17 april 2018, C-414/16, Vera Egenberger tegen Evangelisches Werk für Diakonie und Entwicklung e.V., European Human Rights Cases 2018/127 met noot Gerards. Zie bericht Kirche muss Anforderungen an Bewerber stärker begründen, EPD 17 april 2018 (www.ekd.de/michaelheinig-eugh-kirchliches-arbeitsrecht-34169.htm). Zeer recent gevolgd door HvJ EU, 11 september 2018, zaak C-68/17, IZ.

21 HvJ EU 10 juli 2018, C-25/17, Tietosuojavaltuutettu tegen Jehovan todistajat – uskonnollinen yhdyskunta,

22 HvJ EU 29 mei 2018, C-426/16, Liga van Moskeeën en Islamitische Organisaties Provincie Antwerpen vzw e.a. tegen Vlaams Gewest. European Human Rights Cases 2018/187 met noot Overbeeke.

23 EHRM 23 september 2010, nr. 425/03, Obst tegen Duitsland, EHRM 23 september 2010, nr. 1620/03, Schüth tegen Duitsland.

24 Zie bv. art. 18 Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).

25 De kerk en de democratische rechtsstaat, §§ 8, 48.

26 Zie: De kerk en de democratische rechtsstaat, § 1.

27 Beeld en gelijkenis. Elementen voor een visie van de Protestantse Kerk in Nederland op multicultureel samen leven, Rapport voor de generale synode Protestantse Kerk in Nederland 12-14 mei 2004, 14.

28 EHRM 13 december 2001, nr. 45701/99, Metropolitan Church of Bessarabia e.a. tegen Moldavië. EHRM 27 januari 2011, nr. 77185/01, Boychev tegen Bulgarije; EHRM 24 mei 2016, nr. 36915/10, Association de solidarité avec les témoins de Jéhovah e.a. tegen Turkije.

29 EHRM 3 mei 2007, nr. 71156/01, Members of the Gldani congregation of Jehovah’sWitnessese.a. tegen Georgië.

30 EHRM 25 mei 1993, nr. 14307/88, Kokkinakis tegen Griekenland.

31 Af te leiden uit ECieRM (Europese Commissie voor de Rechten van de Mens), beslissing 11 april 1996, nr. 24019/94, Finska församlingen i Stockholm en Hautaniemi tegen Zweden.

32 EHRM 26 september 1996, nr 18748/91, Manoussakis e.a. tegen Griekenland.

33 EHRM 14 december 1999, nr. 38178/97, Serif tegen Griekenland, EHRM 26 oktober 2000, nr. 30985/96, Hasan & Chaush tegen Bulgarije.

34 Het EHRM verbiedt de overheid geloofsgemeenschappen tot eenheid te verplichten: zie bv. recent EHRM 17 november 2017, nr. 3532/07, Orthodox Ohrid Archdiocese (Greek-Orthodox Ohrid Archdiocese of the Peć Patriarchy) tegen Macedonië, § 117.

35 Vgl. ECieRM, beslissing 11 april 1996, nr. 24019/94, Finska Församlingen I Stockholm en Hauta-niemi tegen Zweden. EHRM 15 september 2009, nr. 798/05, Miroļubovs e.a. tegen Letland, §93.

36 EHRM 14 december 1999, nr. 38178/97, Serif tegen Griekenland, EHRM 26 oktober 2000, nr. 30985/96, Hasan & Chaush tegen Bulgarije.

37 EHRM beslissing 14 februari 2006, nr. 25525/03, El Majjaoui & Stichting Touba Moskee tegen Nederland; EHRM (Grote Kamer) 20 december 2007, nr. 25525/03, El Majjaoui & Stichting Touba Moskee tegen Nederland (friendly settlement).

38 EHRM (Grote Kamer) 12 juni 2014, nr. 56030/07, Fernández Martínez tegen Spanje.

39 EHRM beslissing 10 juli 2001, nr. 41754/98, Johannische Kirche & Peters tegen Duitsland; EHRM beslissing 18 oktober 2016, nr. 41214/13, Muslim Board Startsevo tegen Bulgarije, § 26.

40 EHRM beslissing 16 oktober 2012, nr. 2158/12, H.C.W. Schilder tegen Nederland.

41 EHRM 27 juni 2000, nr. 27417/95, Cha’are Shalom ve Tsedek tegen Frankrijk.

42 Af te leiden uit het individuele recht op geestelijke bijstand; zie bv. EHRM 30 november 2006, nr. 61638/00, Igors Dmitrijevs tegen Letland.

43 Zie A.J. Overbeeke en G. van der Schyff, “Overheidsfinanciering voor geloofsgemeenschappen in de Straatsburgse jurisprudentie. Valt er uit de beoordeling van de Turkse overheidsfinanciering iets te leren voor Nederlands beleid?”, te verschijnen in NTKR 2018.

44 Uitkomst in EHRM 30 juni 2011, nr. 8916/05, Association les Témoins de Jehovah tegen Frankrijk.

45 De kerk en de democratische rechtsstaat, § 25.

46 Zie met name het aan de godsdienst gewijde Hoofdstuk 6 (art. 190 e.v.) in de Nederlandse Grondwet van 1815.

47 Zie over het repressieve overheidsbeleid in deze periode E. Bos, Souvereiniteit en Religie. Godsdienst-vrijheid onder de eerste Oranjevorsten, Hilversum: Verloren, 2009, 283 e.v. Beatrice de Graaf wees er al op : “Het ministerie van justitie had vroeger als toevoeging ‘en van Eredienst’, en kon inbreuken maken op kerkelijke autonomie en geloofsvrijheid wanneer de nationale veiligheid of openbare orde in het geding was. Denk aan (…) inzet van ordehandhavers in de tijd van de afscheiding”. B. de Graaf, Waar zijn wij bang voor? Een religieus-theologische benadering van veiligheid, Rede ter gelegenheid van de opening van het academisch jaar 2014 – 2015, PThU, 29 augustus 2014, 4.

48 Zie De kerk en de democratische rechtsstaat, § 91 e.v.

49 EHRM (Grote Kamer) 12 juni 2014, nr. 56030/07, Fernández Martínez tegen Spanje, § 127. Zie ook (naar aanleiding van overheidsbemoeienis in de organisatie van moslimgemeenschappen EHRM (Grote Kamer) 26 oktober 2000, nr. 30985/96, Hasan and Chaush tegen Bulgarije, § 62.

50 Dat geldt echter wel voor aspecten van die vrijheid die tot het zgn. forum internum behoren, het recht een geloofsovertuiging te hebben en te verlaten of te wijzigen.

51 Zie over deze drievoudige toets (in het kader van art. 9 EVRM): B. Vermeulen en M. van Roosmalen, l.c. (voetnoot 14), 758-763.

52 Zie B. Vermeulen en M. van Roosmalen, l.c. (voetnoot 14), 760.

53 EHRM 27 juni 2000 (Grote Kamer), nr. nr. 27417/95, Cha’are Shalom Ve Tsedek tegen Frankrijk, §84 (niet verlenen van slachtvergunning aan joodse gemeente – geen schending van art. 9 EVRM). Recente toepassing hiervan, waarbij aan de verdragsstaat een ‘wide margin of appreciation’ werd toegemeten: EHRM 1 juli 2014 (Grote Kamer), S.A.S. tegen Frankrijk), §154-156 (Franse wet boerkaverbod – geen schending art. 9 en 8 EVRM).

54 Zie bv (gunstig oordeel voor de positie van de kerk): EHRM 23 september 2010, nr. 425/03, Obst tegen Duitsland, EHRM 3 februari 2011, Siebenhaar tegen Duitsland. Zie over deze spanning ook L.J. Koffeman, “Vrijheid van godsdienst binnen de kerk? Geestelijken in conflict met de kerkge-nootschappen waartoe zij behoren”,NTKR2017, nr. 1, 3-19.

55 EHRM 23 september 2010, nr. 1620/03, Schüth tegen Duitsland.

56 EHRM 25 mei 1993, nr. 14307/88, Kokkinakis tegen Griekenland, § 31.

57 EHRM 25 mei 1993, nr. 14307/88, Kokkinakis tegen Griekenland, § 33.

58 Zie hierover : S.C. van Bijsterveld, “De staat als ‘neutral organiser of religions’? Een analyse van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens” (I) TRRB 2013, nr 1, 44-64; (II), TRRB 2013, nr. 2, 34-58

59 EHRM 31 juli 2001, nrs. 41340/98, 41342/98, 41343/98 en 41344/98, Refah Partisi e.a. tegen Turkije, § 51; recent: EHRM (Grote Kamer) 26 april 2016, nr. 62649/10, İzzettin Doğan e.a. tegen Turkije, § 107.

60 Vgl. A. Overbeeke, “De staat en de vele geloofsgemeenschappen: raadgever-coach? regisseur? regelaar? De fragiele positie van de overheid als ‘neutrale organisator van religie-uitoefening’”, Recht, Religie en Samenleving 2016, nr. 1, 19-68.

61 Resp. Conference of European Churches, Consilium Conferentiarum Episcoporum Europae en We-tenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.

62 J. de Vries, “Het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken (CIO): belangenbehartiger voor de kerken bij de rijksoverheid”, Nederlands Tijdschrift voor Kerk en Recht, 2010, 30-37.

63 Zoals recent nog gesuggereerd door Klaas-Willem de Jong, blog naar aanleiding van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 januari 2018 (Zoekresultaat – inzien document ECLI:NL:GHARL:2018:38): K.-W. de Jong, “De arbeidsrelatie van de predikant: toch een arbeidsovereenkomst!?”, 17 februari 2018 (via: http://blog.kerkenrecht.nl/2018/02/17/de-arbeidsrelatie-van-de-predikant-toch-eenarbeidsovereenkomst/)

64 De kerk en de democratische rechtsstaat, § 81.

65 De kerk en de democratische rechtsstaat, § 127. (“Het kan nodig zijn dat de kerk zich bij monde van de generale synode of haar moderamen publiekelijk zeer kritisch opstelt tegenover de civil society en de overheid, omdat zij meent dat gerechtigheid en vrijheid, vrede en wederzijdse verantwoordelijkheid, duurzaamheid of veiligheid binnen de samenleving ernstig in de verdrukking komen. (…) Wanneer de kerk een dergelijk publiek getuigenis onontkoombaar acht, zoekt zij mogelijkheden om dit te doen samen met andere kerken, nationaal – in Raad van Kerken of CIO -, in Europa of wereldwijd.”)

66 http://nl.protestant.link/wp-content/uploads/sites/2/2018/07/B-Constitutie-en-Kerkorde-2016-layout-2017-05-09.pdf . (mijn cursivering) Vgl. De kerk en de democratische rechtsstaat, § 81.

67 De kerk en de democratische rechtsstaat, § 87.

68 via: https://web.archive.org/web/20121225040803/http://www.ceceurope.org/current-issues/chartaoecumenica/

69 WCC 10th Assembly of the World Council of Churches held in Busan, Republic of Korea, from 30 October to 8 November 2013, Statement on the Politicization of Religion and Rights of Religious Minorities, Doc. No. PIC 02.1, 6, sub D (via: https://www.oikoumene.org/resources/documents/statement-on-the-politicization-of-religion-and-rights-of-religious-minorities)

70 L.C. van Drimmelen, “Kerk en Staat” in W. van ’t Spijker en L.C. van Drimmelen (red.), Inleiding tot de studie van het kerkrecht, Kampen: Kok, 1988, 201.

71 Voorstel van wet van het lid Thieme tot wijziging van de Wet dieren in verband met de invoering van een algehele plicht tot bedwelming van dieren voorafgaand aan de slacht, Stukken TK 2017-2018 34 908. Zie G. Van der Schyff, ‘Ritual Slaughter and Religious Freedom in a Multilevel Europe. The Wider Importance of the Dutch Case’, 3 Oxford Journal of Law and Religion 2014 (1), pp. 76-102.

72 Zie A. Overbeeke, “De overheid kan niet bepalen welke taal wordt gesproken in kerkdienst”, Trouw 27 maart 2018 (via: https://www.trouw.nl/opinie/de-overheid-kan-niet-bepalen-welke-taal-wordtgesproken-in-kerkdienst~a0d94ab2/)

73 Voorstel van wet van het lid Azmani tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met aanpassing van de uitzonderingspositie van kerkgenootschappen, Stukken TK 2015-2016, 34 465. Zie hierover: T. van Kooten, Het kerkgenootschap in de neutrale staat. Een verkenning en analyse van de positie van het kerkgenootschap binnen de Nederlandse rechtsorde, Den Haag: Boom Juridisch 2017, 344 e.v.

74 Zie hoger, voetnoot 12. Zie hierover: J. Kennedy, “De scheiding van kerk en staat kan nooit absoluut zijn”, Trouw 28 april 2018 (via: https://www.trouw.nl/opinie/de-scheiding-van-kerk-en-staat-kannooit-absoluut-zijn~a305506b/)

75 C.A.J.M. Kortmann, “Toelating en verblijf van vreemde bedienaren” in A. Böcker, T. Havinga, Minderhoud (ed.), Migratierecht en rechtssociologie, gebundeld in Kees’ studies. Migration Law and Sociology of Law, Collected Essays in honour of Kees Groenendijk, Nijmegen, WLP, 2009, 433-439.

76 EHRM beslissing 14 februari 2006, nr. 25525/03, El Majjaoui en Stichting Touba Moskee tegen Nederland.

77 Vragen van het lid Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie) aan de minister van Volks-gezondheid Welzijn en Sport over de oproep van artsen tegen jongensbesnijdenis (ingezonden 22 september 2011), Aanhangsel Handelingen TK 2011-2012, nr. 406. Zie W. van Erkel en K. Sijtsema (Jong D66) “Vrijheid van religie houdt op bij jongensbesnijdenis”, NRC 5 mei 2017 (via: https://www.nrc.nl/nieuws/2017/05/05/vrijheid-van-religie-houdt-op-bij-jongensbesnijdenis8692723-a1557375).

78 De kerk en de democratische rechtsstaat, § 127.

79 W. Houtman, “Migrantenkerken Rotterdam: ‘Zonder onze taal verliezen we onze functie’”, Neder-lands Dagblad 10 maart 2018 (via: . (Deze link is niet meer beschikbaar.)

80 S. Mouissie, “Kerken wijzen plan VVD over verbieden kerkgenootschappen af”, Nederlands Dag-blad 9 december 2016. (via: (Deze link is inmiddels niet meer beschikbaar. Het artikel is via de zoekfunctie te lezen voor abonnees.)

81 (aspect (i), zie hoger, p.319).

82 De kerk en de democratische rechtsstaat, § 8. L. Koffeman, l.c., (voetnoot 1), 44.

83 Misschien is dit te veel gevraagd, nu in het rapport wordt vastgesteld “(…) Het is niet mogelijk van te voren met meer nauwkeurigheid vast te leggen welke omstandigheden een dergelijk optreden noodzakelijk maken. Kerkordelijk is dit niet sluitend in te kaderen. (…)” Uit: De kerk en de demo-cratische rechtsstaat, § 127.

84 De voormalige Gereformeerde Kerken in Nederland bijvoorbeeld, voor haar voormalige lokale kerkgemeenschappen in België.

85 Zie P.B. Duff, ‘Paul’s Collection for the Poor in the Church at Jerusalem’, Oxford Biblical Studies Online (via: http://global.oup.com/obso/focus/focus_on_paul_collection/)

86 Zie projectenlijst Kerk in Actie (project steun bijbelonderwijs baptistenkerk in Bangladesh, Pink-steren 2018). (https://www.kerkinactie.nl/projecten/onderwijsbangladesh)

87 A. Plaisier, “De rol van de kerk in politiek en samenleving” in S. van Bijsterveld & R. Steenvoorde (red.), 200 jaar Koninkrijk. Religie, staat en samenleving, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers, 2013, 122.

< Terug