< Terug

De dood van Saul dubbel verteld

Alternatief bij vierde zondag van de herfst (2 Samuël 1:1-16)

Het slot van het eerste boek Samuel vertelt over de dood van Saul. Het tweede boek begint met een andere versie van Sauls dood, uit de mond van een Amalekiet. Ik heb dat altijd gelezen als een verhaal dat die jongen uit zijn duim zuigt in de hoop beloond te worden voor iets wat hij niet had hoeven doen. Maar nu weet ik dat niet meer zo zeker. Omdat meer episodes in deze cyclus dubbel verteld worden, kan ook dit heel goed een alternatieve versie van het verhaal over Sauls einde zijn.

In beide verhalen (1 Samuël 31 en 2 Samuël 1) vraagt Saul aan een jongen om hem te doden. In het eerste verhaal is het zijn wapendrager. Die weigert, waarop Saul zichzelf van het leven berooft en de jongen hem in de dood volgt. In het tweede verhaal is het de Amalekiet die doet wat van hem wordt gevraagd en dat uiteindelijk met de dood moet bekopen. In beide verhalen vind ik het beklemmend hoe jonge jongens (zoals in elke oorlog) voor zulke onmogelijke dilemma’s komen te staan. Wij zouden de Amalekitische jongen hebben aangeboden dat Slachtofferhulp met hem komt praten – David laat hem ter plekke doodsteken, ook weer door een jongeman.

‘Op de derde dag’

Hoe dan ook, Saul is dubbel en dwars dood. In 1 Samuël 31 is hij na zijn dood onthoofd en opgehangen en vervolgens verbrand en begraven. David krijgt het bericht volgens 2 Samuël 1 ‘op de derde dag’ (1:2). Die aanduiding lijkt wel een onheilspellend moment te markeren, zie Genesis 22:4; 31:22; 34:25; 40:20. Op de derde dag krijgt Saul er als het ware nog een volgende dood bij, alsof hij nog niet genoeg gestorven was. De derde dag tot overmaat van ramp. In het Evangelie is dat ook wat de vrouwen bij het graf lijkt te overkomen. Het is overigens niet, of niet per se, de derde dag na Sauls ondergang: het is de derde dag na Davids overwinning. Je moet de kaart erbij pakken om te zien dat de plekken van handeling heel ver uiteen liggen: Siklag is in het zuidwesten, Saul is gesneuveld in het noordoosten, op meerdere dagreizen afstand. David was in de slag geweest met de Amalekieten in het zuiden, Saul met de Filistijnen in het noorden. En laat nou uitgerekend een Amalekitische jongen ‘heel toevallig’ (1:6) aan het verkeerde front hebben rondgelopen.

Amalek

Zo speelt het verhaal ook met Amalek, dat archetypische kwaad. De tekst zegt in vers 1 dat David Amalek had verslagen. Dat klinkt alsof hij het kwaad heeft verslagen, en het is al twee dagen rustig. Op de derde dag blijkt Amalek er toch nog te zijn, zwervend als een eenling aan de verkeerde kant van het land. Historisch heeft een volk met die naam vermoedelijk helemaal niet bestaan – het is de belichaming van destructie en verraad, alles wat er niet zou moeten zijn. Daarom vind ik het jammer dat de Nieuwe Bijbelvertaling zegt dat David ‘de Amalekieten’ heeft verslagen terwijl er ‘Amalek’ staat – het gaat niet om een aantal personen, maar om dat kwade fenomeen. Dat moet worden uitgebannen, maar het duikt telkens onverwachts weer op, net zoals de destructieve krachten in jezelf. Je zult er nooit klaar mee zijn. Een belangrijk thema in de Samuëlboeken is het respect van David voor de gezalfde (de messias) van de Eeuwige, dus voor de persoon die het koningschap van JHWH belichaamt. Hij erkent Saul als zodanig, ook nadat hijzelf lang en breed gezalfd is om hem op te volgen. Het is dan typisch Amalek om die twee gezalfden tegen elkaar uit te spelen. Amalek verwacht dat David denkt: opgeruimd staat netjes. En het is voorstelbaar dat David dat bij momenten ook echt denkt. Maar in 2 Samuël overwint David Amalek in zichzelf door te rouwen om Saul.

‘Hoe zijn de helden gevallen’

Ik vind het daarom wel onmogelijk om het verhaal te vertellen zonder het rouwlied erbij dat de tweede helft van dit hoofdstuk vormt (2 Samuël 1:17-27). Dan lees je de meedogenloze kilte van het verhaal zonder de kwetsbare warmte van het lied. Het verhaal maakt mij onrustig, omdat alles ook nog een kwestie van berekening kan zijn aan Davids kant. Hij laat de ene jongen de andere jongen doodsteken vanwege heiligschennis, maar is intussen mooi van zijn aartsrivaal af – en inderdaad, een hoofdstuk later roept hij zichzelf tot koning uit en breekt de successieoorlog uit. De Davidcyclus kan zowel met een warm hart als met cynisme gelezen worden: lees Bathseba van Torgny Lindgren maar eens tegenover David van Karel Eykman – twee adembenemende Davidboeken, maar ook werelden van verschil! De verhalen blijven ambivalent, maar het lied is een hartenkreet, en de eredienst kan niet zonder dat laatste.

Deze exegese is opgesteld door Piet van Veldhuizen.

< Terug