< Terug

De ene profeet is de andere niet

Bij Deuteronomium 18,15-20, Psalmen 111 en Marcus 1,21-28

Het bijbelboek Deuteronomium vormt de afscheidsrede van Mozes, die hij vlak voor zijn dood uitspreekt. Hij zal het Beloofde Land niet binnengaan en ‘zijn graf is nooit gevonden’. Apocriefe geschriften, zoals Assumptio Moyses, verhalen van zijn opname bij de Eeuwige. En ‘nooit meer is in Israël een profeet opgetreden als Mozes’, al zullen er na Mozes nog andere profeten optreden en is er zelfs een profeet als Mozes beloofd, die de wil van de Eeuwige openbaar zal maken.

Een profeet is geen toekomstvoorspeller of waarzegger. ‘Profeet’ is afgeleid van het Griekse pro (= in plaats van) en phèmi (= spreken). Omdat zijn aanblik en stem niet rechtstreeks zijn waar te nemen, laat de Eeuwige daartoe geroepen mensen voor Hem, op zijn gezag, spreken. Maar hoe kun je weten dat je niet met een fake-profeet te maken hebt? Het antwoord op die vraag valt net buiten de eerste lezing van vandaag, maar je vindt het ook in de evangelielezing aan het begin van Jezus’ optreden. Het Hebreeuws heeft één woord voor ‘spreken’ en ‘doen’: dabar. De ware profeet kun je niet alleen kennen aan zijn woorden, maar ook aan zijn daden waarmee hij (of zij) ons herinnert aan de door de Eeuwige op de Sinai gegeven richtlijnen, om te voorkomen dat het met ons, met de wereld, verleid of verblind door afgoden van elke tijd, de verkeerde kant op gaat. Het is aan ons om te horen en ernaar te handelen (vgl. bijv. Deuteronomium 5,27).

Jezus een profeet als Mozes?

Is Jezus voor Marcus een profeet als Mozes? Marcus 1,21-28 bevat al veel hints in die richting. Na zijn doop in de Jordaan en zijn retraite in de wildernis treedt Jezus in de openbaarheid. Hij vormt een kleine gemeenschap met vier vissers, die meteen met Hem meegaan naar Kafarnaüm, een dorp aan het meer met een synagoge die nog steeds te bezoeken is. Op sabbat geeft Jezus daar Tora-onderricht, kennelijk op een manier die de mensen aanspreekt: met ‘gezag’ (Gr.: exousia). Herkennen zij er iets profetisch in? Een spreken namens de Eeuwige? Hoe dan ook: het zet de uitleg van schriftgeleerden op afstand. Als te veel naar de letter, te weinig naar het hart? En dan gebeurt het: iemand reageert met gekrijs op wat Jezus zegt. De man wordt omschreven als ‘in een onzuivere geest’. Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Er zijn zo veel ondeugden, dwangmatigheden, waarmee je behept raakt en die jou en medemensen beschadigen. Lees de kranten er maar op na. Zo veel onzuivere ideeën, die mensen ertoe brengen letterlijk en figuurlijk over de schreef en over lijken te gaan. Maar bij deze persoon landt Jezus’ Woord en hij maakt een switch. Wel onder luid protest: zijn onzuivere dwang scheurt zich letterlijk van hem los (Gr.: sparassoo – Marcus 1,26). En hij keert om! Bevrijd.
Opvallend genoeg kent de man Jezus’ naam en noemt Hem ‘heilige van de Eeuwige’ en ‘Nazoreeër’. Geeft hij daarmee al een antwoord op de vraag die overheerst in het begin van Marcus: ‘Wie is toch deze’? Als aanzet voor Marcus’ uiteindelijke antwoord op die vraag, als hij Jezus, overschaduwd door de ‘glans van de Eeuwige’, de kabod ’Adonai, toont op de berg in gezelschap van Elia en Mozes (Marcus 9,2-13) als de beloofde profeet, groter dan zij?
Marcus gebruikt vaak het woordje euthus in zijn evangelie: 41 maal, waarvan driemaal in deze kleine perikoop (Marcus 1,21.23.28). Meestal wordt het vertaald met ‘meteen’, waardoor het lijkt of de gebeurtenissen elkaar snel opvolgen. Maar het herinnert vooral aan het ‘recht maken’ (Gr.: eutheias poieite) van de weg van de Eeuwige uit het citaat van Jesaja (Marcus 1,3). Het woord functioneert als piketpaaltje waar die weg wordt uitgezet: steeds wanneer Jezus zijn profetische, verlossing brengende opdracht vervult als een nieuwe Mozes, Jozua, Elia.

Was Jezus een exorcist?

Marcusdeskundige Karel Hanhar12

Bij Deuteronomium 18:15-20, Psalmen 111 en Marcus 1:21-28

is zeer duidelijk: ‘Jezus was geen wonderdokter of exorcist. Marcus gebruikte bekende begrippen, ter wille van niet ingewijde toehoorders, die hen op weg hielpen Jezus’ werkelijke identiteit zelf te ontdekken. Maar voor toehoorders die de Schriften kenden hanteerde Marcus de midrasj-methode: door woordgebruik linken leggen naar teksten uit het Eerste Testament, waardoor personen en gebeurtenissen veelzeggend betekenis krijgen.’ Die methode lijkt voor ons vergezocht, maar was heel gebruikelijk in joodse kringen. In Jezus’ tijd werden rondtrekkende geestenbezweerders ‘mannen van de Eeuwige’ genoemd. Maar Marcus wijst ook naar een verband tussen Elia en Jezus, wanneer hij de bezeten man woorden in de mond legt van de weduwe van Sarefat, die Elia in huis opneemt en hem aanspreekt met ‘man van God’ (1 Koningen 17,18). Zoals hij ook wijst naar Mozes en de uittocht, wanneer de aanwezigen in de synagoge, net als de Hebreeën toen zij voor het eerst manna vonden in de woestijn, vragen: ‘Wat is dit?’ (Hebr.: mah-na’ – Marcus 1,27). Hier zijn Jezus’ woorden het voedsel op weg naar bevrijding. Woorden op gezag van de Eeuwige.

Bevrijdende woorden

Wat zou Jezus in de synagoge van Kafarnaüm hebben onderricht, dat er zo op werd gereageerd? Zo zelfs, dat een persoon van zijn fixaties verlost werd? Waarin verschilde het van het onderricht van de farizeeën? Klonken er goddelijke kwaliteiten in door, zoals bezongen in de psalm van vandaag: gerechtigheid, genade en liefde, Gods trouw aan Zijn verbond, dat garant staat voor waarheid en recht? De psalm begint met de krachtigste lofprijzing die er is: ‘hallelujah’, waarmee het psalmenboek ook besluit (Psalmen 150,6), en het hele alfabet doet mee met die bevrijdende lofzang in de beginletters van elk vers. Tegen onderricht in deze Geest is geen verwrongen geest bestand.

< Terug