< Terug

De Geest van God die bevrijdt

Bij Jesaja 61,1-9, Psalm 145,13-21 en Lucas 4,14-21

Alle drie teksten beschrijven situaties waarin mensen niet verder kunnen, waarin zij het gevoel hebben niet tot hun recht te komen, geen waardig leven te leiden, door allerlei gehinderd worden of geblokkeerd zijn – en als het heel erg wordt zich als ‘levende doden’ voelen. En in alle drie de teksten gaat het om de bevrijding tot een levendig, volwaardig leven daaruit, door God, door een afgezant of andere mensen. En: een bevrijd leven brengt de opdracht met zich mee om de vrijheid te bewaren.

Om waarachtig beeld van God te worden

Psalm 145 beschrijft verschillende aspecten van Gods bevrijdend handelen: Hij steunt die gevallen zijn, Hij richt gebogenen weer op, Hij geeft eten op zijn tijd, Hij opent zijn hand en verzadigt (145,14-16). Hij doet recht aan verdrukten, maakt gevangenen los, maakt blinden ziende, vervolgt Psalm 146 (7-8). Dit zijn allemaal handelingen waarmee mensen uit benarde situaties bevrijd worden, waarin hun mogelijkheden afgesneden zijn, hun energie, hun liefde, hun creativiteit niet ten volle gebruikt kan worden, maar geconcentreerd is op iets anders of geblokkeerd is. En heel basaal: eten betekent leven en energie. Geen eten of te weinig hebben betekent dat alle energie gaat zitten in de poging om te overleven. David ben Josef Aboedraham (Spaans-joodse geleerde, 14e eeuw) noemt gevangenen daarom ‘levende doden’. In de tijd van de psalmen betekent gevangen zijn ook slaaf of krijgsgevangene zijn. Maar slaven kunnen vrijgekocht worden of moeten in het jubeljaar vrijgelaten worden, en krijgsgevangenen kunnen geruild worden. Het is dus niet de bedoeling dat iemand eeuwig gevangen blijft. Fysieke en psychische blokkades en handicaps kunnen mensen verhinderen om beeld van God te zijn. De psalm suggereert dat God door mensen te bevrijden hun de mogelijkheid geeft om een volwaardig leven te leiden, dat wil zeggen: waarachtig beeld van God te worden. Want beeld van God zijn is geen toestand, maar een proces en een opdracht. Waar het voor mensen niet mogelijk is om de opdracht na te komen, steunt God en bevrijdt, vanuit zijn diepe verbondenheid met zijn schepselen (Ps. 145,8.17).

Om knopen los te maken

De psalmist vertelt over de directe, persoonlijke ervaring van bevrijd worden door God. Jesaja maakt duidelijk dat het bevrijd zijn door God de mogelijkheid opent om zelf iets op te bouwen, om puinhopen van vroeger op te ruimen (Jes. 61,4). De mens heeft dus de taak om mee te werken aan de opbouw van een bevrijde wereld. Franz Rosenzweig ontwikkelde daarvoor ooit het beeld van knopen die losgemaakt moeten worden. Overal waar mensen knopen losmaken, gebeurt een stukje verlossing, wat langzaam maar zeker naar de uiteindelijke verlossing zal leiden.

Profeten hebben de taak om de ‘vrijheid tot bevrijding’ op weg te helpen, om soms heel radicaal de vinger op de zere plek te leggen, blokkades aan te wijzen. Zonder de blokkades kan Israël ‘priesters van de Eeuwige en dienaren van onze God’, medewerkers van God zijn (61,6). Er worden andere volkeren bij betrokken. Zij beginnen met herder zijn, zoals grote koningen en profeten zich eerst in het zorgen voor dieren bekwaamden (61,5) voordat ze verantwoordelijkheid kregen voor mensen. De mensen uit andere volkeren verheugen zich in hun aandeel en worden er door God goed voor beloond (61,7-9).

Bij Jesaja leren we dat het ‘losmaken van knopen’ ook kan geschieden door een ‘knecht’, bijvoorbeeld de Perzische koning Cyrus. Want de ervaring leerde dat de Verlossing met

Tot bevrijding voor anderen

Voorafgaand aan zijn eerste openbare optreden wordt Jezus beproefd in de woestijn. Traditioneel wordt zij als niemandsland gezien waar je, teruggeworpen op jezelf, tot een heroriëntatie kunt komen. God heeft bij Jezus’ doop al laten weten dat Hij Jezus voor een bijzondere relatie uitgekozen heeft. Maar is Jezus bereid om de taak die God voor Hem heeft weggelegd te aanvaarden? Het antwoord wordt in onze Lucastekst gegeven. In de woestijn zette Jezus, geholpen door de verzoeker, de voors en tegens op een rij. Hij nam in deze afzondering een definitieve beslissing, zoals Mozes bij de brandende braamstruik, en zoals alle profeten. De eerste indicatie is: Hij komt gesterkt terug uit de woestijn. We horen dat Hij onderricht geeft in de synagoge. Gods woord uit te leggen ziet Hij als zijn eerste taak. Hij wordt door iedereen erom geprezen, ‘door allen geëerd’ (Luc. 4,15). Zo komt Hij ook ‘thuis’, in Nazaret. Waarover Hij in andere synagogen leert, weten we niet, maar in de synagoge van Nazaret gebeurt iets interessants. Gevraagd om uit de boekrol van Jesaja voor te lezen, kiest Jezus een tekst, waarmee Hij tegenover zijn stadgenoten, van wie Hij denkt dat ze dicht bij Hem staan, een soort belijdenis uitspreekt: Hij is bereid om het juk op zich te nemen, ervoor te zorgen dat de ‘vrijheid tot bevrijding’ tot een wereld leidt die vrij is van afhankelijkheden en verslaafdheden. Als model voor een leven in vrijheid dient in de joodse traditie de bevrijding uit Egypte. Met de verlossing uit Egypte geeft God niet alleen de mogelijkheid tot een vrij leven, Hij vraagt ook de vrijheid te bewaren en de mogelijkheden die iedereen heeft tot bloei te brengen. Het volk Israël ging bij de Sinaï deze verplichting aan en kreeg de Tora als handleiding.

Jezus citeert niet de psalm, waarin iedereen aangesproken wordt, maar gebruikt Jesaja, waar de opdracht ook aan een ‘enkeling’ gericht is. Hij zegt ermee: Ik ben bereid om de taak van iemand zoals de ‘knecht’ te aanvaarden, Ik heb de opdracht, ben ‘gezalfd’, en verplicht Mij om andere mensen te bevrijden, waardoor zij weer aan de vrijheid van de hele wereld kunnen werken.

Dat is de taak die God voor Hem bestemd heeft en waar Hij, hier in Lucas, in de openbaarheid van de synagoge ‘ja’ op zegt. Zijn stadgenoten zijn erg onder de indruk, maar verweren zich straks als Jezus de vrijheid van anderen belangrijker lijkt te vinden dan hun vrijheid.

< Terug