< Terug

De gelovige Tomas

Tomas in het Johannesevangelie

Tomas wordt in alle vier de evangeliën genoemd, maar bij de synoptici is het ook niet meer dan dat. Bij hen vinden we zijn naam alleen bij de opsomming van ook de andere leerlingen van Jezus (Matteüs 10,3, Marcus 3,18 en Lucas 6,15). In het Evangelie volgens Johannes echter komen we hem zeven keer tegen, waarvan drie keer met naam en toenaam. Bovendien is hij vanaf hoofdstuk 20,24 de centrale persoon bij Jezus’ verschijningen na Pasen. Over zijn naam en zijn rol in het evangelie zal het in dit artikel gaan. Over vele, vele jaren heen is er over zijn naam en rol al heel veel gezegd, maar nog lang niet het laatste woord. Als dat trouwens al mogelijk is.

De naam

Johannes vermeldt drie keer de betekenis van Tomas’ naam in het Grieks. Eerst in hoofdstuk 11,16: Tomas (dat betekent ‘tweeling’) schrijft hij. Dat herhaalt hij in 20,24 en dan tot slot nog eens heel kort daarna in 21,2. Steeds met dezelfde woorden. In oudere vertalingen kun je in plaats van het woord ‘tweeling’ ook Didymus lezen. Didymus is het Griekse woord voor tweeling en dat is in het evangelie dan toegevoegd aan Toma(s) dat in het Aramees hetzelfde betekent. De naam Tomas is op zichzelf dus al een bijnaam. Hoe zit dat? En waarom dan ook nog eens drie keer die toenaam erbij in het Grieks? Was één keer niet genoeg geweest? En als zijn naam zelf al tweeling betekent, dan roept dat natuurlijk direct de vraag op wie zijn tweelingbroer of -zus dan wel is of kan zijn geweest. Omdat we dat niet weten, is er driftig over gespeculeerd, zonder dat dat ons veel wijzer heeft gemaakt. Johannes noemt hem wel drie keer tweeling, maar geeft verder nergens in zijn evangelie een indicatie waar we iets aan hebben om dat nader in te kunnen vullen.

Daar begon het gissen, waaraan nog geen einde is gekomen.

In buitenbijbelse Tomasteksten, het ‘Tomasevangelie’, ‘De Handelingen van Tomas’ en in ‘Het boek van Tomas de Strijder’ wordt er wel een nadere invulling gegeven. In deze geschriften wordt hij steeds Didymus Judas Tomas genoemd en die persoon wordt ons dan gepresenteerd als de tweelingbroer van Jezus zelf. Dat gegeven laat ik hier verder liggen, omdat het valt buiten het perspectief van het Johannesevangelie en omdat Matthijs den Dulk er in het eerste artikel van dit nummer al nader op is ingegaan.

Als we nu aannemen dat Johannes de apostel Tomas niet toevallig met naam en toenaam noemt, dan doet de vraag naar de, of een, mogelijke reden daarvan zich voor. Daar begon het gissen, waaraan nog geen einde is gekomen. Het blijft dus gissen. Vroeger kwam het in Nederland wel voor dat een kind uit een gezin zijn of haar leven lang gewoon ‘broer’ of ‘zus’ werd genoemd. Is datzelfde mogelijk bij ‘tweeling’? Misschien, maar het probleem is dan wel dat je ze allebei tweeling zou moeten noemen, tenzij een van de twee al bij de geboorte is gestorven. Het kan ook zijn dat de bijnaam gegeven is door bekenden die bij de persoon in kwestie een sterke gelijkenis met een ander hebben gezien. Wie op internet zoekt zal nog veel meer mogelijkheden vinden, tot meer dan fantasierijk toe.

We vinden bij Tomas, in tegenstelling tot de anderen, geen spoor van twijfel.

Wetenschappelijk is er geen chocola van de maken, omdat de wetenschap nou eenmaal op goede gronden een verklaring moet kunnen geven. Dat is tot op heden echter niet gelukt en het lijkt er alleszins op dat dat dan dus ook onmogelijk is. Voorbij een goede verklaring kan nog wel gezocht worden naar betekenis, al moet die op haar beurt op zijn minst ook redelijk zijn – dat wil zeggen: zeker niet strijdig met de rest van het evangelie en bij voorkeur daardoor wel ondersteund. Dat een zoektocht naar een betekenis verder reikt en verder mag gaan dan het geven van een verklaring volgt uit het feit dat wij zoveel eeuwen na Johannes al lang niet meer zijn beoogde lezers zijn. Toch lezen wij zijn evangelie nog steeds tot leven, zij het dat van ons hier en nu. Voor wat het waard is, draag ik (aarzelend) nog een mogelijke betekenis van zijn toenaam Didymus aan, maar pas nadat we eerst hebben stilgestaan bij Tomas’ rol in het evangelie.

'De marteldood van Tomas', Peter Paul Rubens (1636-1638). (beeld National Gallery, Praag)
‘De marteldood van Tomas’, Peter Paul Rubens (1636-1638). (beeld National Gallery, Praag)

Tomas: wat hij zegt en doet

Tomas is de geschiedenis ingegaan als ‘de ongelovige Tomas’. Hij werd zelfs spreekwoordelijk. Je kunt van zomaar iemand anders zeggen: hij is een ongelovige Tomas. De nadruk op zijn ongeloof is gelegd op grond van het Johannesevangelie waar we lezen: Is die typering van hem als ongelovige terecht? Dat denk ik niet!

Jezus zei tegen hem: ‘Omdat je me gezien hebt, geloof je. Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven.

(Johannes 20,28)

We zijn er te gemakkelijk vanuit gegaan, dat al deze woorden van Jezus gericht waren aan Tomas en bedoeld als een correctie op zijn vermeende ongeloof. Maar hier hebben we iets belangrijks over het hoofd gezien. Het tweede deel van dit vers: ‘Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven’, is niet gericht tot Tomas (die net een belijdenis van de allerhoogste plank had afgegeven), maar tot de lezer.

Dat lijkt misschien vreemd, maar dat is het niet. Natuurlijk is het zo dat Johannes met zijn evangelie een verhaal vertelt waarin hij ons als lezer meeneemt. Maar dat is niet alles. Hij vertelt niet zomaar een verhaal, maar een verhaal waarmee hij van de lezer iets wil. En daarom komt, verweven in en met dat verhaal, het meer dan eens voor dat niet de verhaalpersonages, maar de lezers direct en persoonlijk worden aangesproken. Johannes begint en eindigt ermee. Nog voordat zijn verhaal goed en wel begonnen is, valt hij voor de lezer meteen al met zijn clou in huis:

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God.

(Johannes 1,1)

En hij eindigt ermee:

Jezus heeft nog veel meer gedaan: als al zijn daden, een voor een, opgeschreven zouden worden, zou de wereld, denk ik, te klein zijn voor de boeken die dan geschreven moesten worden.

(Johannes 21,25)

Dat zijn woorden aan de lezers gericht. In dit licht kan de uitspraak ‘Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven’ ook gelezen worden als direct gericht tot de lezer. En als dat zo is (hetgeen ik aanneem), kan het verhaal uit Johannes 20 (de verschijning van Jezus aan zijn leerlingen en aan Tomas) dan ook anders gelezen worden? Zeker wel, al moeten dan al wel beginnen bij Johannes 11. Daar begint het verhaal van de opwekking van Lazarus.

Voordat de opwekking van Lazarus in de tekst echt plaatsvindt, zegt Jezus tegen zijn leerlingen:

‘Laten we teruggaan naar Judea’. ‘Maar rabbi’, protesteerden de leerlingen, ‘de Joden wilden u stenigen, en nu wilt u daar toch weer naartoe?’

(verzen 7 en 8)

Met andere woorden: je loopt toch zeker niet je eigen dood tegemoet?! Na die woorden wordt Lazarus opgewekt en lezen we de reactie van Tomas, met wie wij hier in het evangelie voor het eerst kennismaken. Hij zegt als enige tegen zijn medeleerlingen: ‘Laten ook wij maar gaan, om met hem te sterven’ (vers 16).

Voordat we nu nader stil staan bij die bijzondere uitspraak is het goed te melden dat het niet toevallig is dat Jezus zijn aankondiging naar Judea te gaan doet in het relaas van de opwekking van Lazarus. De opwekking van Lazarus moet, voor de leerlingen, nu reeds licht werpen op de dood die Jezus zelf niet zal ontlopen. Die dood zal, net als hier bij Lazarus, het laatste woord niet hebben. Dat zou de leerlingen over de streep moeten trekken om dan toch maar mee te gaan naar Judea, ook al betekent dat (en dat snappen ze wel) zoals gezegd een tocht naar de dood. Toch is het hier alleen Tomas die zich onomwonden uitspreekt Jezus te willen volgen en die daartoe ook zijn medeleerlingen oproept. Nogmaals: ‘Laten ook wij maar gaan, om met hem te sterven’.

Hier vinden we bij Tomas, in tegenstelling tot de anderen, geen spoor van twijfel (meer). Dit past totaal niet bij het beeld van ‘de ongelovige’ waarmee hij de geschiedenis is ingegaan. Hoe is dat te rijmen met zijn rol bij Jezus’ verschijningen?

Tomas de gelovige

De opgestane/opgewekte Jezus verschijnt aan zijn angstige leerlingen, toont hun zijn handen en zijn zijde en wenst vrede toe, bekleedt hen met de heilige Geest en zendt hen uit om te vergeven (Johannes 20, vanaf vers 19). Maar… Tomas was daar niet bij (vers 24). Hij hoort wel van Jezus’ verschijning, maar zegt:

Alleen als ik de wonden van de spijkers in zijn handen zie en met mijn vingers kan voelen, en als ik mijn hand in zijn zij kan leggen, zal ik het geloven.

(vers 25)

Een week later verschijnt Jezus opnieuw, wenst zijn leerlingen opnieuw vrede toe, en dan is Tomas er wel bij. Opvallend genoeg is het hier Jezus zelf die Tomas meteen en zonder enig verwijt (!) uitnodigt: Of Tomas de wonden ook daadwerkelijk heeft betast, dat lezen we niet, maar hij heeft ze wel gezien, getuige zijn antwoord: ‘Mijn Heer, mijn God!’ (vers 28) Tomas antwoordt met een belijdenis van de allerhoogste plank, dat wil zeggen: door geen ander zo gegeven. Niet eerder in dit evangelie en ook niet meer daarna!

Leg je vingers hier en kijk naar mijn handen, en leg je hand in mijn zij. Wees niet langer ongelovig, maar geloof.

(vers 27)

De vraag die hier nog opkomt is waarom Tomas zo nadrukkelijk naar Jezus’ wonden vraagt. Waarom zijn die wonden voor hem een voorwaarde om te geloven? Daarvoor is een zeer goede reden. Als Paulus spreekt over Jezus Christus (lees ‘Christus’ als hoogheidstitel), dan voegt hij daar direct aan toe: ‘de gekruisigde’ (1 Korintiërs 2,2). Tomas beseft blijkbaar (met Paulus) dat de opgestane Heer slechts dezelfde kan zijn als hij ook de gekruisigde is. Hij moet, met andere woorden, ook de lijdende knecht zijn geweest zoals we die tegenkomen in bijvoorbeeld de vier Jesajaliederen. Nu vinden we bij Johannes geen directe verwijzing naar die lijdende-knecht-liederen bij Jesaja, maar wel naar corresponderende Psalmteksten. Psalm 22 (helemaal, maar vooral de verzen 17-19) en Psalm 69,5 bijvoorbeeld: ‘Zij hebben mij zonder reden gehaat’. Naar dergelijke teksten verwijst Johannes als hij schrijft dat de Schrift in vervulling moest gaan (zie Johannes 15,25). Van dat ‘moeten’ was Tomas zich bewust en in dat licht was en is het niet terecht om hem als ongelovige de geschiedenis in te sturen.

Waarom zijn die wonden voor hem een voorwaarde om te geloven?

Is hiermee alles gezegd? Nee, slechts dat je Tomas op grond van het verschijningsverhaal niet zomaar weg kunt zetten als ongelovige. Hij wordt ook nog (zij het hier zonder toenaam) genoemd in Johannes 14. Daar zegt Jezus: ‘Jullie kennen de weg waar ik heen ga’ (14,4). En daarop zegt Tomas: Hier toont de Tomas die eerder geen twijfel had, dat hij Jezus niet (helemaal) kan volgen.

Wij weten niet eens waar u naartoe gaat, Heer, hoe zouden we dan de weg daarheen kunnen weten?

(14,5)

Helemaal tot slot treffen we na de eerste verschijningen van Jezus Tomas nog eens aan, nu wel met de andere leerlingen samen aan het meer van Tiberias (21,1-2). Ze lijken hun oude leven weer op te willen pakken. En ja, Tomas (hier weer met toenaam genoemd) dus ook. Dat Jezus hier nog eens verschijnt is klaarblijkelijk bedoeld om zijn leerlingen duidelijk te maken dat het niet aangaat je oude leven maar weer op te pakken. En dat geldt dan dus ook voor Tomas. Zonder Jezus’ leerlingen (zonder ons) komt zijn verhaal niet zomaar verder.

Tomas (hij die dubbel is)

Na al het voorgaande kan er teruggekomen worden op de naam Didymus (tweeling) al begeef ik mij daarmee wel op glad ijs. Een van mijn woordenboeken (het Lexicon van Mudde) zegt dat ‘Didymus’ waarschijnlijk ‘tweeling’ betekent. Andere woordenboeken (niet de minste, zoals het LSJ (The Lidell-Scott-Jones Greek-English Lexicon) geeft bij het woord ‘Didymus’ als eerste betekenis het woord ‘dubbel’. Op grond daarvan is het dus ook mogelijk om de toenaam ‘tweeling’ te vertalen als ‘hij die dubbel is’. Die vertaling biedt, als het om betekenis gaat, inhoudelijk mogelijkheden die het woord ‘tweeling’ niet heeft. ‘Hij die dubbel is’ kan gelezen worden als metafoor en van metaforen maakt Johannes in zijn evangelie ruim gebruik. Voordat we nu deze metafoor bezien, gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat het woord ‘dubbel’ nergens in het Nieuwe Testament zo wordt gebruikt. Maar, dat geldt ook voor het woord ‘tweeling’. Johannes is in diverse opzichten uitzonderlijk. Als het mogelijk is om Didymus te vertalen als ‘hij die dubbel is’ – en dat is het dus – dan rest alleen nog de vraag of die vertaling/invulling dan ook (nog) past bij de tijd waarin Johannes schreef. Dat heb ik helaas niet na kunnen gaan, omdat ik bij het schrijven van dit artikel door Coronamaatregelen de universiteitsbibliotheek niet in mocht. Vooralsnog echter biedt de vertaling ‘hij die dubbel is’ zoals gezegd wel mogelijkheden voor de lezer die zoekt naar een betekenis.

We hebben gezien, enerzijds, dat Tomas bepaald geen twijfelaar was. Anderzijds kan hij de weg die Jezus is en gaat nog niet helemaal begrijpen. Als iemand niet twijfelt, maar tegelijkertijd ook zegt: ik zie nog niet waar dit allemaal naar toe moet, dan komt dat ons voor als ‘dubbel’. Die dubbelheid is, naar ik aanneem, voor lezers herkenbaar. Niet slechts hier bij Johannes, maar ook bij een man die voorkomt in het Evangelie volgens Marcus. Hij heeft een ernstig ziek kind en zoekt hulp bij Jezus die hem zegt: alles is mogelijk voor wie gelooft. Daarop zegt de vader van het kind: ‘Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp’ (Marcus 9,24). Kan er iets meer dubbel zijn? Slechts als metafoor gelezen is het vanuit Johannes gezien niet vreemd dat hij Tomas tot drie keer toe ‘hij die dubbel is’ noemt. En de lezer? Die kan dat begrijpen!

Is hiermee het laatste woord over Tomas in het Evangelie volgens Johannes gesproken? Dat denk ik niet. Hoe hij voorkomt in dit evangelie hebben we nu wel gezien, maar hoe we aan zijn persoon betekenis kunnen ontlenen of hoe we betekenis aan hem toe kunnen dichten, dat blijft nog altijd open. Ik wacht oprecht en met spanning op andere benaderingen die ons verder zouden kunnen helpen dan daar waar we hier en nu zijn.

Gerard van Broekhuizen is theoloog en kunstenaar.


< Terug