< Terug

‘De gezegende onder de vrouwen’

Wie in de NBV Studiebijbel leest hoe volgens Lucas 1,42 Elisabet haar zwangere nichtje Maria jubelend begroet met de woorden ‘De meest gezegende ben je van alle vrouwen’, ziet in de kantlijn een verwijzing naar Rechters 5,24 en Judit 13,18. Dat is een belangrijke aanwijzing voor de hedendaagse lezer. Lucas ging er bij het schrijven van zijn evangelie ongetwijfeld vanuit dat zijn lezers uit zichzelf wel het verband met de genoemde teksten uit de bekende verhalen over Jaël en Judit zouden leggen. Tegenwoordig is dat echter bij de afnemende bijbelkennis allerminst vanzelfsprekend. Daarom is het jammer dat in veel moderne bijbeluitgaven tekstverwijzingen ontbreken.

Klaas Spronk is hoogleraar Oude Testament aan de Protestantse Theologische Universiteit in Amsterdam.

Jammer dat in veel moderne bijbeluitgaven tekstverwijzingen ontbreken

Bij de genoemde tekst levert het ons in ieder geval bijzonder interessant vergelijkingsmateriaal op en geeft het daardoor een scherper beeld van Judit en van Maria. Het kan ook nog eens helpen bij de keuze tussen de twee manieren waarop deze zegen wordt geciteerd in het Weesgegroet: ‘Gij zijt de gezegende onder de vrouwen’ (Nederlandse versie), of: ‘Gezegend zijt Gij boven alle vrouwen’ (Vlaamse versie).

Jaël

‘Gezegend boven de vrouwen (is) Jaël, de vrouw van de Keniet Cheber, boven de vrouwen in de tent gezegend’, zo lezen we in Rechters 5,24. Dubbel gezegend is ze, net zoals er in het lied van Debora twee keer wordt opgeroepen JHWH te zegenen (5,2.9). Het woord ‘gezegend’ staat heel opvallend aan het begin en het einde van vers 24. Het levert een schril contrast op met de dubbele vervloeking in het voorafgaande vers over Meroz dat niet meedeed met JHWH in de strijd tegen de Kanaänieten. Deze lof voor Jaël is des te meer uitzonderlijk omdat het hier in dubbele zin een buitenstaander betreft. Dat maakt de middelste regel duidelijk: ze is een vrouw en een buitenlander. Het is deze keer niet een Israëlitische held zoals eerder Otniël of Ehud die Israël bevrijdt van de vreemde overheersing. Het was ook al aangekondigd door een andere vrouw, profetes en rechter Debora, dat God deze keer gebruik zou maken van een vrouw. De aanvankelijk als bevrijder beoogde man stelde namelijk teleur. Deze Barak met zijn mooie naam, die ‘bliksemflits’ betekent, was namelijk niet vooruit te branden. Slechts aan de hand van Debora durfde hij de strijd tegen de Kanaänieten onder aanvoering van Sisera aan te gaan. Daarop had Debora verklaard dat de eer van de overwinning deze keer naar een ander zou gaan: ‘in de hand van een vrouw zal JHWH Sisera uitleveren’ (4,9).

De mannen vallen tegen en dat is op verschillende manieren aan de vrouwen te zien

Deze vrouw blijkt van twijfelachtige afkomst te zijn. We moeten aannemen dat ze net als haar man Cheber bij de Kenieten hoort. Dat is een bevolkingsgroep waarvan je niet goed weet wat je ervan moet denken. Het zijn stamgenoten van de schoonvader van Mozes (zo worden ze in 1,16 geïntroduceerd), maar ze worden ook genoemd in rijtjes van Kanaänietische volken. Van Cheber wordt juist ook vermeld dat hij zich afgescheiden had van zijn aan Mozes gelieerde stamgenoten (4,11) en een bondgenootschap was aangegaan met de Kanaänieten die Israël nu bedreigden (4,17). Uit die hoek hoefde Israël dus weinig hulp te verwachten. Sisera deed dat wel. Hij rekende op gastvrijheid, maar kwam bedrogen uit. Jaël nodigt de vluchteling in haar tent, geeft hem melk en dekt hem moederlijk toe. Vervolgens doodt zij hem echter door een tentpin door zijn slaap te hameren. Uitgebreid wordt het bezongen (5,26-27). In feite is dit natuurlijk een grof schandaal: zo ga je niet om met een gast die zich aan jouw zorg toevertrouwt. Misschien dat de verteller daarom God op dit moment even buiten beeld houdt: er is geen sprake van een directe opdracht aan Jaël. Ze lijkt geheel op eigen initiatief te handelen.

Het gaat hier vooral over mannen en vrouwen. De mannen vallen tegen en dat is op verschillende manieren aan de vrouwen te zien. Debora ontmaskert Barak als een lafaard en Jaël vernedert Sisera door hem te misleiden en vervolgens te doden. Dat laatste gebeurt niet met een fatsoenlijk wapen maar met huis/tent-tuin-en-keukengereedschap. Dat is iets wat vaker terug zal komen in dit boek. De moordlustige koning Abimelech vindt zijn einde doordat een vrouw een maalsteen op zijn hoofd gooit (9,53). Simson speelt met zijn leven door eerst Delila zijn haar met een pin vast te laten zetten (16,13). Dat is hetzelfde ‘wapen’ dat Jaël hanteerde. Eerst gaat het nog goed, maar zodra de schaar erin gezet wordt, is het ook met Simson afgelopen. Ook hij is dus afgetroefd door een vrouw met een huishoudelijk wapen. Net als Sisera en Abimelech kost hem dat min of meer letterlijk de kop.

De rol van de vrouwen wordt in het verhaal van Debora, Barak, Jaël en Sisera nog eens extra aangezet doordat aan het slot van het lied van Debora ook de moeder van Sisera en haar hofdames in beeld komen. De lezer wordt deelgenoot van het leedvermaak over de moeder die tevergeefs op haar zoon wacht. De neiging tot medelijden met haar wordt onderdrukt doordat deze vrouwen onbarmhartig praten over het lot dat andere vrouwen wacht wanneer ze door hun zonen en mannen tot buit zijn gemaakt. In hun spraakgebruik zijn ze terug gebracht tot niet meer dan te verdelen geslachtsdelen. Het is haast te gênant om letterlijk te vertalen, maar voor de oorspronkelijke lezer moet het ongeveer zo geklonken hebben: ‘een kutje, twee kutjes per hoofd, per kerel’ (5,30).

Door Debora en Jaël, twee vrouwen die in woord en daad laten zien dat ze meer voorstellen dan Sisera’s moeder en haar dames veronderstellen, is het heel wat anders gelopen. Het contrast wordt nog versterkt doordat Debora eveneens ‘moeder’ wordt genoemd, als een eretitel voor haar die opkomt voor haar volk (5,7). En had Jaël zich niet ook aan Sisera als een moeder voorgedaan? Zo is er naast de tegenstelling tussen mannen en vrouwen ook de tegenstelling tussen vrouwen onderling. Daarom wordt Jaël door Debora geprezen als ‘gezegend boven de vrouwen’.

Opnieuw moet het hoofd van de man het ontgelden

Judit

Wie het verhaal over Jaël en Sisera nog in het achterhoofd heeft, kan de vele parallellen met de geschiedenis van Judit niet ontgaan. Ook hier is sprake van een grote bedreiging van Israël door een machtig volk en van een koning die zijn generaal eropuit stuurt. Net als in Rechters 4 schreeuwt het volk in wanhoop tot God. Er is geen man die hen redden kan en men overweegt zich dan maar over te geven. Een vrouw moet het initiatief nemen. Judit biedt zich aan in het vertrouwen dat God ‘door de hand van een vrouw’ de vijand zal verslaan en vernederen. Drie keer wordt die uitdrukking ‘door de hand van een vrouw’ gebruikt (9,10; 13,15; 16,5). Het herinnert aan de voorspelling van Debora in Rechters 4,9. Net als Jaël weet Judit haar opponent, Holofernes, te misleiden. Het wordt wel veel uitgebreider verteld. In bepaalde opzichten doet het denken aan de manier waarop volgens Rechters 3 Ehud de Moabitische koning Eglon misleidde. Ze suggereert dat ze hem namens God iets belangrijks heeft te zeggen (11,5) en ze slaagt er later in om alleen met hem te zijn (13,3). Net als Sisera is Holofernes in diepe slaap als Judit toeslaat. Opnieuw moet het hoofd van de man het ontgelden.

Wanneer bekend wordt dat Judit Holofernes heeft gedood, worden net als in Rechters 5 zowel God als de heldin van het verhaal bezongen. Eerst wordt God geëerd: ‘Gezegend zij onze God, die op deze dag de vijanden van zijn volk heeft vernederd’ (13,17). Vervolgens zegt stadsbestuurder Ozias tegen Judit: ‘Gezegend bent u door de allerhoogste God, gezegend boven alle vrouwen op aarde’ (13,18). Daarna wordt Judit ook nog eens ‘gezegend’ genoemd door de bekeerde Assyriër Achior (14,7), de hogepriester Joakim en de oudsten van Jeruzalem (15,9-10) en door de vrouwen van Israël (15,12). Net als in het boek Rechters wordt de hele geschiedenis afgesloten met een loflied waarin alles nog eens de revue passeert vanuit het perspectief van het geloof in God die alles regeert en die zijn vijanden en daarmee ook die van Israël straft.

Bij alle overeenkomsten zijn er ook enkele opmerkelijke verschillen. Om te beginnen is Judit alles behalve een buitenstaander. Ze is op en top joods. Alleen al haar naam geeft dat duidelijk aan: Judit betekent ‘joodse’. Ook het uitgebreide geslachtsregister in 8,1 onderstreept dat: het gaat terug tot de naamgever van het volk zelf. En waar bij Jaël geen sprake was van een directe interactie met God, is Judit voortdurend in gebed en betoont zich ook anderszins als een vrome vrouw: ‘Niemand had iets op haar aan te merken, want ze leefde in groot ontzag voor God’ (8,9). Ze was keurig getrouwd: met een man uit diezelfde eerbiedwaardige stam en familie. Haar echtgenoot was echter gestorven. Juist omdat ze weduwe was, kan het Judit ook niet worden aangerekend dat ze eropuit was een andere man het hoofd op hol te brengen.

Over het uiterlijk van Jaël was ons niets meegedeeld. Judit daarentegen wordt herhaaldelijk getekend als een opvallend mooie vrouw. In het verhaal van de ontmoeting tussen Jaël en Sisera zijn er hooguit indirecte toespelingen op seksuele spanning. Het feit dat een soldaat een vrouwentent binnengaat, voorspelt doorgaans weinig goeds. De manier waarop Jaël hem doodt, wordt door sommigen gezien als de omkering van de verkrachting die je zou verwachten van een vrouw door een man. Dat blijft echter speculeren en dat zegt soms meer over de lezer dan over de tekst. In het verhaal van Judit is het allemaal heel duidelijk. De lezer hoeft niet te raden naar de gedachten van Holofernes. Men kan zich hooguit verbazen over het feit dat hij zich zo dronken laat voeren dat hij niet meer in staat is tot de gewenste daad. Dat brengt ons dan weer bij een ander verschil: Jaël gaf Sisera melk te drinken, Judit zette via haar slavin aan Holofernes wijn voor. Uiteindelijk vallen ze allebei in slaap, Sisera door de vermoeienis van de strijd, Holofernes door de drank.

Als het gaat om de relatie met andere vrouwen, dan kunnen we bij de vergelijking met het verhaal van Jaël constateren dat bij Judit ook sprake is van een vrouw naast haar. Bij Jaël was dat Debora, bij Judit is dat haar slavin. Dan valt ook direct op dat Judit voortdurend het initiatief neemt en de dienst uitmaakt. Dat gebeurt ook aan het slot, wanneer Judit het loflied aanheft en allen instemmen. Daaraan voorafgaand was zij alle vrouwen al voorgegaan in de reidans. Het doet denken aan de manier waarop Mirjam met zang en dans de vrouwen van Israël voorging om de bevrijding van de Egyptenaren te vieren (Exodus 15,20-21). Van een tegenstelling met andere vrouwen, zoals aan het slot van Rechters 5, is geen sprake.

Jaël als Judit

In het zogeheten Liber Antiquitatum Biblicarum, een joodse hervertelling uit de eerste eeuw van onze jaartelling van de Bijbelse geschiedenis tot en met Saul, vinden we een opmerkelijke vermenging van het verhaal uit Rechters en het boek Judit. In hoofdstuk 31 wordt Jaël gepresenteerd als een vrouw met een zeer schoon uiterlijk en met een rijk gebedsleven. Over haar afkomst wordt niet gerept; ze wordt slechts de vrouw van ene Cineus genoemd. Sisera laat zich leiden door het verlangen Jaël tot vrouw te krijgen. Jaël geeft hem wijn vermengd met melk (een opmerkelijk compromis tussen Rechters 4,19 en Judit 12,20) te drinken. Dan valt hij zo vast in slaap dat hij het niet merkt dat zij hem van het bed af duwt. Ze pakt de pin, zet hem op zijn slaap en slaat erop met een hamer. Sisera krijgt in deze versie nog een laatste tekst: ‘Zie, de pijn heeft mij bevangen, Jaël, en ik sterf als een vrouw’. Als Barak onverrichter zake terugkeert van de achtervolging, begroet Jaël hem met de woorden: ‘Kom, treed binnen, gezegende des Heren’. Vervolgens onthoofdt hij Sisera en stuurt hij het hoofd naar diens moeder. Barak krijgt hier dus de titel ‘gezegende’ in plaats van Jaël en onthoofdt Sisera net als Judit.

Wat men in ieder geval uit deze hervertelling kan opmaken is dat men in de tijd waarin ook het evangelie van Lucas is ontstaan, moeite had met bepaalde aspecten uit het verhaal van Jaël. Ze is minder vreemdeling en meer gelovige, maar wordt niet meer als ‘gezegende’ betiteld.

Maria krijgt, net als Judit, haar rol aangezegd in Gods bevrijdende handelen

Maria

Wanneer Elisabet haar nichtje Maria begroet als ‘de gezegende onder de vrouwen’, dan is dat binnen het verhaal in Lucas 1 geen onbeduidend detail. Ze spreekt die woorden uit terwijl ze ‘vervuld is van de heilige Geest’ (1,41). Binnen het hoofdstuk nemen de woorden ook een centrale plaats in tussen twee elkaar spiegelende blokken tekst: enerzijds de aankondiging van Johannes’ geboorte (verzen 5-23), de zwangerschap van Elisabet (verzen 24-25) en aankondiging van Jezus’ geboorte (verzen 26-38) en anderzijds de lofzang van Maria (verzen 47-55), de geboorte van Johannes (verzen 57-66) en de lofzang van Zacharias (verzen 67-79). Dit is waar het in de aanloop naar het verhaal van de geboorte van Jezus om draait. Het duidt op de centrale rol van Maria in het komende bevrijdende handelen van God.

Elisabet voegt aan de genoemde eerste zegenbede toe: ‘en gezegend is de vrucht van je schoot’. Dat is opnieuw een citaat, nu van Deuteronomium 28,4, uit het hoofdstuk over de zegen voor wie (zoals Maria) luistert naar de stem van God. Daarmee verwijst Elisabet naar Jezus. Zo zet ze in haar zegen Maria en Jezus naast elkaar zoals dat in Judit 13,18 gebeurt met Judit en God: ‘Gezegend ben je door de allerhoogste God, gezegend boven alle vrouwen op aarde, en gezegend zij God, de Heer, die de hemel en de aarde heeft geschapen’. In één adem wordt Judit genoemd naast God. Hetzelfde doet Elisabet nu met Maria en Jezus. Zo krijgt Maria, net als Judit, haar rol aangezegd in Gods bevrijdende handelen.

De grote overeenkomst met het verhaal van Judit (en Jaël) is dat de mannen buitenspel worden gezet. De bevrijding gaat via het ‘zwakke’ geslacht. Dat wordt door Judit benadrukt als zij zich in haar gebed tot God zegt: ‘Niet de macht van het getal bepaalt uw kracht, niet op geweldenaars steunt uw heerschappij. U bent juist de God van de vernederden, de helper van de onaanzienlijken, de steun van zwakken, de beschermer van moedelozen, de redder van wanhopigen’ (Judit 9,11).

In haar loflied sluit Maria zich daar van harte bij aan: ‘heersers stoot Hij van hun troon en wie gering is geeft Hij aanzien’ (Lucas 1,52). Tot die ‘geringen’ rekent Maria zich ook zelf. Wat dat betreft staat ze dichter bij Jaël dan bij Judit. Het grote verschil met zowel Jaël als Judit is de manier waarop de aangekondigde bevrijding zal worden bewerkstelligd. Als Simeon enige tijd later Jezus en zijn ouders zegent verwijst hij daar ook naar als hij tegen Maria zegt: ‘door uw eigen ziel zal een zwaard gaan’ (Lucas 2,35). In haar artikel uit 2006 voert Sabine (Ine) Van Den Eynde goede grammaticale argumenten aan om in Lucas 1,42 te vertalen: ‘gezegend onder de vrouwen’, dat wil zeggen: te midden van de vrouwen. Dat betekent dat Lucas ervoor koos het anders weer te geven dan in Rechters 5,24 en Judit 13,18, waar duidelijk bedoeld is dat Jaël/Judit meer dan andere vrouwen gezegend is. In Rechters 5 is dat te verklaren uit de tegenstelling met de andere vrouwen in het verhaal. In het verhaal van Judit past het bij het voetstuk waarop de heldin wordt geplaatst. In vergelijking daarmee is het verhaal van Maria ondanks alle parallellen inderdaad anders.

Literatuur

• Sabine van den Eynde, ‘Are Jael (Judg 5:24) and Mary (Luke 1:42) Blessed Above or Among Women?’, in: M.K.H. Peters (redactie), XII Congress of the International Organization for Septuagint and Cognate Studies Leiden 2004, Leiden 2006, 81–94.

• P.W. van der Horst, De Bijbelse geschiedenis van Pseudo-Philo: Een joodse hervertelling van de Bijbel uit de eerste eeuw van onze jaartelling, Kampen 1990.

• Brittany E. Wilson, ‘Pugnacious Precursors and the Bearer of Peace: Jael, Judith, and Mary in Luke 1:42’, in: Catholic Biblical Quarterly 68 (2006): 436–456.

• Ellen van Wolde, ‘Debora en Jaël, twee vrouwen in oorlogstijd’, in: Schrift 158 (1995): 43–45.

< Terug