< Terug

De gezegende strijder Gods

Bij Genesis 32,23-33 1

De worsteling

In de verhalencyclus rond Jakob en Esau vormt het korte verhaal van de worsteling bij de Jabbok de tegenhanger van dat over Jakobs droom bij Betel (Genesis 8,11-22). Toen verliet hij het land Kanaän en ging de zon onder (Genesis 28,11), nu keert hij terug en gaat de zon over hem op (Genesis 32,32).

In de tussenliggende verhalen is verteld hoe het Jakob in den vreemde verging. De belofte die JHWH God hem in Betel deed, heeft zich verwerkelijkt: in het vreemde land verwierf Jakob zijn twee vrouwen Lea en Rachel, elf zonen en een grote kudde vee. De vraag die nu bij zijn terugkeer speelt, is of hij zijn broer Esau onder ogen zal kunnen komen. Deze voor Jakob spannende situatie vormt de achtergrond van het verhaal over de worsteling. Met wie Jakob vecht, lijkt onduidelijk. Een psychologische duiding, alsof hij vanuit angst voor zijn broer met zichzelf in gevecht is, of een verklaring vanuit de mythologie, waarbij Jakob met een rivierdemon strijdt, doet het thema van de hele verhalencyclus tekort, namelijk wie degene is die als gezegende het land Kanaän zal beërven.

Nadat is verteld dat Jakob alles wat hij bezit de Jabbok heeft laten oversteken (Genesis 32,23-24), volgt in drie scènes het eigenlijke verhaal van de worsteling: de worsteling zelf (Genesis 25-26); het vragen naar namen en de zegen (Genesis 27-31); na de worsteling (Genesis 32-33).

Mank aan zijn ‘heup’

In de omlijstende gedeeltes is vijf keer sprake van Jakobs ‘heup(bekken)’ (Hebr.: jareekh), dat door de aanraking van de onbekende wordt ontwricht. Dat dit lichaamsdeel niet zomaar de zijkant van het lichaam is, blijkt uit Genesis 24,2.9, waar de knecht van Abraham moet zweren bij diens ‘heup’ dat hij voor Isaak geen vrouw uit de dochters van Kanaän zal nemen. Van degenen die met Jakob naar Egypte trekken, wordt gezegd dat die ‘voortkwamen uit zijn heup’ (Genesis 46,26; Ex.1,5 – NB). Als Jakob na zijn worsteling met de onbekende ‘mank gaat aan zijn heup’ (Genesis 32,32 – NBG ’51), is er blijkbaar iets gebeurd met zijn vruchtbaarheid. Israël kan niet prat gaan op eigen potentie, maar heeft toekomst bij de gratie van de zegen van JHWH.

Zegen

Jakobs vraag om gezegend te worden (Genesis 32,27) en de uitvoering daarvan (Genesis 32,30) omlijsten het middengedeelte. Het werkwoord ‘zegenen’ (Hebr.: barakh) vormt de rode draad in de Jakobscyclus. Het komt (met afgeleide vormen) in totaal veertig keer voor, ongelijk verdeeld over de hoofdstukken. In hoofdstuk 26 klinkt het vijf keer als de zegen van JHWH die over Isaak komt. In het gedeelte waarin Jakob zijn vader de zegen ontsteelt, klinkt het zevenentwintig keer (Genesis 27,1-28,9). Daarna één keer als Rachel via haar dienstmaagd de vruchtbaarheid van haar zuster Lea probeert te evenaren (Genesis 30,3) en drie keer rond Jakobs vertrek uit Charan (Genesis 30,27.30; 32,1). Na de twee keer in het verhaal over de worsteling (Genesis 32,27.30) komt het woord nog twee keer voor: één keer als Esau het geschenk van Jakob aanneemt (Genesis 33,11) en één keer aan het slot, als God Jakob nogmaals zegent (Genesis 35,9). Uit dit overzicht blijkt dat het groot worden van Isaak door de zegen van JHWH (Genesis 26,13) zich voortzet in de zegen over Jakob.

De verborgen naam openbaart zich

In het midden van het verhaal staat de dialoog over de namen (Genesis 32,27-31). Eerst verandert de onbekende Jakobs naam in Israël – ‘strijder Gods’. Niet het werkwoord ‘worstelen’ (Hebr.: ’abaq) uit Genesis 32,25.26 (dat alleen hier voorkomt) wordt hier gebruikt, maar het even zeldzame werkwoord ‘strijden’ (Hebr.: sarah, verder alleen in Hosea 12,4). Als Jakob de onbekende naar zijn naam vraagt, antwoordt deze met een tegenvraag: ‘Waartoe vraag je me naar mijn naam?’ Hij lijkt daarmee een antwoord te ontwijken, maar omdat direct daarop verteld wordt dat hij Jakob zegent, kan dát als het antwoord op Jakobs vraag worden beschouwd: de naam ís de zegen. Jakob realiseert zich dit, zo blijkt uit de naam die hij de plaats geeft: Peniël – ‘aangezicht van God’, want ‘Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en mijn leven werd gered’ (Genesis 32,31). Waar Jakob bang was voor de ontmoeting met zijn broer, blijkt zijn strijd in werkelijkheid met God te zijn.

Met de zegen is Jakobs gebed verhoord. Hij vroeg JHWH om hem te redden uit de hand van zijn broer (Genesis 32,10-12, de laatste keer dat de Godsnaam in de verhalencyclus klinkt) en nu, voordat de feitelijke ontmoeting plaatsvindt, is dat al geschied. De Godsnaam, die in het verhaal onuitgesproken blijft en zelfs niet geschreven staat, openbaart zich in de zegen.

Van aangezicht tot aangezicht

Als Jakob zijn broer onder ogen komt, spreekt hij hem vijf keer met ‘mijn heer’ aan (Genesis 33,8.13.14.14.15), terwijl hij zichzelf ‘knecht’ noemt (Genesis 33,5.14). Zoals God in het gevecht bij de Jabbok de plaats van Esau innam, zijn die rollen nu omgekeerd en mag Esau voor God optreden. Dit bevestigt Jakob met zijn uitspraak ‘Ik heb jouw aangezicht gezien zoals men het aangezicht van God ziet’ (Genesis 33,10, vgl. 32,31). Het geschenk waarmee Jakob Esau onder ogen wilde komen (Genesis 32,14.19.21.22) wordt tot zegen (Genesis 33,11) en de genade die Jakob van zijn broer hoopte te krijgen, is de genade die God zelf hem heeft verleend (Genesis 33,5.8.10.11.15, vgl. 32,6). Als Esau deze zegen accepteert, is er sprake van de vrede die Psalmen 133 bezingt, waarin de zegen weerklinkt waarmee Isaak Jakob zegende: ‘Moge God je geven van de dauw van de hemel, van de vetheid der aarde, een veelheid van graan en most!’ (Genesis 27,28):

Zie, hoe goed en hoe genoeglijk:
het wonen van broeders, ja samen!
Het is als de kostelijke olie op het hoofd (…).
Het is als de dauw van de Hermon (…).
Dáár gebiedt JHWH zijn zegen, leven in eeuwigheid.

< Terug