< Terug

De kenbaarheid van de werkelijkheid: nieuwe geloofstaal anno 1944 (bonhoeffer) en anno nu

Eind 2015 verscheen postuum de dichtbundel Wakend over God van Joost Zwagerman. Deze bundel maakte meteen een diepe indruk op een breed publiek. Tot in het televisieprogramma De Wereld Draait Door werd er over gepraat, en kwam God ter sprake als een serieus en relevant gespreksthema.1 Tegelijkertijd leken kerk en dogmatiek daar compleet afwezig, en er leek ook niemand verlegen te zitten om een bijdrage uit die hoek. Het is voorstelbaar dat kerk en dogmatiek zelfs onwelkome gasten zouden zijn bij zo’n gesprek over God. De kerk zou daar a priori nog wel eens als een al te stellige en ‘claimerige’ gesprekspartner kunnen worden ervaren.

Toch zijn juist kerk en theologie er vanzelfsprekend enorm in geïnteres-seerd wat hier nu eigenlijk gebeurt. Dat God ter sprake komt in het publieke leven, dat het niet alleen over allerlei meer of minder interessante of be-dreigende religieuze verschijnselen gaat maar over God zelf, dat is voor kerk en theologie zelfs van het allergrootste belang. Kunnen zij hier lessen trekken, kunnen ze hier toch gesprekspartner worden, kunnen ze hier wel-licht leren hoe door beelden en vooroordelen heen te breken? Dat is anno 2017 misschien wel een pittiger vraag dan ooit. In onze maatschappij lijkt het maatschappelijke gesprek immers te stokken en vormen ‘frames’ meer dan ooit een niet te doorbreken werkelijkheid. Zo schrijft Bas Heijne in zijn scherpe essay over het hedendaagse Onbehagen over de ‘brute versimpelin-gen’ waarmee velen vandaag de dag hun wereldbeeld overzichtelijk houden. Er tekent zich een toenemend verzet af tegen de ingewikkeldheid van de werkelijkheid.2

Een nieuwe taal tegenover ‘domheid’

Toch liggen daar niet alleen in onze tijd vragen. Eind 1942 vertrouwde Dietrich Bonhoeffer in zijn opstel Na tien jaar een aantal observaties over feitenvrije meningsvorming aan het papier toe die vandaag geschreven had-den kunnen zijn:

Domheid (Dummheit) is een gevaarlijker vijand van het goede dan slecht-heid. Tegen het slechte kun je protesteren, [maar] tegen de domheid zijn we weerloos. (…) Noch door protesten noch door gezag kun je hier iets uitrichten; argumenten vallen machteloos ter aarde; feiten die iemands eigen vooroordeel weerspreken hoef je alleen maar niet te geloven – in zulke gevallen wordt de domme mens zelfs kritisch – en als de feiten onontkoombaar zijn, kunnen ze simpel als nietszeggende uitzonderingen terzijde worden geschoven. Daarbij is de domme mens, in tegenstelling tot de slechte mens, ook nog eens mateloos tevreden met zichzelf en hij wordt zelfs gevaarlijk wanneer hij op zijn teentjes getrapt tot de aanval overgaat. [… Overigens is domheid] niet wezenlijk een intellectueel, maar een menselijk defect. Er bestaan intellectueel uitzonderlijk flexibele men-sen, die dom zijn; en intellectuele laagvliegers die toch alles behalve dom zijn. (…) Mensen [worden vooral] dom gemaakt, of laten zich dom maken. (…) Domheid [is dus] een sociologisch probleem. (…) Waar het werkelijk op aankomt, is of machthebbers meer verwachten van de domheid of van de innerlijke zelfstandigheid en verstandigheid van de mensen.3

Wat voor een perspectief bieden observaties als die van Heijne en Bonhoeffer aan een kerk die de missie heeft op de één of andere manier God ver-staanbaar ter sprake te brengen? De crux zit voor mij in de laatste zin van het Bonhoeffercitaat. Wanneer feiten en argumenten er in een maatschappij hoe langer hoe minder toe lijken te doen, dan is alles verloren wanneer over-heden, media en publieke fora – zoals ook de kerk – de maatschappij alleen maar willen geven waar ze blijkbaar om vraagt. Zijn er nog plekken waar meer wordt verwacht ‘van de innerlijke zelfstandigheid en verstandigheid’ van hen die deelnemen aan het maatschappelijke leven?

Opvallend is dat zowel Bonhoeffer als Heijne het idee uitspreken dat de geanalyseerde situatie vraagt om een nieuwe taal. Waarom? Wat kan zo’n nieuwe taal volgens hen bereiken, en wat misschien ook niet?

Onbehagen en een nieuwe politieke taal

Enkele weken na het verschijnen van zijn pamflet schreef Bas Heijne een essay in nrc Handelsblad waarin hij maar één remedie lijkt te zien tegen de steeds groter wordende ‘verontwaardiging en ontsteltenis’ die in alle lagen van de maatschappij om zich heen grijpt, en wel: die nieuwe taal. Hoe die taal er precies uit moet zien moet hij open laten; hij ziet hierin een nog uit te voeren taak voor de huidige opiniemakers, en met name voor de politiek.4 Het betoog van Heijne is niet moeilijk in te passen in de ideeën die hij in Onbehagen oppert om het toenemende verbale en fysieke geweld tegen te gaan. Heijne volgt Freud in het inzicht dat beschaving te definiëren is als de poging van de mens om geweld te beheersen en indien mogelijk uit te bannen. Wat we op dit moment op allerlei manieren waarnemen is dat de beschaving zoals we die de laatste decennia zijn gaan opvatten – met idealen van de Verlichting – ons daarbij uiteindelijk niet het slotantwoord geeft. Ge-weld wordt niet het zwijgen opgelegd door een verlichte rationaliteit. Wie nu nog denken en uitstralen daar wel in te geloven, steken hun hoofd in het zand. Het ene grote overkoepelende verhaal van de Verlichting werkt niet meer.

Heijne ziet maar één weg hieruit: we zullen sadder but wiser moeten ac-cepteren dat geweld diep in alle mensen verscholen zit, hoeveel Verlichting ze ook hebben ondergaan,5 en dat het grote abstracte Verlichtings-project er niet in gaat slagen om alle volken te verenigen in één rationele en geweldloze zus-teren broederschap. We hebben kleinere verhalen nodig, ‘mythes’ zegt Heijne (met Yuval Noah Hariri), die elk op hun eigen manier verschillende groepen en maatschappijen overtuigen en hen helpen geweld op hun eigen manier uit te bannen. Zo lang dit niet gebeurt, zo lang deze mythes niet verteld worden, zal het failliet van het Verlichtingsproject er toe blijven leiden dat mensen hun toevlucht zoeken tot hun eigen, overzichtelijke verhaal, hoe feitenvrij ook, wat ‘gevestigde politici’ of wat de krant of wat de pastoor ook zegt.6

Een nieuwe taal, of nieuwe talen, zullen de verschillende groepen in de samenleving dus moeten kunnen samenbinden, en vooral: ze zullen het gesprek tussen deze verschillende groepen weer mogelijk moeten maken.

Het zou kunnen dat het woord ‘mythes’ theologen wakker schudt, en dat zou ook veelbelovend kunnen zijn.7 Je zou kunnen betogen dat vanuit dit perspectief bezien niemand moet willen dat de kerk en dat gelovigen ophou-den te spreken over God; ze zouden er integendeel toe gestimuleerd moeten worden, zo lang deze ‘God-talk’ resulteert in een samenhangend verhaal dat groepen mensen helpt zin en samenhang te ervaren en geweld tegen te gaan. Religieuze bewegingen kunnen misschien zelfs beargumenteren dat zij daarvoor de beste papieren in huis hebben – hoewel ze hun verhaal dan wel heel duidelijk over het voetlicht moeten brengen want juist op het gebied van religie en geweldloosheid leven in onze tijd veel vragen. Het is aan theologen om deze taal te bieden, verstaanbaar voor buiten en binnen.

Maar een vraag blijft: waarom zouden we denken dat mensen naar deze wijsheid van kerk en theologie – of naar welke taal en welk samenhangend verhaal dan ook – zouden luisteren? Blijft Heijnes vraag om een nieuwe taal niet in de lucht hangen wanneer mensen eenvoudigweg niet meer openstaan voor taal, niet meer luisteren, en liever blijven bij hun eigen visie op wat leven en samenleven betekenen?

Mondigheid, rationaliteit en een nieuwe theologische taal

Ik denk dat Dietrich Bonhoeffer op zulke vragen wilde ingaan toen ook hij, een tijdje nadat hij over ‘domheid’ had geschreven, in 1944 schreef over de komende noodzakelijke zoektocht naar een nieuwe theologische of geloofs-matige taal. Al in zijn alinea’s over domheid staan de volgende zinnen:

We nemen verder waar dat afgesloten en eenzaam levende mensen dit defect [domheid] minder vaak vertonen dan tot gezelschap geneigde of veroordeelde mensen en mensengroepen. (…) [D]eze gedachten over de domheid hebben dit troostende gezichtspunt mee dat ze totaal geen ruim-te bieden om de meerderheid van de mensen onder alle omstandigheden als dom te beschouwen.8

Er is wat hem betreft dus hoop. Een tijdje later, in zijn gevangenisbrieven, schrijft Bonhoeffer dan ook niet over de domme maar over de volwassen of ‘mondig geworden wereld’, en wijdt hij vele aantekeningen aan de noodzaak om in te zetten op eerlijkheid en aanspreekbaarheid op intellectueel niveau. De kerk mag er vrolijk op vertrouwen dat ze de wereld wat goeds te bieden heeft,9 iets wat staat als een huis, ook intellectueel gezien. In tijden waarin nauwelijks ruimte en tijd is voor een rustige, rationele en eerlijke bezinning op wat er allemaal speelt, staat niet alleen de waarheid maar ook de waar-achtigheid op het spel,10 en daarmee de leefbaarheid. In zulke tijden moet de ‘innerlijke verplichting tot een eerlijk en zuiver gebruik van de ratio’11 extra stevig verdedigd worden, want juist een volwassen, zakelijke, nuchtere en redelijke houding kan volgens Bonhoeffer aanzetten tot een spreken dat de situatie ook voor anderen helder doorlicht, en tot daadkrachtig handelen dat de situatie verandert ten goede.12

Het is misschien niet zo verwonderlijk dat zulke gedachtesporen hem brengen bij de vraag naar wat wij in de kerk nu eigenlijk werkelijk geloven,13 en naar de taal waarin daarover gesproken kan worden. En zo begint Bonhoeffer, in de beroemde doopbrief aan zijn pasgeboren achterneefje, over de noodzaak dat er voor geloofswaarheden een nieuwe taal komt.14 Maar wat verwachtte hij nu precies van deze nieuwe taal en waarom zou deze nieuwe taal dan nog gehoord worden? Ik denk dat de context waarin Bonhoeffer hierover schrijft, twee kanten op wijst. Allereerst schrijft hij over de kerk die een goed begrip van het evangelie in de weg is komen te staan, en daarmee de grenzen van de waarachtigheid geweld heeft aangedaan. Ten tweede – en dat zou zomaar alles te maken kunnen hebben met het eerste punt – schrijft hij dat we vaak niet precies meer weten wat we bedoelen met allerlei door Bijbel en traditie aan ons overgeleverde woorden. Hier gaat het over de grenzen van de waarheid. Beide punten wil ik hieronder wat uitwerken, en laten resoneren in de situatie in Nederland anno 2017.

Een nieuwe taal en een waarachtige (authentieke) werkelijkheidsopvatting

Kort geleden deed Frits de Lange nogal wat stof opwaaien door in Trouw een essay te publiceren onder de titel En God sprak: ‘Ik besta niet’.15 Voor De Lange is de essentie van het spreken over God niet dat er buiten de voor ons kenbare werkelijkheid een God ‘bestaat’ die van buiten in onze werkelijk-heid zou kunnen ingrijpen; ‘God’ functioneert voor hem meer als een woord dat de wereld in emotionele zin verheldert, dat verwondering en hoop op een ander ‘Koninkrijk’ losmaakt. Zijn essay is doordrenkt van allusies naar het werk van Bonhoeffer: we hebben maar één werkelijkheid16 en als we bij elk nieuw nummer van Nature ons hart moeten vasthouden bij de vraag of onze gedachten over Gods bestaan nog wel te handhaven zijn,17 lijden we aan ‘cog-nitieve dissonantie’. We moeten dus af van het spreken over een almachtig Opperwezen, aldus De Lange. Het probleem ligt voor hem verscholen in de emotionele maar zeker ook in de filosofische of cognitieve problemen die een dergelijk spreken over God oproept.

De Lange zit mijns inziens wat de emotie betreft niet zo ver bij Bonhoeffer vandaan. Wanneer Bonhoeffer schrijft over de nieuwe geloofstaal die nodig is, schrijft hij in dezelfde alinea’s zinnen over een kerk die de afgelo-pen jaren alleen maar gevochten heeft voor zichzelf, voor eigen lijfsbehoud. God werd een verlengstuk van haar eigen belang. Zij is niet de vertolker geweest van iets nieuws, maar van iets ouds. En waar God eeuwenlang steeds meer tot een belang van een partij geworden is, en ingezet kon worden voor het zelfbehoud van die partij, bijvoorbeeld van een geestelijke elite18 – daar verdween juist de werkelijke ruimte voor God, daar werd God de wereld uit gedrongen zodra de wetenschap haar kans schoon zag. En zo komt Bonhoeffer te spreken over het failliet van een oude kerkelijke metafysica.19 Maar dit failliet is dan dus niet zozeer het gevolg van een filosofisch of cognitief probleem waar een intellectueel hoogstaande theologie tegenaan is gelopen; het is juist het gevolg van een totaal onbegrip voor waar het in de kerk wer-kelijk om zou moeten gaan. Het spreken over waarheid kwam onder druk te staan doordat de waarachtigheid op het spel stond. Bonhoeffer heeft bij het schrijven van dergelijke analyses ongetwijfeld de kerkstrijd van de afgelopen jaren in zijn achterhoofd, inclusief zijn teleurstelling over de Bekennende Kirche. Ook deze groep heeft wat hem betreft te veel gestreden voor alleen maar eigen ruimte en eigen lijfsbehoud. Maar Bonhoeffer kijkt niet alleen naar zijn eigen tijd; hij deinst er niet voor terug om ook aan te wijzen dat het falen van een goed kerkelijk spreken al eeuwenlang in allerlei gestalten optreedt. Dat spreken gebeurde misschien met de beste bedoelingen, maar intussen is er heel breed een maar al te begrijpelijke allergie tegen geeste-lijke woorden ontstaan, en daar heeft degene die vandaag weer wil spreken over God zich wel toe te verhouden.

Een actueel voorbeeld hierbij deed zich wat mij betreft voor rond het recente Tweede Kamerdebat over zogenaamd ‘voltooide levens’. In de hitte van de discussie stuurde D66-kamerlid Pia Dijkstra een ongenuanceerd twit-16 terbericht de wereld in: ‘Boodschap van christelijke partijen aan mensen met stervenswens: zoek het zelf maar uit.’ Een kleine twitterstorm stak op waarin grote verontwaardiging haar deel werd, want de christelijke politieke par-tijen en ook gelovigen buiten die partijen vatten haar tweet op als een grove versimpeling van hun veel genuanceerdere en ook veel socialere inbreng in dit complexe debat. Deze tweet deed denk ik inderdaad geen recht aan de van verschillende kanten klinkende vraag of het aanstellen van ‘stervenshul-pen’ werkelijk de enige of zelfs de meest ‘barmhartige’ tegemoetkoming is aan mensen met een stervenswens en hun artsen en hun sociale omgeving, en of er geen andere vormen van ‘barmhartigheid’ zijn die meer stimulans verdienen.

Dit zijn echter geen specifiek christelijke of theologische argumenten. Deze gecompliceerde discussie had gevoerd kunnen worden met voor alle partijen inzichtelijke en door alle partijen af te wegen zakelijke argumenten. De genoemde tweet maakte dit gesprek moeilijker, zo niet onmogelijk: want inhoudelijke argumenten werden neergezet als vooringenomen standpunten van een belangenpartij, in dit geval een christelijke belangenpartij. En wan-neer een christelijke belangenpartij spreekt, zo lijkt de redenering, dan is het woord ‘God’ nooit ver weg; dan zijn de standpunten toch al in beton gegoten. Niet alleen de twitteraar maakt het gesprek dan onmogelijk, maar het christelijke partijbelang evenzeer, en daarachter de ‘christelijke God’. ‘Hou alsjeblieft op, jij met je God,’ is dan al snel de reactie. Versimpeling alom dus.

Mijn vraag is: wanneer een gelovige deelnemer aan het publieke debat, bijvoorbeeld een christelijke politieke partij, geen coalities heeft gesmeed met ter zake gelijkgestemde anderen – dus niet omwille van de macht maar omwille van het argument – stimuleert zij zulke versimpelingen dan ook niet? Is het werkelijk zo onbegrijpelijk dat een gesprekspartner dan een claim op goddelijke legitimatie in haar argumenten hoort? Als dat het geval is, is het misschien gepast de vraag te stellen of de gelovige deelnemer een inhoudelijk debat ondanks alle goede bedoelingen toch niet zelf in de weg staat. Ik hoor Bonhoeffer in zijn teksten uit de gevangenis opkomen voor een taal die actief de schijn tegengaat dat de kerk God beschouwt als het verlengstuk van haar eigen gelijk. Een nieuwe taal die weer werkelijk laat zien waar het bij het spreken over God om gaat. Een taal die de ander niet in een hok duwt, een ander niet afhankelijk maakt, de ander niet dom houdt, maar ziet als een volwassen mondig mens; een taal die meer verwacht van ‘de zelfstandigheid en verstandigheid’20 van de gesprekspartner dan van een opgelegde domheid. Wanneer je gesprekspartners voortdurend als volwas- senen aanspreekt, zullen ze ook eerder proeven dat ze werkelijk als serieuze gesprekspartner worden gezien, en navenant reageren. Waar de waarachtig-heid van geloofstaal niet onmiddellijk meer geproefd wordt, zal de theologie dus moeten zoeken naar taal en middelen om die waarachtigheid expliciet aan de orde te stellen en, moeilijker, ook impliciet door haar woorden heen te laten klinken.

Een nieuwe taal die grenzen van het kennen verkent

Het verlangen naar waarachtigheid is dus de aanleiding voor Bonhoeffer om te denken dat er een nieuwe taal geleerd moet worden. Maar hoe zit het nu met de door De Lange gesignaleerde ‘cognitieve dissonantie’? Speelt die voor Bonhoeffer geen rol? Ik zou willen suggereren dat Bonhoeffers uithou-dingsvermogen op dit vlak behoorlijk groot is geweest – en ik vind dat leer-zaam. In de brief aan zijn achterneef waarin hij de kwestie van een nieuwe taal aan de orde stelt, zegt hij ook dat het enige wat christenen kunnen doen zolang ze deze taal niet spreken, bidden is, en gerechtigheid doen.21 Rond dezelfde tijd heeft hij het over ‘met Christus waken in de hof’: daar wordt weer merkbaar dat God middenin het leven transcendent is.22 De tonen die Bonhoeffer hier aanslaat, grijpen mijns inziens terug op zijn jeugdwerk, in het bijzonder zijn studie van het begrip ‘transcendentie’ in zijn Habilitationsschrift Akt und Sein. Besef van transcendentie, zo maakt Bonhoeffer in dit geschrift duidelijk, zal eerst en vooral moeten betekenen dat wij beseffen dat we met onze kennis de werkelijkheid niet klein krijgen, dat wil zeggen: dat we niet alleen aan de grenzen van ons weten – daar waar Nature over publiceert – altijd vragen overhouden, maar dat er middenin het leven ge-heimenissen zijn waarvoor we ons alleen af kunnen sluiten op kosten van een gebrekkige en subject-centrische werkelijkheidsopvatting.23 Een nieuwe taal zal hier eerder openheid voor transcendentie moeten bevorderen, dan dat ze Gods ‘bestaan’ en de mogelijkheid van openbaring terzijde schuift.

‘Waken in de hof’ – de tonen die Bonhoeffer hier aanslaat24 zijn bijna net zo verontrustend als sommige van de al genoemde gedichten van Joost Zwagerman. Als ik niet beter zou weten, zou ik gedacht hebben dat de dichter met de titel van zijn bundel Wakend over God naar deze teksten van Bonhoeffer wilde verwijzen. Het noemen van het woord ‘God’ heeft in deze gedichten alles te maken met het opnieuw en anders peilen van het leven, de werkelijkheid, en het eigen ‘ik’. We zien de dichter in deze bundel op een uiterst pijnlijke manier vechten met zichzelf en ook met het idee dat alles anders zou kunnen worden door God; en misschien zelfs alleen door God. Gaat het hier dan om een god die een werkelijkheid is buiten onze kenbare werkelijkheid? Ik hoor hier eerder de vraag gesteld worden: hoe ‘kenbaar’ is onze ene werkelijkheid eigenlijk? Hier wordt de werkelijkheid op een andere manier doorgrond (of juist niet doorgrond) dan via andere vertogen moge-lijk is. De mogelijkheid dat God op de één of andere manier onverwacht, transcendent, op de dichter toekomt en zich tot hem zal verhouden, lijkt voortdurend verondersteld. En de oren van velen spitsen zich als deze tonen worden aangeslagen. Alle zweem van partijbelangen en belangenpartijen is hier verdwenen.

Wat hier ook verdwenen is, is de gedachte dat de vraag naar God een filosofisch interessante maar verder vooral onbelangrijke kwestie zou zijn.25 Integendeel: alles, alle waarachtigheid maar ook alle waarheid, staat hier op het spel.26 Het grensbegrip ‘waarheid’ wordt hier middenin het leven op ongedachte manieren relevant. Kunst roept hier vragen op en legt hier mo-gelijkheden open die wel eens zeer verhelderend zouden kunnen zijn voor theologen in hun zoeken naar nieuwe woorden voor de werkelijkheid die de kerk al eeuwen lang in de naam ‘God’ gehoord heeft.27

Het boek van Muis vormt een duidelijk weerwoord tegen zo’n gedachte. Tegelijkertijd veronderstelt Muis wel dat het cruciaal blijft om over de werkelijkheid van God te denken als van de menselijke werkelijkheid onderscheiden, zie a.w., 22; vgl. ook Muis’ reactie op het essay van De Lange, Trouw, 17 juni 2016.

De nieuwe taal: voorlopig nog niet definitief gevonden

‘Der Tag wird kommen’,28 schrijft Bonhoeffer over de komst van een nieuwe taal. Dat doet bijna eschatologisch aan, en mijn indruk is dat Bonhoeffer hier met een zekere Naherwartung leefde: binnen een generatie of twee moest deze taal toch gevonden zijn. Inmiddels hebben we op dit vlak ook enige ervaring met een soort van Parusieverzögerung. Ik heb althans niet het idee dat we al helemaal zijn waar Bonhoeffer op gehoopt had, en dat we de taal al zouden hebben gevonden die Bonhoeffer zocht. Dat er op dit moment zo veel naar Bonhoeffer gegrepen wordt, heeft misschien ook wel hiermee te maken dat we eigenlijk pas sinds relatief kort in een tijd leven waarin de kerk haar plek opnieuw aan het zoeken is, na enkele decennia van een voor haarzelf vanzelfsprekende plaats in vele levens. Maar dat we de spanning nog even moeten uithouden is ook eigen aan eschatologische verwachtingen. Het gaat ook bij de verwachting van een nieuwe taal – een taal die Gods realiteit beter vat – over een orde die wij niet dichterbij kunnen brengen, al gebeurt het ons soms dat we glimpen ervan gerealiseerd zien, soms onder onze eigen handen en in onze eigen monden. Door de hele kerkgeschiedenis heen trekt een lange stoet van mensen die bestaande theologentaal en bestaande gods-beelden onder kritiek hebben gesteld. Deze mensen herinneren de kerk er voortdurend aan dat ‘God kennen’ nooit een afgeronde taak wordt, maar dat deze kennis altijd vraagt naar meer en beter. En beter leren kennen betekent ook: voortdurend jezelf herzien, je laten corrigeren, door mensen binnen en buiten de kerk. Ik denk daarom dat we de gedachte los moeten laten dat we de taal waar Bonhoeffer op hintte nog wel definitief gaan ontwikkelen. Het lijkt me vruchtbaarder om van Bonhoeffers vraag en houding te leren en de zoektocht naar een nieuwe taal nog een tijd vol te houden. Dat betekent: partijtaal en oud geworden taal die ingesleten beelden bevestigt, voortdurend loslaten; en steeds opnieuw zoeken naar woorden voor de verrassing van Gods komst op de meest onverwachte plaatsen.

1 Joost Zwagerman, Wakend over God: Gedichten, Amsterdam: Hollands Diep (2016). Dit artikel is de uitwerking van een lezing die ik hield op het najaarscolloquium 2016 van het Groningse college van bijzonder hoogleraren (rug, faculteit ggw). Tijdens dit colloquium kwamen we meer dan eens te spreken over de welwillende reacties die Zwagermans dichtbundel losmaakte. Ook het boek Mijn heldere afgrond: Overpeinzingen van een moderne gelovige van Christian Wiman, vertaling Willem-Jan Otten, Barneveld: Uitgeverij Brandaan (2016), maakt dergelijke reacties los.

2 Bas Heijne, Onbehagen: Nieuw licht op de beschaafde mens, Amsterdam: Ambo|Anthos (2016), 50-51. Het boek heeft inmiddels al een zesde druk.

3 Voor het werk van Dietrich Bonhoeffer verwijs ik steeds naar het volumenummer in de kritische uitgave van zijn werk: Dietrich Bonhoeffer Werke (DBW), München / Gütersloh: Kaiser Verlag / Gütersloher Verlagshaus (1986-1999). In dit geval DBW 8 (Widerstand und Ergebung), 26-28 (ver-taling EvtS).

4 Bas Heijne, ‘Het is tijd voor een nieuwe taal’, nrc Handelsblad, 29 oktober 2016.

5 Immanuel Kant gaf overigens al blijk van zijn oog hiervoor toen hij in het begindeel van zijn Religion innerhalb der Grenzen der bloßen Vernunft (17942) uitgebreid schreef over het kwaad, waarvan een onverklaarbare rest van ‘radikal Böses’ niet weg te nemen lijkt.

6 Heijne, Onbehagen, zie i.h.b. 34-39.

7 Op 26 en 27 september 2016 was bijvoorbeeld de Londense predikant en ethicus Sam Wells te gast in Groningen, en hij droeg daar voor uit zijn binnenkort te verschijnen werk over Atonement. Hij signaleert, evenals Heijne, dat geweld velen brengt tot ‘fantasy’ (denk aan de complottheorieën en versimpelingen waarin een andere partij alle onbehagen lijkt te hebben veroorzaakt) of tot ‘oblivion’ (de ontkenning van het probleem, bijvoorbeeld door vast te blijven houden aan het genoemde ‘Verlichtingsproject’). Voor Wells is het enige alternatief: het ‘peace-process’ waar het evangelie, en waar de kerk, mensen in betrekt.

8 DBW 8, 26-28 (vertaling EvtS).

9 DBW 8, 352.

10 DBW 6 ( Ethik ), 106.

11 DBW 6, 106 / Aanzetten voor een ethiek (vertaling Gerard den Hertog en Wilken Veen), Zoetermeer: Boekencentrum (2012), 89.

12 DBW 8, 26, 532-535, 559-560.

13 DBW 8, 559.

14 DBW 8, 435-436.

15 Ik raadpleegde op 10 oktober 2016 de versie die Frits de Lange op zijn website heeft staan: http://www.fritsdelange.nl/en-god-sprak-ik-besta-niet-essay-letter-geest-11-juni-2016/.

16 Vgl. DBW 6, 47-49.

17 Vgl. DBW 8, 454-455, 557.

18 DBW 8, 435-436.

19 DBW 8, 503-504.

20 Zie hierboven, voetnoot 3, met citaat in de hoofdtekst.

21 DBW 8, 435.

22 DBW 8, 408, 535, 542.

23 DBW 2 (Akt und Sein), 22-23, 28, 112; vgl. mijn Openbaringsnegativisme: Bonhoeffers kritiek op Barths actualistische geloofsbegrip, Zoetermeer: Boekencentrum Academic (2010), 220-221.

24 Ik denk bijvoorbeeld ook aan het gedicht ‘Christen und Heiden’, DBW 8, 515-516.

25 Vgl. Jan Muis, Onze Vader: Christelijk spreken over God, Zoetermeer: Boekencentrum (2016), 19.

26 Vgl. DBW 8, 559: ‘Was glauben wir wirklich? d.h. so, daß wir mit unserem Leben daran hängen?’

27 In mijn oratie Het zevende ‘maar’: Het filosofische gesprek tussen academie en kerk heb ik vorig jaar ook gewezen op het filosofische en theologische belang van het ‘openleggende’ karakter van goede kunst: zie http://www.rug.nl/ggw/news/events/pdfs/hetzevendemaar.pdf, 11-12.

28 DBW 8, 436.

< Terug