< Terug

De Kerstnacht gezien vanuit de andere lezingen

De Kerstnacht gezien vanuit de andere lezingen

Bij Jesaja 8,23b-9,7, Psalm 96, Titus 2,11-14 en Lucas 2,1-20

In de Kerstnacht kun je er niet omheen: je móét Lucas 2,1-20 lezen. Zowel de eenmalige als de trouwe bezoeker verwacht nu eenmaal het kerstverhaal te horen. Het perspectief van de overdenking zou je deze keer eens uit een van de andere lezingen voor de Kerstnacht kunnen halen.

Het gedeelte uit Jesaja is overbekend, ook voor de Kerstnacht. Misschien is er in de dienst wel een (kinder)koor dat een bekend gospellied zingt en zo de woorden ‘Wonderbare raadsman’, ‘Vredevorst’ (9,5) in de nacht doet klinken. We koppelen deze namen automatisch aan Jezus, maar daar waren ze oorspronkelijk niet voor bedoeld. Vermoed wordt dat de titels oorspronkelijk bij een kroningsritueel van een koning hoorden, wellicht Hosea. Ze worden in Jesaja aan een toekomstige bevrijder toegekend.

Wonderbare Raadsman, Vredevorst

Het Hebreeuwse werkwoord ja‘ats in ‘Wonderbare raadsman’ betekent ‘raad geven’, ‘plannen maken’. De drager van deze titel is gericht op de toekomst, op dat er iets gebeurt met de raad die wordt gegeven. Dit geldt ook voor de andere titels: die spreken van een verlangen naar een betere tijd. De Jesajatekst is geschreven in een tijd van verdrukking, toen er een groot verlangen was naar een tijd van openheid en vrijheid. De actualiteit van de bijbelschrijver was waarschijnlijk de veldtocht van Tiglatpileser III, die in 732 optrok naar Jeruzalem. Zijn laars was het die ‘dreunend stampte’ (9,4). Zebulon en Naftali verloren hun zelfstandigheid, en de wens was er om weer in aanzien te komen (8,23).

Deze Bijbeltekst was in de Tweede Wereldoorlog heel actueel, toen de Duitse soldatenlaars door de Kerstnacht stampte. En het vereist niet veel moeite om het naar de actualiteit van nu te trekken: de laarzen van IS, van Boko Haram, van armoede… Het gevoel van verdrukking en de wens voor openheid zijn helaas de tijden door gelijk. De titels refereren eraan dat het niet blijft bij wensen voor zo’n tijd, maar dat die er werkelijk zal komen. In het verhaal van Lucas 2,1-20 komt die werkelijkheid aan het licht. Daar wordt een Kind geboren dat de hoop en de verwachting die uit deze profetie spreekt, werkelijkheid zal doen worden.

Een nieuw lied

Psalm 96 is een prachtige psalm voor de Kerstnacht. Hij gaat over zingen, dat zo veel gebeurt in de Kersttijd, maar spreekt ook het vertrouwen uit dat als God het voor het zeggen heeft, er uiteindelijk recht komt op de hele aarde. Hij bezingt zelf de grootheid van God, en roept tegelijk op om dat te doen, en wel een ‘nieuw lied’ te zingen. Dat betekent dat er iets bijzonders is gebeurd. Wat dat precies is, en voor welke gelegenheid deze psalm oorspronkelijk is geschreven, is onduidelijk.

De oproep om te zingen geldt niet, zoals in vele andere psalmen, alleen voor Israël, maar voor de hele aarde, kol ha ’arets. Het zijn in het Hebreeuws niet helemaal dezelfde bewoordingen als in het Grieks van Lucas 2,1, waar pasan tèn oikoumenèn wordt opgeroepen om zich te laten inschrijven. Daar gaat het om ‘de hele bewoonde wereld’ van het Romeinse Rijk, dus ook meer dan Israël alleen, maar minder dan kol ha ’arets van de psalm. In dat totaal van die wereld is er een uitzondering die bezongen moet worden: de Heer. Hij is anders dan de ‘goden van de volken’ (96,5). Dat vers heeft aan actualiteit nog niet ingeboet. Was de Heer in de tijd van de psalmschrijver in het oude Nabije Oosten anders dan de goden van de regen of de vruchtbaarheid, vandaag is Hij anders dan de goden van de beurs, de eigen portemonnee of het ‘eigen geluk eerst’.

De psalm roept in de eerste verzen op tot verheerlijking van God, maar gaat er in vers 7 van uit dat dit ook al gebeurt. Het is dus niet louter wens, maar tegelijk al realiteit. Als die realiteit volop haar beslag krijgt, dan zullen de volken geoordeeld worden, en zal er rechtgesproken worden (96,10.13). Dat is de toekomst van de Heer voor heel de aarde.

Want de genade van God is verschenen

In het pastorale briefje van Titus, op naam van Paulus, worden kerkregels uiteengezet in de vorm van een brief. Titus 2,11-14 vormt in deze brief een stukje van de motivatie. Niet zozeer van waarom je je aan de regels zou moeten houden, maar van waarom ze bestaan, en vooral van wat het voor je kan betekenen als je je aan de voorschriften houdt. Het draait om hoop en toekomst. En daarmee sluit deze tekst prachtig aan bij het Lucasevangelie voor deze Kerstnacht. Je zou de verzen van Titus kunnen lezen als een antwoord op de vraag: waarom zou je wat hebben met dat kind in de kribbe, wat betekent de komst van Jezus in deze wereld? Vers 12 spreekt van een vrij radicale levensvernieuwing, waarbij vers 13 het perspectief van de mensen wil verleggen: van heden naar toekomst.

In de woorden klinkt kritiek op de hellenistische ethiek uit de tijd van de briefschrijver door. Die ethiek ging ervan uit dat de mens zelf zijn leven bepaalt, en dat hij zijn geluk vooral zelf moet realiseren. Iets wat je kunt herkennen in bepaalde levenshoudingen vandaag de dag. De schrijver van Titus zet daar het christelijk perspectief tegenover: geluk komt van God, Hij koopt vrij en reinigt van zonde. Dat is de genade waar het in vers 11 over gaat, die letterlijk aan het licht komt in de Kerstnacht.

Marieke den Braber

< Terug