< Terug

De klankrijke wereld van de psalmen

De Hebreeuwse psalmen zijn dichterlijke teksten. Zijn het in oorsprong ook liederen? Een beknopte, vreugdevolle tekst als Psalm 98 wekt zeker de indruk een lied te zijn: een ‘nieuw lied voor de Heer’. Maar nu Psalm 119: een meditatief getint dichtwerk van 22 stanza’s in 176 lange versregels. Het zingen van zo’n tekst vergt wel een erg lange adem.

De vraag of en in hoeverre de psalmen in oorsprong liederen zijn, staat in samenhang met andere vragen. Met welk doel zijn teksten als deze gedicht? In wat voor situaties zijn ze tot stand gekomen? Van wat voor mensen zijn ze afkomstig? Soms lijkt een psalm zelf in het opschrift antwoord te geven op zo’n vraag. Maar lang niet altijd zijn de antwoorden bevredigend. Want is het aannemelijk dat – zoals het opschrift zegt – Mozes de dichter van Psalm 90 is? Het gebed aan het slot van die tekst, ‘bevestig het werk van onze handen, lijkt meer te passen bij een volk van boeren en ambachtslieden dan bij een volk dat zwerft in de woestijn. In Psalm 63 is de gezindheid van ‘de koning’ (vs. 12) duidelijk in harmonie met die van de spreker. Hoe dat als in deze psalm David spreekt, die door koning Saul wordt vervolgd? En is in vers 2 het ‘dorstige land’ een woestijn in de letterlijke zin? Psalm 142 heet door David te zijn gedicht ‘toen hij in de grot was’. Echter, in vers 8 spreekt een mens in gevangenschap.

We komen doorgaans verder als we uitgaan van de eigenlijke psalm. In principe kunnen we zo’n tekst op drie manieren bekijken: als literaire schepping, als onderdeel van het psalmboek (canonieke context) en als uiting in een bepaalde situatie (historische context). Wat het eerste aspect betreft: met hun parallelle versdelen en versregels, hun versritme, hun beeldende taal en gevarieerde stilistische vormen zijn de psalmen duidelijk gedichten. Over dat aspect is van alles te zeggen: we kunnen spreken over de opbouw van het gedicht, over literaire technieken, over het effect van een klankenpatroon. Maar dit alles betreft de afzonderlijke teksten en gaat de grenzen van een artikel te buiten. Wat hier wel in het kort worden besproken, zijn de twee andere aspecten: de canonieke context en de historische.

Psalmen in het psalmboek

Willen we een psalm bezien in zijn canonieke context, dan kunnen we weer verschillende uitgangspunten kiezen. We kunnen uitgaan van wat een opschrift zegt over de dichter en proberen de tekst zó te lezen als hij gelezen is door degene die de notitie toevoegde. Dat heeft zeker waarde: we leren iets over het denken van hen die de psalmenbundel tot stand hebben gebracht. We kunnen ook een literair gezichtspunt kiezen en proberen te begrijpen, bijvoorbeeld, waarom een bepaalde psalm volgt op een bepaalde andere psalm. We vinden dan dat teksten na elkaar kunnen zijn geplaatst omdat ze een begrip gemeen hadden (in Psalmen 34 en 35 de engel van JHWH) of een motief (in Psalmen 50 en 51 het oordeel over dierlijke offers). Of we kunnen zoeken naar meeromvattende structuren. Hier wil ik aandacht geven aan een grotere structuur aan het eind van het psalmboek. Ik neem Psalm 145 als uitgangspunt.

Psalm 145, een ‘lofzang van David’ op het koningschap van JHWH, is een acrostisch gedicht: elke volgende versregel begint met een volgende letter van het Hebreeuwse alfabet. Dat alfabet heeft de auteur kennelijk geïnspireerd. Met de letters k, l, m – in omgekeerde volgorde het Hebreeuwse woord voor ‘koning’ – beginnen na elkaar drie verzen die hetzelfde woord voor ‘koningschap’ bevatten. De slotletter t is gebruikt om het laatste vers te laten beginnen met tehila, ‘lofprijzing’. Wat nu opmerkelijk is: ook het opschrift begint met dat woord. Waarom is dat opmerkelijk? Ten eerste omdat op die manier ‘inclusie’ ontstaat: het slot van de tekst correspondeert met het begin. Ten tweede omdat in de psalmen geen enkel ander opschrift het woord tehila heeft. De twee gegevens, samen genomen, wekken sterk de indruk dat het opschrift niet stamt van een redacteur, maar van de auteur zelf. Een gegeven dat die indruk ondersteunt, is dat Psalm 145 zou passen in de mond van David zoals ons die wordt voorgesteld in het bijbelboek Kronieken. Zo komt de uitspraak ‘Groot is de HEER en zeer te loven’ zowel voor in Psalm 145 (vs. 3) als in de lofzang die David volgens Kronieken liet zingen bij de inwijding van zijn heiligdom (1 Kron. 16:25); beide teksten bevatten ook de wens dat men ‘spreekt (in ontzag) van JHWH’s wonderen’ (Ps 145:5; 1 Kron. 16:9). Opmerkelijker nog is het dat de voorstelling die de psalm geeft van het koningschap van JHWH, volkomen overeenkomt met de voorstelling in Kronieken. Essentieel in het oudere, traditionele beeld van het goddelijke koningschap was de notie dat Israëls God heerst over de chaos en zorgt dat de wereld vaststaat. Die notie werd geassocieerd met Sion en de tempel als plaats van JHWH’s troon.1 Echter, in de tijd van David was JHWH’s heiligdom een tent, gespannen zuidelijk van de plaats van de latere tempel – aldus de overlevering. In het lied van 1 Kronieken 16, samengesteld uit Psalm 96 en delen van Psalmen 105 en 106, zijn daarom woorden die in Psalm 96 deden denken aan de tempel (zie vs. 6, 8), door andere woorden vervangen (zie 1 Kron. 16:27, 29) en is de associatie van Gods koningschap met de vaste stand van de aarde door wijziging van de tekstvolgorde geblokkeerd (vgl. 1 Kron. 16:30-31 met Ps. 96:9-10).

Opmerkelijk is nu dat ook Psalm 145 over het heiligdom van JHWH en het vaststaan van de aarde met geen woord spreekt. De psalm kon dus heel goed zijn gedicht door David zoals Kronieken hem schildert.

Psalm 145 maakt deel uit van een reeks psalmen ‘van David’. In Psalm 138, de openingstekst, dankt een koning God voor diens toezegging van hulp tegen vijanden. Hierop volgen enkele psalmen van verschillende inhoud. Vervolgens blijkt Psalm 145 een scharnierfunctie te hebben. Behalve als slot van de psalmen ‘van David’ kan hij namelijk ook worden begrepen als eerste van een reeks lofzangen. Binnen die tweede reeks bestaan samenhangen:

– De Psalmen 145 en 146 spreken beide van de eeuwige duur van het koningschap van JHWH en van zijn zorg voor hongerigen en gebogenen. Psalm 147 deelt met Psalm 146 karakteristieke woorden.2 Begrippen uit het slot van Psalm 148 keren terug in het openingsvers van Psalm 149.

– De Psalmen 146-149 lopen alle vier uit op een passage die spreekt van de bijzondere positie van Israël.

– Nadat ‘David’ Psalm 145 heeft besloten met de wens dat al het levende JHWH’s naam zal ‘zegenen’ (loven), begint Psalm 146 met de woorden ‘Loof, mijn ziel, de HEER. Ik wil de HEER loven mijn leven lang!’ – en de lofprijzing eindigt dan pas met Psalm 150. De Psalmen 146-150 kunnen dus worden begrepen als antwoord op Davids wens.

Overigens neemt Psalm de reeks een aparte plaats in: hij lijkt ervoor te zijn geschreven om het slot van het psalmboek te vormen.

Wereld van de psalmen

Wie zich een voorstelling wil vormen van de oorspronkelijke functie van de psalmen, moet weten in wat voor wereld ze zijn ontstaan. Op grond van taalkundige en inhoudelijke argumenten kan worden gesteld dat de meerderheid van de psalmen is ontstaan vóór 300 v.Chr. Dit betekent dat ze stammen uit een wereld waarin het godsdienstige leven was georiënteerd op heiligdommen of een centraal heiligdom. De wereld van de psalmen was dus een cultische wereld. Het is waar dat Israëls godsdienst gaandeweg is gekleurd door andere dan cultische tradities: door de profetie, de wijsheidsleer, de Tora-vroomheid. Maar acultisch is deze, zolang de tempel bestond, nooit geworden. Nemen we nu in overweging dat de psalmen herhaaldelijk spreken over Sion en de tempel als woning van God, en dat ze behoren tot de erkende heilige geschriften van het jodendom, dan is het aannemelijk dat het teksten zijn die waren aanvaard en geautoriseerd binnen de officiële cultische religie. Waarschijnlijk zijn deze teksten in het tempelarchief bewaard. Uit dat archief kon worden geput voor de tempelzang en de teksten konden worden geraadpleegd bij de beoefening van de religieuze dichtkunst. Daar zullen ze ook zijn gebundeld.

In de psalmen zijn enkele traditionele tekstsoorten (genres) te onderscheiden. Basaal zijn het gebedslied en het loflied. Het gebedslied van de enkeling is als teksttype rijk vertegenwoordigd. Daarnaast vinden we collectieve gebedsliederen. Ook het hymische loflied is een oorspronkelijk genre, hoewel het vooral is vertegenwoordigd door teksten uit de latere tijd. Het danklied is de tegenhanger van het gebedslied. Dit type omvat weer twee genres: het danklied van de enkeling en dat van de gemeenschap. Het collectieve danklied lijkt echter pas na de ballingschap tot ontwikkeling te zijn gekomen; het verschilt weinig van het hymnische loflied en vermengt zich daarmee. De verschillende teksttypen worden, behalve door een specifieke inhoud, gekenmerkt door eigen traditionele motieven en uitdrukkingswijzen. Overigens zijn heel wat psalmen niet onder een bepaald type te rangschikken. Sommige onderscheiden zich door een specifiek motief en vormen dan toch een eigensoortig groepje. Veel andere onttrekken zich aan elke indeling.

Het kan niemand ontgaan dat de traditionele tekstsoorten in directe samenhang staan met basisgegevens van het menselijk bestaan: nood en ontreddering, verlossing en blijdschap. In de tijd waarin de teksten ontstonden was de verering van JHWH, zoals we zagen, in belangrijke mate cultisch. Het ligt daarom voor de hand, en wordt door allerlei gegevens bevestigd, dat de traditionele genres functioneerden binnen die cultische religie. Betekent dit dat teksten behorend tot deze genres zijn gezongen of gereciteerd in de tempel? Ten aanzien van de liederen van de gemeenschap en de individuele dankliederen is dit, in het algemeen gesproken, aannemelijk (zie voor de dankliederen bijvoorbeeld Ps. 22:23-27). Bij de individuele gebedsliederen – meest smeekgebeden van zieken en aangeklaagden – is de situatie minder duidelijk. Een belangrijke overweging is dat zieken vaak als onrein golden en dus niet op de heilige plaats mochten verschijnen, als zij dat al konden. Hoe functioneerden dan hun gebeden? Volgens Jezus Sirach 38:11 kon voor de zieke een offer worden opgedragen; het is goed denkbaar dat bij zo’n offer een gebedspsalm werd gereciteerd. Aandacht verdient in dit verband ook het opschrift lamnatséach (vertaald als ‘voor de koorleider’), dat vrij veel voorkomt boven gebeden van enkelingen. Een menatséach is iemand die leiding geeft en daarbij een muziekinstrument kan gebruiken.3 In de psalmopschriften, waar hij herhaaldelijk samen met Asaf of de Korachieten wordt genoemd, moet hij wel een tempelfunctionaris zijn. Het nomen nétsach, met menatséach verwant, betekent ‘duur, bestendigheid’. De menatséach had blijkbaar als taak ‘bestendigheid’ te bewerken: hij zorgde ervoor dat arbeidskrachten of musici in de maat bleven. Aan het opschrift lamnatséach is vaak een element toegevoegd dat, voor zover begrijpelijk, een uitvoeringswijze of een melodie aanduidt (zie bijv. Ps. 4:1; 22:1). Dus als ik het goed zie, bedoelt de notitie lamnatséach te zeggen dat de betrokken tekst ter hand moet worden gesteld aan de ‘maataangever’, die zorgt voor de juiste uitvoering. Is dat de betekenis, dan kunnen gebedsliederen die dit opschrift hebben, inderdaad zijn gezongen op de heilige plaats.

Tempelzangers

Het lijdt geen twijfel dat in de tempel van Jeruzalem al vóór de ballingschap zangers optraden. Psalm 68 beschrijft een feestelijke optocht in het heiligdom, waaraan wordt deelgenomen door zangers, snarenspelers en meisjes met tamboerijnen (vs. 25-27). Dat de zangers hier bepaald cultische functionarissen zijn, is intussen niet zo zeker. De tempel in het pre-exilische Jeruzalem was behalve cultisch centrum ook zoveel als ‘hofkapel’; het was een koninklijk heiligdom. Het is dus mogelijk dat de zangers en spelers, genoemd in Psalm 68, zowel in het paleis als in de tempel dienst konden doen (vgl. 1 Kon. 10:12).

De situatie na de ballingschap verschilde sterk van die ervoor. De tempel werd herbouwd, maar was geen koninklijk heiligdom meer, en de zangers hoorden nu bij het lagere cultuspersoneel. In een opsomming van hen die uit de ballingschap waren teruggekeerd, heten zij ‘zonen van Asaf’ en worden zij, evenals de poortwachters, van de Levieten onderscheiden.4 Maar een latere lijst van inwoners van Jeruzalem stelt de zangers in rangorde hoger: zij gelden nu als Levitisch. Ook verdient het opmerking dat hier een nakomeling van ‘Jedutun’ als zanger wordt genoemd in Nehemia 11:17. Weer anders is de situatie in de opschriften van de psalmen, waar we naast de ‘zonen van Asaf’ de ‘Korachieten’ tegenkomen: een stand van zaken die we ook in een verhaal in het late boek Kronieken aantreffen.5 In Kronieken zijn de Korachieten meestal poortwachters; daarmee behoren zij tot een klasse van cultus-dienaren die in de boeken Ezra en Nehemia geldt als niet-Levitisch. In de Pentateuch worden de Korachieten niettemin bij de stam Levi gerekend. Status was voor deze groepering ook belangrijk. Het boek Numeri vertelt dat voorvader Korach streefde naar de priesterlijke waardigheid – wat hij en zijn medestanders met de dood bekochten. Uit de Korachieten is het zangersgilde ‘Heman’ voortgekomen (1 Kron. 6:1823). Intussen is nog een derde zangersgilde ontstaan, met een naam die we al tegenkwamen: Jedutun. Kronieken kent nu drie zangersgilden, die alle drie Levitisch zijn (2 Kron. 8:14): zonen van Asaf, zonen van Heman, en zonen van Jedutun. Asaf heet nog door David te zijn aangesteld; in opsommingen van de zangers noemen sommige teksten als voorvader dan ook hem alleen (1 Kron. 16:5, 7), of hem als eerste (1 Kron. 16:37, 41 e.a.). In andere teksten neemt echter Heman de eerste plaats in:6 een duidelijk succes in het Korachitische status-streven. Ten slotte maakt ‘Jedutun’ nog plaats voor ‘Etan’, een naam die zal zijn gekozen naar analogie van ‘Heman’ (1 Kon. 5:11, Ps. 89:1).

Psalmen in de tempelliturgie

Uit verschillende gegevens blijkt dat allerlei psalmen die wij kennen, zijn gezongen – mogelijk in beurtzang tussen voorzanger en koor of tussen twee koren – in de officiële Jeruzalemse tempelliturgie.7 Op vieringen van het postexilische Loofhuttenfeest, vroeg in de nacht (vgl. Jes 30:29), klonken bij processies (‘opgangen’) naar de tempel de Psalmen 120-134; op een later moment, terwijl de feestgangers in de voorhof van het heiligdom stonden,8 zongen de tempelzangers Psalm 135 (naderhand Psalm 136). Het bekende refrein ‘Want hij is goed, ja, voor altijd duurt zijn goedgunstigheid uit de psalmen, is in Kronieken de kern van de liturgische lofprijzing.9 Voor de auteurs van dit boek is heel de liturgische zang in essentie lofprijzing; daarom ligt het voor de hand dat veel lofliederen van ons psalmboek voor de tempelliturgie bestemd zijn geweest. Ook andere liederen van de gemeenschap, en de psalmen ‘van Asaf’ en ‘van de Korachieten’, kunnen gelden als van oorsprong liturgische teksten.10

Hoe staat het nu met de liederen van de enkeling? Over het cultische gebruik van de gebedsliederen valt weinig met zekerheid te zeggen. Maar dat dankliederen van de enkeling deel konden uitmaken van de officiële liturgie, lijkt waarschijnlijk. 11 Het is verder een opmerkelijk gegeven dat Psalm 30, een individueel danklied, is gezongen bij de herinwijding van de tempel in 165 v.Chr. (zie vs. 1). Blijkbaar kon het ‘ik’ van een individueel lied worden betrokken op de gemeenschap. Interessant zijn in dit verband die psalmen waaraan naderhand elementen zijn toegevoegd. In Psalm 102 contrasteren de verzen 13-23 en 25b-29 duidelijk met de rest van de psalm. Door de samenvoeging van tekstgedeelten werd hier het lijden van – waarschijnlijk – een zieke tot een lijden dat elke Israëliet ervoer bij het zien van Sions rampspoed. Psalm 51, een individueel gebedslied, is aangevuld met de verzen 2021: zo verwoordde de psalm het gevoelen van heel het volk. Liederen, op die manier verbreed, konden dienen in de officiële liturgie.

Zangers als geïnspireerden

Muziek had de potentie een geestestoestand op te roepen waarin profetie werd geboren. In 2 Koningen 3 wordt verteld hoe de koningen van Juda en Israël tijdens een veldtocht God raadplegen door de profeet Elisa. De profeet vraagt om een snarenspeler, en als die gaat spelen, ‘komt de kracht van JHWH over Elisa’, zodat hij kan profeteren. In Exodus 15 is sprake van een feestelijkheid waarin Mirjam leiding geeft aan meisjes met tamboerijnen, die zingen en dansen. Het zal niet toevallig zijn dat Mirjam hier ‘profetes’ wordt genoemd (vs. 20). Enthousiasme zoals dat zal zijn ervaren bij muziek, dans en lofprijzing – vooral op het Loofhuttenfeest, hét feest van JHWH –, kon uitlopen op geestvervoering. In een dergelijke sfeer past wat gezegd wordt over de tempelzanger Heman: als ‘ziener van de koning’ vertolkte hij ‘de woorden van God om de hoorn te doen rijzen’ – ofwel: in Hemans profetische lofprijzing manifesteerde zich kracht en luister.12 We horen vaker over profetie bij de tempelzangers. Evenals Heman wordt ook Asaf een ‘ziener’ genoemd. Verteld wordt dat Asaf, Heman en Jedutun ‘profeteerden bij het spel van lieren, harpen en cimbalen’ en dat een Asafiet in extase een godswoord sprak in het heiligdom.13

Een en ander werpt licht op een gegeven dat nog niet ter sprake is gekomen: de godswoorden in de psalmen. Goddelijke toezeggingen voor de koning (zie Ps. 2; 21; 60; 110; 132) kunnen oudtijds in de tempel zijn gereciteerd door profeten die in nauwe relatie tot het hof stonden; en meer godswoorden zou men aan hen kunnen toeschrijven (zie Ps. 81). Maar de profetische Psalm 50, met zijn voorkeur voor de lofprijzing als gelofteoffer, moet wel overeenkomstig het opschrift stammen uit een kring van tempelzangers. In het algemeen zullen godswoorden in latere psalmen (zie nog Ps. 85; 95) door tempelzangers zijn gesproken. Bij dit alles moeten we echter rekening houden met een zekere verambtelijking. In Jeremia 29 is sprake van een priester die speciaal was belast met het toezicht op ‘razenden’ en lieden die ‘de profeet uithingen’; hij kon die zo nodig vastzetten (vs. 26). De Jeruzalemse priesterschap stond kennelijk gereserveerd tegenover uitingen van extase en zal hebben getracht die in reguliere banen te leiden. Godswoorden zoals we ze in de psalmen vinden, waren dan ook geen spontane uitingen: ze waren vooraf vastgelegd in een liturgische tekst.

Voorbij het traditionele

Veel in de psalmen is traditioneel bepaald, maar zeker niet alles: alleen al de vele psalmen die buiten de traditionele genres vallen, laten dat zien. Opvallend persoonlijke getuigenissen vinden we met name in latere teksten. Ik geef drie voorbeelden. In Psalm 116 spreekt een emotioneel en aanhankelijk mens. Door zijn onbezonnenheid, zo horen we, was hij beland in een diepe persoonlijke crisis, waarin hij meende ‘zeer in verdrukking’ te zijn, en waarin hij ‘alle mensen’ als ‘leugenaars’ beschouwde (vs. 10-11). Nu dankt hij zijn God, die ‘de argelozen behoedt’ (vs. 6). Psalm 139, heel anders getoonzet, brengt ons in aanraking met een bijzondere vorm van religiositeit: een mystiek getinte vroomheid die aanvaard moet zijn geweest in de officiële cultische religie.14 De spreker van de psalm vraagt zich af of zijn haat jegens hen die God weerstreven, zuiver is. Als een mens die van vóór zijn geboorte bij God verkeert, beseft hij ‘zeer onderscheiden’ te zijn. Aan het duister van de nacht – waarin het innerlijk wordt doorzocht – geeft hij zich over, en hij vraagt zijn God hem te toetsen en te leiden. Weer heel anders is Psalm dat lange gedicht, geordend naar het Hebreeuwse alfabet, getuigt een vermoedelijk nog jonge man (zie vs. 9-10, 99-100) van zijn diepe, onbaatzuchtige liefde voor het spreken van God. Wat bij deze bidder opvalt, is zijn affiniteit met de wijsheidstraditie, een denken dat we kennen uit Spreuken, Job en Prediker.

Hij gebruikt typische ‘wijsheids’termen en hecht sterk aan inzicht. Als door een wijsheidsleraar wordt hij door God zelf onderwezen in de weg die hij gaan moet.

Studiegebied

De psalmen, al dan niet als liederen gezongen, brengen ons in aanraking met een veelheid van menselijke ervaringen, gevoelens en gedachten; ze zijn een wereld op zichzelf. Willen we ons erin begeven, dan kan die wereld de onze verrijken.

Literatuur

J.L. Crenshaw, The Psalms. An Introduction, Grand Rapids/Cambridge: Eerdmans 2001.

A.G. Hunter, An Introduction to the Psalms, London: Clark 2007 (met bibliografie).

J. Becker, Wege der Psalmenexegese, Stuttgart: KBW Verlag 1975.

O. Keel, The Symbolism of the Biblical World, Ancient Near Eastern Iconography and the Book of Psalms, New York: Seabury Press 1978.

< Terug