< Terug

De lange adem van de profeten

De lange adem van de profeten

Bij Jesaja 35,1-11, Psalm 146, Jakobus 5,7-10 en Matteüs 11,2-11

Tussen de lezingen voor deze dag lopen heel wat lijntjes. In het evangelie wordt uit de profetenlezing geciteerd over de tekenen van het heil. Ook het beeld van een gebaande weg door de wildernis neemt het evangelie uit de profetie van Jesaja over. Wat Jakobus zegt over het lijden en de lange adem (Gr.: makrothumia) van de profeten kan voor Jesaja gelden, maar is ook precies de proef die Johannes de Doper in Matteüs 11 doorstaat.

Jesaja en Jakobus roepen op tot sterk zijn: niet om iets te doen, maar om het vol verwachting uit te houden. Dan is er nog Psalm 146, die de Eeuwige bezingt in termen die nauw aansluiten bij de tekenen van het komende Koninkrijk die Jesaja noemt en waarop Jezus de leerlingen van Johannes de Doper wijst: Hij bevrijdt gevangenen, doet blinden zien, voedt de hongerigen, beschermt vreemdelingen. Dat de verliezers van deze wereld om die bevrijdende daden schreeuwen, is een klassiek adventsthema, en in een moderne setting ligt het dan voor de hand om te zeggen dat wijzelf in Godsnaam tot handelen geroepen worden, omdat we er met ‘stil maar, wacht maar’ niet komen.

Tussen verwachting en vervulling

Maar de psalm, de profetie en het evangelie roepen niet op tot dadendrang. Natuurlijk, wie op deze bevrijdende God is ingetuned, zal daarnaar leven en dat is goed voor de wereld. Maar het perspectief van de teksten is dat bevrijding ons overkomt – als de Eeuwige ons overkomt, of als iets van Hem in Jezus ons leven aanraakt. Het is niet iets dat wij moeten waarmaken: de kunst is om het te verwachten en te verwelkomen. Ook als het lang duurt voordat het komt, of als het ánders komt dan we hadden gedacht. Dat is de kunst van Advent.

Johannes de Doper is in dat verband een aangrijpende figuur. Hij belichaamt het scharnierpunt tussen traditie en toekomst, tussen verwachting en vervulling. Hij is in persoon de profetie die haar licht op Jezus laat vallen – en het dan niet meer weet. Als stem van heel de profetische traditie verlangt hij hartstochtelijk naar de grote schoonmaak: naar de Messias met de bezem en de bijl en de zeef, die alle onzuiverheid de wereld uit jaagt. Als Jezus verschijnt, zegt iets hem dat dit de Komende is, maar alles aan Hem is anders dan wat hij verwachtte. Op die manier is hij de grootste en de minste tegelijk (Mat. 11,11): hij is het summum van gelovig verlangen, maar hij heeft geen idee van hoe het zal zijn.

Het is een paradoxaal evangelie: aan Johannes moet worden verteld over de bevrijdende daden van Jezus, maar Johannes zelf zal sterven in de kerker van waaruit hij zijn vraag aan Jezus liet overbrengen. Maar Jezus zegt niet rechtstreeks dat de verwachtingen van Johannes niet aansluiten bij hoe Gods koningschap komt. In plaats daarvan speelt Hij met de verwachtingen die het volk had van Johannes. Ze hadden geen idee. Johannes had ook geen idee. Zouden wij dan wel een idee hebben van wat er komt en hoe het komt als God onze wereld aanraakt?

Zoek tekenen van heil

Dat lijkt me voor Advent een belangrijk gegeven uit dit evangelie: dat onze verwachtingen niet de mal zijn waarin God de vervulling zal gieten. Ze zijn eerder de oogkleppen waardoor we het heil niet zien, terwijl het allang overal ritselt. Het is misschien een mooie adventsopdracht: zoek tekenen van heil, benoem ze, ook die waarbij je sputterend ‘maar’ zegt omdat je vindt dat ze eigenlijk niet meetellen. Misschien zitten er patronen achter die wij helemaal niet kunnen zien, omdat onze verwachtingen ons er niet voor geprogrammeerd hebben.

Jezus laat Johannes de Doper anders kijken, en tegelijk laat Hij hem ook in zijn gevangenis zitten tot het uur van zijn dood. Verandert Jezus iets aan Johannes’ wereld? Niet in termen van ons rechtsgevoel en onze dadendrang. Maar Johannes leeft en sterft met een nieuw perspectief. In spirituele zin verandert Jezus zijn wereld drastisch. Het is een verandering die alleen gesignaleerd wordt als we, naar de raad van Jakobus, de makrothumia van de profeten oefenen.

Oefen geduld en aandacht

Misschien helpt het om hier het verschil in herinnering te brengen tussen fitness en yoga. Fitness is de lichamelijke oefening van de dadendrang, een manier om je eigen kracht de wereld in te persen tot deze helemaal op is, in de hoop dat je dan een goed resultaat hebt neergezet. Het is geen oefening in ontvankelijkheid voor subtiele signalen of zachte krachten. Yoga – vergelijkbaar met de spirituele meditatievormen van het monastieke christendom – is de lichamelijke oefening van aandacht en afwachten. Yogahoudingen brengen iets als je erin leert wachten, op de ontspanning van de allerkleinste spiertjes, als je aandachtig luistert naar hoe je lichaam in de wereld is en hoe middels je adem de wereld in jou is. In die zin is yoga een adventsoefening. Er is niet meer of minder kracht en volharding voor nodig dan voor fitness: het is vooral een andere attitude, een andere concentratie – het is wachten en aandacht.

Zowel Jesaja 35,4 als Jakobus 5,8 roept op tot het stevig maken van het hart, dus tot kracht, maar dan het soort kracht dat samengaat met geduld, lange adem, en aandacht voor alle signalen van binnen en van buiten. Als ik waarschuw tegen dadendrang, doe ik dat niet ten gunste van vormen van softheid of passiviteit, maar ten gunste van een vorm van waarnemen die we in ons productiviteitsdenken en vooruitgangsdenken hebben afgeleerd. Het koningschap van God lost niet alle problemen op, maar het is wel degelijk rakelings dichtbij. Advent is oefenen om daar sensitief voor te worden.

Piet van Veldhuizen

< Terug