< Terug

De Me Too-beweging en de kerken

Nieuwe ontwikkelingen in het denken over grensoverschrijdend gedrag

De Me Too-beweging en de kerken

Op 11 maart 2020 heeft een rechter uit New York de bekende filmproducent Harvey Weinstein een gevangenisstraf van 23 jaar opgelegd wegens verkrachting en aanranding.[1] De zaak tegen Weinstein trok internationaal veel belangstelling, omdat beschuldigingen aan zijn adres de zogenaamde Me Too-beweging op gang hebben gebracht. Weinstein bleek jarenlang systematisch zijn macht als sleutelfiguur in de filmwereld misbruikt te hebben om zich op te dringen aan vrouwen en seks te eisen. Hoewel medewerkers en collega’s van dit misbruik op de hoogte waren, werd er niet ingegrepen. Toen de beschuldigingen aan het adres van Weinstein eind 2017 door The New York Times en The New Yorker naar buiten werden gebracht, kwamen eerst tientallen en later duizenden vrouwen over de hele wereld naar buiten met soortgelijke verhalen. Zij vertelden over hun ervaringen met grensoverschrijdend gedrag van leidinggevenden, collega’s, familieleden en bekenden. Door hierover in alle openheid te spreken, werd een taboe doorbroken.

De Me Too-beweging heeft sinds 2017 een groot aantal (relatief) machtige mannen in allerlei maatschappelijke sectoren in de problemen gebracht. Ook in de sport (coaches) en de politiek bleken invloedrijke mannen hun macht gebruikt te hebben om zich op te dringen aan meisjes en vrouwen die van hen afhankelijk waren. Na beschuldigingen aan zijn adres werd bijvoorbeeld chef-dirigent Daniele Gatti in de zomer 2018 ontslagen door het Concertgebouworkest. In de Verenigde Staten werd er in veel kerken naar aanleiding van de publiciteit rond de Me Too-beweging opnieuw aandacht gevraagd voor het probleem van grensoverschrijdend gedrag van pastores.[2] Tot 2017 richtte de aandacht zich voornamelijk op de misbruikaffaires in de Rooms-Katholieke Kerk. Daarbij ging het vooral om het misbruik van minderjarigen door geestelijken en door medewerkers van rooms-katholieke instellingen. De Me Too-beweging heeft de aandacht gevestigd op het misbruik van meerderjarige vrouwen door mannen in (relatieve) machtsposities. Ook in kerken brachten vrouwen verhalen naar buiten over hun ervaringen met harassment (seksuele intimidatie) en misbruik door pastores. Dat leidde tot het vertrek van een aantal prominente voorgangers. Een voorbeeld is het terugtreden in april 2018 van Bill Hybels, voorganger van een megakerk in Chicago en aanjager van de Willow Creek-beweging.[3]

Ook postuum werden prominente theologen en kerkleiders beschuldigd van langdurig en soms grootschalig misbruik. Begin 2019 bracht L’Arche International, een organisatie die zich inzet voor mensen met een beperking, een rapport naar buiten over Jean Vanier, de stichter van de organisatie. De vorig jaar overleden Vanier zou tussen 1970 en 2005 tenminste zes vrouwen seksueel hebben misbruikt.[4] Maar ook zaken uit een verder verleden blijven de gemoederen bezig houden. In Australië wordt de Hillsong Church nagedragen dat zij niet heeft ingegrepen na beschuldigingen van misbruik aan het adres van de stichter van de kerk, Frank Houston. Door de lakse houding van de kerkleiding kon Houston († 2004) in de loop van enkele decennia tientallen slachtoffers maken.[5]

Minstens even schokkend is het gedrag van de bekende progressieve theoloog en ethicus John Howard Yoder (1927-1997). Na zijn overlijden werd bekend dat hij zich heeft misdragen tegenover tenminste honderd vrouwen, meestal studenten en medewerkers in een ondergeschikte positie. Zijn wangedrag varieerde van stalking tot aanranding en verkrachting. Door tegenwerking van Yoder zelf en de lakse houding van kerkbesturen en universiteiten werd Yoder nooit bestraft. Omdat Yoder in zijn geschriften een pleitbezorger was van vrouwenrechten en inclusieve kerkgemeenschappen, rijst de vraag wat theologen aan moeten met zijn geestelijke erfenis. Ook worden er kritische vragen gesteld aan het adres van zijn collega’s, onder wie Stanley Hauerwas, die voor Yoders wangedrag verzachtende termen gebruikten, zoals ‘problematisch gedrag’, ‘ongepaste relaties’ en ‘verleiding’.[6]

De aanhoudende stroom van geruchten over grensoverschrijdend gedrag van pastores was voor de Southern Baptist Convention in de Verenigde Staten aanleiding om een groot intern onderzoek te starten. Bij deze federatie van kerken zijn ongeveer 47.000 lokale gemeenschappen aangesloten met in totaal ruim 14 miljoen leden. In de periode van 1998 tot 2018 zouden 380 predikanten en andere medewerkers zich schuldig hebben gemaakt aan seksueel misbruik.[7] In reactie op het rapport heeft de kerkleiding een aantal maatregelen voorgesteld op het gebied van preventie en klachtafhandeling.

In Nederland is er van officiële kerkelijke zijde nog niet gereageerd op de maatschappelijke ontwikkelingen sinds het ontstaan van de Me Too-beweging. Wel is er in november 2019 tijdens de synodevergadering van de Protestantse Kerk in Nederland een nota besproken met de titel Werk aan de schuilplaats!. Deze nota bevat een evaluatie van het beleid van de kerk rond seksueel misbruik vanaf 1999. Ook worden er aanbevelingen gedaan, zoals het invoeren van een VOG (Verklaring Omtrent Gedrag) voor kerkelijk medewerkers en bepaalde vrijwilligers en het aanstellen van vertrouwenspersonen in gemeenten. De nota is echter niet gebaseerd op nieuw onderzoek naar de aard en omvang van het probleem of naar ervaringen in andere landen.

Naar aanleiding van de discussie die de Me Too-beweging heeft opgeroepen, komen enkele vragen naar boven, namelijk:

  1. Wordt in de gedragscodes van Nederlandse kerken helder genoeg omschreven wat als ‘grensoverschrijdend’ geldt? Of is nadere precisering gewenst?
  2. Wat valt er te zeggen over de omvang van het probleem in de protestantse kerken in Nederland? Zijn gegevens en berichten uit het buitenland aanleiding om een nader onderzoek in te stellen?
  3. Wat valt er op basis van recent onderzoek te zeggen over de oorzaken van grensoverschrijdend gedrag van pastores? Kunnen we spreken van een ‘typische dader’?
  4. Welke preventieve maatregelen kunnen kerken nemen om grensoverschrijdend gedrag van pastores te voorkomen? Is uit onderzoek gebleken welke maatregelen effectief zijn en welke niet?

In dit artikel wil ik een eerste aanzet geven voor een gedachtewisseling over deze vragen. Daarbij beperk ik me tot de protestantse kerken, omdat over het misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk al veel is gepubliceerd.[8] Verder beperk ik me tot een reflectie over grensoverschrijdend gedrag van alleen pastores, omdat er over eventueel misbruik door andere kerkelijk medewerkers nauwelijks onderzoeksgegevens beschikbaar zijn. Bovendien heeft grensoverschrijdend gedrag van pastores relatief grote gevolgen voor de kerk, omdat zij sleutelfiguren zijn in hun gemeenten. Hun gedrag verdient daarom extra aandacht.

Wat is grensoverschrijdend gedrag?

Door de Me Too-beweging is de vraag welk type gedrag als ‘grensoverschrijdend’ moet worden bestempeld urgenter dan ooit. In de nasleep van de affaire-Weinstein werd immers duidelijk dat niet alleen expliciet seksuele handelingen, maar ook stalking, dreigementen, beloften, het sturen van berichtjes of naaktfoto’s als vormen van grensoverschrijdend of intimiderend gedrag moeten worden beschouwd. En dat in de relatie tussen leidinggevende en medewerker, professional en cliënt, pastor en pastorant het altijd de eerstgenoemden zijn die de grenzen moeten bewaken.[9] Bij het opstellen van een gedragscode of bij de (na-)scholing van predikanten moet met al deze nuances rekening worden gehouden. Hoe lastig dat is, blijkt als de tekst van een bestaande gedragscode vanuit dit nieuwe perspectief wordt gelezen. Als voorbeeld citeer ik de Beroepscode voor predikanten van de Protestantse Kerk:

(de predikant) onderneemt in een contact uit hoofde van zijn/haar ambt of dienst geen seksuele toenaderingspogingen in de vorm van seksuele handelingen, of toespelingen op of uitnodigingen tot seksueel contact en ziet af van gedragingen die als zodanig kunnen worden uitgelegd, en gaat ook niet in op seksuele toenaderingspogingen van zijn/haar gesprekspartner.[10]

Het valt ten eerste op dat gekozen is voor de omslachtige formulering ‘geen seksuele toenaderingspogingen in de vorm van seksuele handelingen’. Uit onderzoek is gebleken dat de effectiviteit van een gedragscode vooral bepaald wordt door de leesbaarheid van de tekst en door de herkenbaarheid van de gekozen voorbeelden.[11] De effectiviteit kan bevorderd worden door eerst een heldere, beknopte basisnorm te formuleren, waaraan vervolgens uitleg gegeven wordt in de vorm van een toelichting. De hier bedoelde basisnorm zou als volgt verwoord kunnen worden: ‘een pastor mag onder geen enkele omstandigheid seksueel contact hebben met een pastorant en hij (zij) onthoudt zich van verbale en non-verbale uitingen die als grensoverschrijdend gelden’.[12] In een aparte toelichting kan dan uitgelegd worden wat verstaan wordt onder ‘grensoverschrijdend gedrag’.

In de tweede plaats is de toevoeging ‘ziet af van gedragingen die alszodanig kunnen worden uitgelegd’ [curs. JS] in het licht van de Me Too-beweging discutabel geworden. Soms is het immers moeilijk uit te maken hoe een handeling moet worden uitgelegd: het sturen van een bos bloemen op Valentijnsdag kan heel aardig overkomen óf als een vorm van stalking worden opgevat. Ook bepaalde aanrakingen kunnen heel verschillend worden opgevat.[13] De code moet de gebruikers niet in het onzekere laten over de vraag hoe iets ‘uitgelegd kan worden’, maar zelf bepaalde categorieën handelingen expliciet benoemen. Anders blijven zowel pastor als pastorant in het onzekere.

Tenslotte is de toevoeging ‘gaat ook niet in op seksuele toenaderingspogingen van zijn/haar gesprekspartner’ in het licht van de discussie over verkapt seksisme en grensoverschrijdend gedrag in organisaties onhoudbaar geworden. De toevoeging suggereert immers dat de pastor in sommige gevallen ‘slachtoffer’ zou zijn van de verleidingspogingen van een pastorant. In de literatuur wordt in dit verband meestal gesproken over ‘blaming the victim’ of ‘blaming the target’. Daarmee wordt bedoeld dat daders zich vaak verdedigen door te stellen dat zij in de val werden gelokt door het slachtoffer dat zich aan hen opdrong.[14] Als men een toevoeging wenst, zou die moeten luiden: ‘en de pastor is als professional altijd verantwoordelijk voor het bewaken van de grenzen’.

Een gedragscode is het meest gebruiksvriendelijk als deze eerst de basisnorm beknopt en helder verwoordt en vervolgens deze algemene richtlijn in de toelichting verder expliciteert. In het geval van grensoverschrijdend gedrag kan in de toelichting een opsomming gegeven worden van verschillende categorieën van ongewenst gedrag. In de literatuur worden vaak de volgende categorieën genoemd:

  1. Handelingen met een expliciet seksueel en erotisch karakter. Hieronder vallen onder andere: seksuele gemeenschap; ontkleden; betasten van borsten, billen of genitaliën; kussen op de mond; en omhelzen en strelen met erotische intentie.[15]
  2. Verbale en non-verbale uitingen die als opdringerig of intimiderend worden beschouwd (harassment). Als voorbeelden worden genoemd: het maken van suggestieve opmerkingen; versturen van dubbelzinnige berichtjes of foto’s; ongevraagd omhelzen, kussen, of op iemand leunen; uitnodigen voor een privé-ontmoeting; uitwisselen van cadeautjes (bijvoorbeeeld bloemen op Valentijnsdag) en het maken van complimenten.[16]
  3. Ambigu gedrag, dat wil zeggen gedrag dat verschillend kan worden beoordeeld. Hierbij worden als voorbeelden genoemd: het aanraken van hand, schouder of bovenarm in een pastorale setting; een korte omhelzing als begroeting; en het vasthouden van elkaars hand tijdens een gebed.[17]

Bij de morele beoordeling worden handelingen uit de eerste en de tweede categorie zonder uitzondering als ontoelaatbaar bestempeld. De derde categorie wordt verschillend beoordeeld: sommige deskundigen menen dat een professional zulke handelingen altijd moet vermijden. Anderen menen dat deze handelingen soms toelaatbaar zijn, waarbij de intentie van de actor en de reactie van de ontvanger de doorslag geven. Ik wil één voorbeeld eruit lichten: het vasthouden van de hand van een pastorant of een korte omarming in een pastorale setting.

Sommige pastores en psychotherapeuten zijn van mening dat het vasthouden van de hand of een korte omarming de enige manier kan zijn om een pastorant te bereiken. Als een pastorant zeer verdrietig of ernstig verward is, is een lichte aanraking volgens hen de enige manier om nog enige troost of steun te bieden.[18] Het gaat daarbij volgens hen om de intentie van de pastor: als deze de bedoeling heeft te troosten en te bemoedigen, dan is de aanraking toelaatbaar.

Anderen brengen tegen deze redenering zowel principiële als pragmatische bezwaren in stelling. Het principiële bezwaar richt zich op de taak en de competentie van de hulpverlener (i.c. de pastor). Het is de taak van de hulpverlener om de cliënt zodanig te begeleiden dat deze na enige tijd het leven weer zelfstandig aankan. Het kan zijn dat de hulpverlener tijdens het begeleidingstraject signaleert dat de cliënt grote behoefte heeft aan (lichamelijke) intimiteit en dat de cliënt de vaardigheden mist om daarin zelf te voorzien. Vanuit professioneel oogpunt moet de hulpverlener dan niet de ‘kortste route’ kiezen door zelf tegemoet te komen aan de behoeften van de cliënt. Hij (zij) moet vasthouden aan de ogenschijnlijk moeilijker weg van empowerment, dat wil zeggen het vinden en vergroten van de eigen kracht en capaciteiten van de cliënt. Als de cliënt dankzij de begeleiding de weg vindt naar nieuwe relaties of als de cliënt leert om te gaan met het gemis daaraan, is de hulpverlening effectief geweest.[19] En als dat niet lukt, moet de hulpverlener zich daarbij neerleggen, dat wil zeggen het eigen ‘falen’ onder ogen zien en dat verwerken. Daarnaast worden er pragmatische bezwaren genoemd. Als een cliënt in het verleden slachtoffer geworden is van seksueel misbruik of huiselijk geweld, kan een onverwachte aanraking tot grote verwarring leiden en dus een averechts effect hebben op de begeleiding en de relatie met de hulpverlener. En iedere aanraking, hoe goed bedoeld ook, maakt de hulpverlener kwetsbaar voor het verwijt dat hij (zij) zich schuldig zou maken aan grensoverschrijdend gedrag. Zeker in de omgang met psychisch verwarde mensen is dat risico niet denkbeeldig.[20] Vaak speelt gender hierbij een belangrijke rol: het wordt wel geaccepteerd als een vrouwelijke pastor een vrouwelijke pastorant aanraakt, maar niet als een mannelijke pastor dat doet. En overigens ook niet als een vrouwelijke pastor een mannelijke pastorant aanraakt.[21]

De principiële en pragmatische bezwaren wegen zwaarder dan de beoogde, maar empirisch moeilijk aantoonbare, voordelen van aanraking. Pastores doen er daarom goed aan om zich in hun gewone contacten te beperken tot verbale ondersteuning. Alleen bij mensen met dementie of bij ernstig zieken die niet meer tot spreken in staat zijn, is uiteraard een andere afweging mogelijk.[22] Soms kost het zoeken naar de juiste woorden veel inspanning, maar respect voor de persoonlijke levenssfeer van de pastorant en een gezonde vorm van zelfbescherming laten de pastor geen andere keuze.

De omvang van het probleem

Van kerken mag worden verwacht dat ze alert zijn op signalen van misbruik en grensoverschrijdend gedrag door pastores. Om een adequaat preventiebeleid te kunnen voeren, is inzicht in de omvang van het probleem uiteraard een eerste vereiste. In het buitenland is de afgelopen decennia een aantal keer onderzoek gedaan naar grensoverschrijdend gedrag van pastores. Daarbij ging het om verschillende typen van onderzoek. We noemden al eerder het onderzoek van de Southern Baptist Convention. Dit onderzoek was gericht op het verleden en beperkte zich tot officiële klachten en procedures.

Een ander type onderzoek richt zich op zelfrapportage door de beroepsgroep. Zo werd bij een Brits onderzoek de volgende vraag aan 43 pastores voorgelegd: ‘Heeft u sinds uw bevestiging ooit iets met iemand gedaan dat volgens u seksueel ongepast was?’. Van de respondenten beantwoordde 40% deze vraag met ‘ja’.[23] Bij een Amerikaans onderzoek werd aan 186 pastores de vraag gesteld of ze ooit ‘intiem seksueel contact’ of ‘seksuele gemeenschap’ met kerkleden hadden gehad. Op deze vragen werd door 15,5% respectievelijk 3,7% van de pastores met ‘ja’ geantwoord.[24] Een derde type onderzoek richt zich op de ervaringen van gemeenteleden. In de VS ondervroeg men 849 vrouwen die regelmatig de kerk bezoeken.

Een klein deel van hen (2,2%) beweerde weleens te maken te hebben gehad met ‘seksuele avances’ van een kerkleider. Ter vergelijking: in de werksituatie heeft 27,2% van de vrouwen in de VS weleens met avances te maken gehad.[25] De hierboven genoemde cijfers zijn overigens nauwelijks te vergelijken, omdat telkens andere vragen werden gebruikt en het aantal respondenten soms erg laag was.[26]

Uit ons eigen land zijn er nauwelijks betrouwbare cijfers beschikbaar over grensoverschrijdend gedrag van protestantse pastores. In Nederland coördineert ‘SMPR Meldpunt seksueel misbruik in de kerk’ de begeleiding van slachtoffers en de voorlichting over dit probleem in de Protestantse Kerk en in acht andere, kleinere kerkgenootschappen. Dit Meldpunt publiceert jaarlijks in het jaarverslag een overzicht van de meldingen en klachten waarvan het Meldpunt op de hoogte is. In het jaarverslag over 2018 werden de volgende cijfers vermeld (tabel 1)*:[27]

Het gaat dus om 9 klachten in vier jaar. Hoewel uit deze cijfers niet direct duidelijk wordt of de klachten alleen op pastores betrekking hadden of ook op andere ambtsdragers, kan wel de bovengrens worden aangegeven van het aantal pastores dat met misbruik in verband werd gebracht. Bij de negen kerken en kerkgenootschappen die samenwerken in het Meldpunt waren in de jaren 2018-2020 ongeveer 1860 predikanten, pastores of voorgangers werkzaam.[28] Dit betekent dat ten hoogste 0,5% van de dienstdoende predikanten en voorgangers in de periode 2015-2018 beschuldigd werd van misbruik. Daarbij moet worden bedacht dat niet alle klachten die het Meldpunt bereikten, resulteerden in een schuldigverklaring door de daartoe aangestelde colleges. Aan de andere kant zijn een aantal middelgrote protestantse kerken – zoals de Gereformeerde Gemeenten, de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), de Christelijke Gereformeerde Kerken, de Pinkstergemeenten en de Hersteld Hervormde Kerk – niet bij het Meldpunt aangesloten. Dit betekent dat klachten over predikanten of voorgangers van deze kerken niet in de cijfers zijn verwerkt.

In vergelijking met de eerder genoemde cijfers uit het buitenland is het genoemde percentage (maximaal 0,5%) nietttemin vrij laag te noemen. Het is mogelijk dat het aantal klachten in Nederland achterblijft, omdat slachtoffers zich niet melden. Het is ook mogelijk dat de structuur en de cultuur in de Nederlandse kerken wezenlijk verschilt van de Amerikaanse. De nauwe samenwerking met andere ambten en het toezicht vanuit de kerkenraden zoals we dat in Nederland kennen, zou preventief kunnen werken. Deze hypothese zou echter nader onderzocht moeten worden. En in het algemeen kan worden gezegd, dat er behoefte is aan een breder sociaal-wetenschappelijk onderzoek om de werkelijke omvang van het probleem in kaart te brengen.

Oorzaken

Sinds het begin van de jaren ’90 is de aandacht voor seksueel grensoverschrijdend gedrag van pastores sterk toegenomen, vooral doordat talloze misbruikaffaires in de Rooms-Katholieke Kerk aan het licht kwamen. Daarbij werd ook gezocht naar een verklaring voor dit evident deviante gedrag. Aanvankelijk zochten veel onderzoekers de verklaring in de machtongelijkheid tussen pastor en pastorant. Het seksuele wangedrag werd primair geduid als een vorm van machtsmisbruik. Over het misbruik verschenen boeken met titels als ‘The Abuse of Power: A Theological Problem’ en ‘Wolves within the Fold: Religious Leadership and Abuses of Power’.[29] In deze periode maakte Marie Fortune in een vaak geciteerde monografie onderscheid tussen twee dadertypes:

  1. de predator (het ‘roofdier’): een pastor die systematisch op zoek is naar slachtoffers. Men typeert deze dader vaak als een pastor die charmant en succesvol is, maar tegelijk narcistisch en manipulatief. Omdat hij altijd op zoek gaat naar nieuwe slachtoffers, moet hij uit het ambt verwijderd worden.
  2. de wanderer (de ‘zwerver’): een pastor die niet erg succesvol is in het ambt en die wellicht in zijn persoonlijk leven ook met tegenslagen te kampen heeft. In een stressvolle periode kan hij onvoldoende weerstand bieden aan de aandacht die hij ontvangt van een pastorant, waardoor hij de grenzen overschrijdt. Deze grensoverschrijding is vaak eenmalig, zeker als er na het incident hulp wordt gezocht.

Mede dankzij het pionierswerk van Marie Fortune op het terrein van de hulpverlening bij en de preventie van seksueel misbruik, heeft deze typering veel weerklank gevonden.[30] Beide typen dader zouden hun eigen motieven hebben en dus ook op een andere manier behandeld en bestraft moeten worden. Vooral het eerste type, de predator, kreeg in de literatuur veel aandacht. Dat versterkte de focus op machtsongelijkheid en machtsmisbruik als verklaringsmodel voor seksueel misbruik. Deze globale typering was echter niet gebaseerd op uitgebreid empirisch onderzoek, maar vooral op bepaalde theoretische veronderstellingen van de auteurs en op de interpretatie van het gedrag van daders door hulpverleners zoals Mary Fortune.

Ongeveer een decennium later mengden academisch gevormde psychotherapeuten zoals Pamela Cooper-White en Andrea Celenza zich in het debat. Zij baseerden hun waarnemingen op de (soms jarenlange) begeleiding van daders die door hun leidinggevenden naar hen doorverwezen waren of die zich vrijwillig gemeld hadden voor psychotherapie.[31] Het onderzoek van Cooper-White en Celenza kan getypeerd worden als een kwalitatief onderzoek naar de psychologische kenmerken en motieven van pastores-daders. Dit kwalitatieve onderzoek nuanceert de rol die aanvankelijk aan de machtsongelijkheid als belangrijkste verklaring werd toegekend en ook de scherpe tegenstelling tussen de predator en de wanderer. In het beeld dat zij schetsen worden in feite elementen uit het predator- en wanderer-type gecombineerd, waardoor het volgende profiel ontstaat:[32]

De ‘gemiddelde’ dader is een man (ca. 90%) van middelbare leeftijd. Hij heeft ruime ervaring als pastor (>20 jaar) en functioneert redelijk tot goed. Zijn slachtoffer is vrouw (ca. 90%). Het misbruik vindt plaats in het kader van pastorale counseling of geestelijke begeleiding (ca. 90%). Het aantal bekende slachtoffers beperkt zich tot 2 of minder. De pastor kent de ethische richtlijnen en is niet ontoerekeningsvatbaar. Ook zijn er geen aanwijzingen dat er sprake is van een ernstige psychische stoornis. Toch overtreedt hij de bekende ethische normen om tegemoet te komen aan zijn eigen emotionele en seksuele behoeften. Soms is er sprake van stressvolle omstandigheden.

In de loop der jaren zijn ook in Nederland de nodige casus in de publiciteit gekomen. Het gaat om predikanten uit onder andere Purmerend (1), Gramsbergen (2), ’s-Gravenpolder (3), Den Haag (4), Oud-Beijerland (5) en Veenendaal (6), die uit het ambt werden ontzet wegens misbruik in pastorale relaties.[33] Berichten uit de media moeten uiteraard met de nodige voorzichtigheid worden gelezen, maar op bepaalde punten bevestigen zij de waarnemingen van Cooper-White en Celenza. De bedoelde Nederlandse pastores waren allen ouder dan 40 jaar en verbonden aan een tweede of latere gemeente, dus ervaren. Op basis van al deze waarnemingen zouden we het volgende fictieve, maar helaas realistische krantenbericht kunnen formuleren:

Op zondag 13 oktober is aan de Protestantse gemeente te Z. bekend gemaakt dat de plaatstelijke predikant Harm S. voor onbepaalde tijd is geschorst. Hij zal niet meer naar zijn gemeente terugkeren. Eerder dit jaar werd bekend dat de predikant een buitenechtelijke relatie onderhield met een gemeentelid. De 53-jarige Harm S. is gehuwd en heeft twee volwassen kinderen. In de gemeente is met verbijstering en ongeloof gereageerd op de gebeurtenissen. De predikant stond goed bekend in zijn gemeente. Gemeenteleden noemen hem een hardwerkende voorganger met grote inzet in het pastoraat. Wat zijn toekomstplannen zijn is niet bekend.

Als we het globale profiel en deze fictieve casus op ons in laten werken, is de meest intrigerende vraag: waarom neemt een ervaren pastor dit enorme risico? Beseft hij niet dat hij door zo te handelen grote schade aanricht bij de pastorant? Ziet hij niet in dat hij bij ontdekking niet alleen zijn werk kwijt is, maar ook zijn gemeente, zijn geloofwaardigheid en mogelijk zijn partner?

Het zou te gemakkelijk zijn om te veronderstellen dat alle daders een psychische stoornis hebben, want dat is empirisch niet aantoonbaar. Bovendien zouden andere pastores zich ten onrechte ‘veilig’ kunnen wanen, terwijl ook zij een zeker risico lopen. In het kwalitatieve onderzoek van Cooper-White en Celenza wordt de verklaring voor het grensoverschrijdende gedrag gezocht in de bijzondere kenmerken van de interactie tussen pastor en pastorant c.q. therapeut en cliënt, dus in de dynamiek die ontstaat in een hulpverleningsrelatie. In deze relatie kan het tot ontsporingen komen als (1) de bijzondere psycho-sociale dynamiek tussen pastor en pastorant, waarbij (2) sprake is van machtsongelijkheid, (3) een geseksualiseerd karakter krijgt.

Het gaat hierbij om een subtiel samenspel van deze drie elementen. Er sprake van machtsongelijkheid (2), maar deze heeft in de pastorale relatie vooral een informeel karakter. De ongelijkheid heeft immers niet zozeer te maken met de formele zeggenschap van de pastor over de pastorant, als wel met diens overwicht, verbale vaardigheden en eventuele charisma. En er is sprake van seksueel contact (3), maar het is de vraag of de ‘gemiddelde dader’ een vooropgezet plan had om het zover te laten komen (in tegenstelling tot de predator). Simpel gezegd: als het de pastor alleen om de seksuele beleving zou gaan, zou hij minder risicovolle manieren kunnen bedenken om aan zijn behoefte tegemoet te komen. Seksueel contact tussen pastor en pastorant is zo evident strijdig met de gangbare ethische normen, dat alleen een ontsporing in de psycho-sociale dynamiek (1) de handelwijze van de pastor afdoende kan verklaren. In de rest van deze paragraaf wil ik daarom in het bijzonder aandacht besteden aan deze psycho-sociale dynamiek.

Volgens Cooper-White en Celenza moeten pastores en therapeuten goed op de hoogte zijn van het optreden van ‘overdracht’ en ‘tegenoverdracht’ in de hulpverleningsrelatie. Onder ‘overdracht’ wordt verstaan: ‘het geheel van gedachten, gevoelens, fantasieën, impulsen en lichamelijke sensaties – bewuste én onbewuste – die bij de pastorant ontstaan in relatie tot de pastor.’ En ‘tegenoverdracht’ betekent in dit verband: ‘het geheel van gedachten, gevoelens, enzovoorts, die bij de pastor ontstaan in relatie tot de pastorant’.[34] In het ingewikkelde samenspel van overdracht en tegenoverdracht kan de pastor behoorlijk verstrikt raken – vaak zonder te beseffen wat er gebeurt. Ik geef drie voorbeelden die ontleend zijn aan het werk van Cooper-White en Celenza.

Sommige pastores (c.q. therapeuten) zijn overgevoelig voor negatieve overdracht, dat wil zeggen ze kunnen moeilijk omgaan met hun gevoelens van teleurstelling als een pastorant (c.q. cliënt) negatief of kritisch op hen reageert. Het gevolg kan zijn, dat ze zich enorm gaan inspannen om aardig gevonden en gewaardeerd te worden. Als de pastorant vervolgens signalen uitzendt die duiden op een behoefte aan geborgenheid en intimiteit, kan de pastor dat opvatten als een uitnodiging om zelf aan deze behoefte tegemoet te komen. De pastor vat dus ‘liefde’ op voor de pastorant om de onbewust ervaren afwijzing te ondervangen. Maar het zou beter zijn als de pastor samen met de pastorant diens (haar) werkelijke behoeften zou proberen te exploreren en als hij bij zichzelf zou onderzoeken waar zijn intolerantie voor kritiek en teleurstelling vandaan komen.

Andere pastores ontwikkelen sterk negatieve gevoelens (haat) en agressie tegenover bepaalde pastoranten of tegen hun werk in het algemeen zonder dat zij zich daarvan voldoende bewust zijn. Omdat ze zichzelf beschouwen als gedreven en zorgzame pastores, kan het zijn dat ze hun negatieve gevoelens omzetten in overdreven aandacht en toenadering tot hun pastoranten. Dit kan op zijn beurt leiden tot grensoverschrijdend gedrag zoals omarmen, knuffelen of strelen. In plaats daarvan moet de pastor zijn eigen agressie en frustratie onder ogen zien en moet hij de pastorant langs de weg van empowerment helpen om goed om te gaan met de behoefte aan intimiteit.[35]

En soms lijkt de pastorant het initiatief te nemen: hij (zij) is zeer emotioneel en lijkt de nabijheid van de pastor te zoeken, zowel emotioneel als fysiek. Bij een pastorant die in het verleden getraumatiseerd is, kan wat zich aan de oppervlakte voordoet als een vraag naar meer nabijheid, in feite echter een andere vraag zijn, namelijk: ‘Hoe reageer jij als ik mijn waakzaamheid laat varen? Ben ik dan veilig bij je of zal jij dan ook mijn grenzen overschrijden en misbruik maken van mijn hulpeloosheid?’. Juist bevlogen en empathische pastores lopen in zo’n geval het risico te reageren met impulsieve, non-verbale reacties, terwijl ze de pastorant op lange termijn alleen helpen door grenzen te stellen en zo de veiligheid in de relatie te bevestigen. Daardoor ontstaat er ruimte om de werkelijke gevoelens en behoeften van de pastorant te exploreren.[36]

Uiteraard kunnen we dit ingewikkelde samenspel van bewuste en onbewuste gevoelens en reacties in dit artikel niet verder in kaart brengen. Een werkelijk diepgaand inzicht in het eigen functioneren kan een pastor eigenlijk alleen verkrijgen, als hij (zij) een supervisietraject volgt. Omdat dit in de Nederlandse setting niet voor iedereen haalbaar is, kan een combinatie van onderwijs, het bestuderen van literatuur en het regelmatig uitvoeren van zelfonderzoek wellicht een gedeeltelijke oplossing bieden.[37] Bij het zelfonderzoek kan men gebruik maken van bestaande vragenlijsten.[38]

Preventie

We hebben hierboven vastgesteld dat de oorzaak van het misbruik in het verleden eenzijdig belicht werd vanuit de veronderstelde machtsongelijkheid tussen pastor en pastorant. Uit recenter en beter onderbouwd onderzoek moet worden geconcludeerd dat de oorzaak van het misbruik primair gezocht moet worden in een ontsporing in de psycho-sociale dynamiek tussen pastor en pastorant. Deze dynamiek verklaart ook waarom pastores die goed op de hoogte zijn van de ethische norm (seksueel contact tussen pastor en pastorant is verboden) toch over de schreef gaan. Theoretische kennis van de gedragscode en van de verwachtingen rond het ambt van predikant blijken geen garantie te bieden tegen misbruik. Deze vaststelling is belangrijk voor het beantwoorden van de vraag naar effectieve preventie. Uit het onderzoek van onder andere Cooper-White en Celenza volgt immers, dat preventie alleen effectief is als de leden van de beroepsgroep niet alleen op de hoogte zijn van de ethische normen, maar ook een rudimentair inzicht hebben in de psycho-sociale dynamiek van de pastorale relatie.[39]

De Protestantse Kerk heeft onlangs opnieuw uitgesproken dat ‘seksueel misbruik zonde is; kwaad in Gods ogen en onrecht tegenover de medemens’.[40] Een kerk die dit uitspreekt, moet er uiteraard alles aan doen om grensoverschrijdend gedrag en seksueel misbruik door pastores te voorkomen. Het is belangrijk dat de leiding van de kerk daarbij een evenwicht zoekt tussen twee typen van maatregelen. Enerzijds zal de kerk als organisatie een aantal formele maatregelen moeten treffen. Anderzijds zal de kerk als plaats waar mensen elkaar ontmoeten en intensief samenwerken, speciale aandacht moeten besteden aan het vergroten van de weerbaarheid van pastoranten en aan het opleiden en nascholen van de pastores. Het moet gaan om de mensen zelf. Formele maatregelen zijn onontbeerlijk, maar als het daarbij blijft, zal er in de praktijk weinig terecht komen van preventie. De kerkleden, de kerkenraden en de pastores moeten zelf doordrongen zijn van de ernst van het probleem. De schade die seksueel misbruik aanricht bij de slachtoffers, de kerkelijke gemeenten en de gezinnen van de betrokken is zeer groot. Dit inzicht dringt meestal pas werkelijk tot pastores en kerkgemeenschappen door, als er zich een incident voordoet. Maar het is de opdracht van de kerkleiding om proactief met dit thema bezig te zijn.

Bij formele maatregelen kunnen we denken aan: het opstellen en publiceren van een beroepscode; het verplicht stellen van een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG); het aanstellen van vertrouwenspersonen; en het opstellen van protocollen, regelingen voor klachtafhandeling en tuchtprocedures.[41] Vanuit het perspectief van de kerkleiding is het aantrekkelijk om aan deze formele maatregelen de meeste aandacht te besteden. Implementatie kost immers relatief weinig inspanning, terwijl het publiek over het algemeen positief reageert.[42] Bij de effectiviteit van zulke bureaucratische en administratieve regelingen kunnen echter de nodige vraagtekens worden geplaatst. Als voorbeelden noem ik het invoeren van een gedragscode en het verplicht stellen van een VOG voor medewerkers en vrijwilligers.

Uiteraard moet iedere grote organisatie en iedere professionele beroepsgroep over een ethische gedragscode beschikken. Uit empirisch onderzoek is echter gebleken dat een gedragscode alleen effectief is, als er aan drie voorwaarden is voldaan:[43]

  1. De gedragscode moet in samenspraak met de gebruikers worden opgesteld, zodat ze zich herkennen in de gekozen bewoordingen en in de voorbeelden die genoemd worden. Ook moet de gedragscode regelmatig worden herzien omdat de beroepspraktijk zich in veel maatschappelijke sectoren razendsnel ontwikkelt. Als de gedragscode te abstract blijft, niet aansluit bij de praktijk, of gedateerd overkomt, zal deze het gedrag van de beroepsgroep nauwelijks beïnvloeden.
  2. De gedragscode moet regelmatig bij de beroepsgroep onder de aandacht worden gebracht. Het heeft weinig zin als alleen tijdens de initiële opleiding aan de code aandacht wordt besteed, want de meeste beroepsbeoefenaren merken pas in de praktijk op welke ethische dilemma’s zij kunnen stuiten.
  3. Er moet toezicht zijn op de naleving van de code. Als de code niet wordt gehandhaafd, dat wil zeggen als er nooit sancties worden opgelegd, blijft de code een dode letter.

De meeste protestantse kerken hebben een gedragscode ingevoerd zonder zich te realiseren hoe belangrijk deze drie randvoorwaarden zijn. Zo is de gedragscode van de Protestantse Kerk in Nederland opgesteld door een selecte groep mensen, niet door een brede vertegenwoordiging vanuit de beroepsgroep; nieuwe ontwikkelingen, bijvoorbeeld rond de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), zijn er nog niet in opgenomen; de gedragscode is geen onderdeel van een vorm van verplichte nascholing; en de code wordt onvoldoende gehandhaafd, onder andere omdat kerkenraden nauwelijks bekend zijn met de code.[44]

Het tweede voorbeeld is het verplicht stellen van de VOG. Onlangs heeft de Protestantse Kerk aangekondigd dat voor medewerkers en bepaalde vrijwilligers de VOG wordt ingevoerd. In de VS is empirisch onderzoek gedaan naar de effectiviteit van registratie en van antecedentenonderzoek bij sollicitaties. Uit dat onderzoek is gebleken dat het effect van registratie van zedendelinquenten beperkt is. De belangrijkste reden is, dat de meeste van hen een blanco strafblad hebben op het moment dat er een klacht over hen binnenkomt. Anders gezegd: als er seksueel misbruik aan het licht komt, gaat het meestal om first offenders.[45] Dat zal bij seksueel misbruik in pastorale relaties niet anders zijn. Het feit dat iemand een VOG krijgt, is dus geen garantie voor de toekomst en biedt in feite alleen schijnveiligheid.

Deze overwegingen brengen ons bij het tweede aandachtsveld als het gaat om preventie: het vergroten van de weerbaarheid van pastoranten[46] en het opleiden en nascholen van de pastores. In dit opzicht valt er nog veel werk te doen. Als we ons beperken tot de pastores, moeten we onderscheid maken tussen hun eigen verantwoordelijkheid en de verantwoordelijkheid van de kerk. Pastores kunnen zelf hun kennis op peil houden door literatuur te bestuderen, vrijwillige nascholing te volgen, een supervisietraject te beginnen en in gesprek te gaan met collega’s. Als ze in een concreet geval twijfelen over de juiste handelwijze, kunnen ze een adviseur, supervisor of therapeut raadplegen.[47] We hebben in de vorige paragraaf gezien dat vooral een rudimentair inzicht in de psycho-sociale dynamiek van de pastorale relatie en regelmatig zelfonderzoek de kans op ernstige misstappen kan verminderen.

Daarnaast moet ook de kerk als instituut voortdurend aandacht besteden aan het functioneren van de pastores die bij haar in dienst zijn. Naar analogie van veel andere beroepsgroepen zou de kerk een vorm van verplichte nascholing met een vast curriculum kunnen invoeren. Dat klinkt ingrijpend gezien de eerdere discussie over nascholing in bijvoorbeeld de Protestantse Kerk, maar het is op dit moment waarschijnlijk de enige manier om ervaren predikanten over de hele linie in contact te brengen met de nieuwste inzichten op het terrein van de beroepsethiek (en met andere ontwikkelingen op hun vakgebied). We hebben gezien dat juist ervaren collega’s een misstap begaan. biedt een verbale een laag is. een kunnen begaan. Daarom houdt de verantwoordelijkheid van de kerk niet op bij de basisopleiding tot predikant.

Conclusies

In de inleiding werd gesteld dat de Me Too-beweging en bijvoorbeeld het rapport van de Southern Baptist Convention, een goede reden zijn ook in Nederland opnieuw onderzoek te doen naar grensoverschrijdend gedrag van pastores. We stelden vast dat tegen Nederlandse pastores minder vaak klachten worden ingediend wegens seksueel misbruik dan tegen hun collega’s in bijvoorbeeld de VS. We hebben dat in verband gebracht met het cultuurverschil tussen Nederlandse en Amerikaanse kerken. Ook zijn er geen aanwijzingen dat er ontsporingen hebben plaatsgevonden die te vergelijken zijn met de affaires rond Yoder en Vanier. Hoewel het aantal klachten relatief laag te noemen is, doen Nederlandse kerken er goed aan hun beleid op dit terrein kritisch te evalueren. De schade die seksueel misbruik aanricht, is immers zeer ernstig voor een grote kring van betrokkenen. We doen daarbij de volgende aanbevelingen:

  1. De omschrijving van het begrip ‘grensoverschrijdend gedrag’ moet zowel in de gedragscodes als in de voorlichting en nascholing nader gepreciseerd worden. Als dat niet gebeurt blijven zowel pastores als pastoranten teveel in het onzekere over wat toelaatbaar is en wat niet.
  2. Over de omvang van het probleem in de protestantse kerken in Nederland is, afgezien van de officiële klachtdenprocedures die het SMPR Meldpunt registreert, weinig bekend. Er is behoefte aan een breder empirisch onderzoek om de werkelijke omvang van het probleem in kaart te brengen. Uit onderzoek in het buitenland is gebleken dat het probleem daar vaak werd onderschat.
  3. Uit kwalitatief onderzoek in het buitenland is ook gebleken dat vooral een gebrek aan inzicht in de bijzondere psycho-sociale dynamiek van de pastorale relatie een risicofactor kan zijn voor pastores. Pastores doen er goed aan zich de inzichten op dit terrein eigen te maken.
  4. De meeste kerken hebben een aantal formele maatregelen getroffen ter preventie van seksueel misbruik in pastorale relaties. De effectiviteit van formele maatregelen wordt echter betwist. Kerken doen er goed aan bepaalde vormen van nascholing en supervisie verplicht te stellen, omdat daarvan het meeste effect mag worden verwacht zowel bij beginnende als bij ervaren pastores.

*In de digitale versie van dit artikel zijn tabellen niet opgenomen.

Noten

[1] NRC, 12-03-2020.

[2] Zie bijv. Mary DeMuth, We Too, Eugene (OR): Harvest House Publishers, 2019.

[3] Nederlands Dagblad, 12-04-2018.

[4] Christianity Today, 22-02-2020.

[5] The Daily Telegraph, 7-10-2014.

[6] Rachel Walter Goossen, ‘The Failure to Bind and Loose: Responses to Yoder’s Sexual Abuse’, www.themennonite.org (link niet meer beschikbaar), 01-02-2015; Karen V. Guth, ‘Doing Justice to the Complex Legacy of John Howard Yoder’, in: Journal of the Society of Christian Ethics, 35 (2015) 119-139.

[7] Christianity Today, 10-06-2019; Trouw, 3-10-2019.

[8] Zie bijv. Jacques Schenderling, ‘Van zwijgcultuur naar zerotolerancebeleid: De reactie van kerkelijke autoriteiten op seksueel misbruik’, in: Religie en Samenleving 12 (2017) 5-21.

[9] R.M. Gula, Just Ministry: Professional Ethics for Pastoral Ministers. New York: Paulist Press 2010, 157; Andrea Celenza, Sexual Boundary Violations: Therapeutic, Supervisory, and Academic Contexts. Lanham (MD): Jason Aronson, 2011, 49.

[10] Beroepscode en gedragsregels voor predikanten en kerkelijk werkers, PKN april 2012, art. A 10.

[11] M.S. Schwartz, ‘Effective Corporate Codes of Ethics: Perceptions of Code Users’, in: Journal of Business Ethics (2004) 323-343.

[12] Vgl. Darryl W. Stephens (ed.), Professional Sexual Ethics: A Holistic Ministry Approach. Minneapolis (MN): Fortress, 2013, 2; Celenza, Boundary Violations, 5.

[13] Gula, Just Ministry, 174.

[14] Margaret De Judicibus, ‘Blaming the Target of Sexual Harassment: Impact of Gender Role, Sexist Attitudes, and Work Role’, in: Sex Roles 44 (2001) 401-417.

[15] Gula, Just Ministry, 163.

[16] Gula, Just Ministry, 164; Karen A. McClintock, Preventing Sexual Abuse in Congregations: A Resource for Leaders. Lanham (MD): Rowman & Littlefield 2014, 35, 144.

[17] Gula, Just Ministry, 172-178.

[18] Gula, Just Ministry, 173; Corrie Roeper, ‘Aanraking van cliënten binnen de geestelijke verzorging: een reflectie vanuit zorgethische invalshoeken’, in: Tijdschrift voor Gezondheidszorg en Ethiek 29 (2019) 48-52.

[19] McClintock, Preventing Sexual Abuse, 80; Carmel Harrison e.a., ‘“We’re people who don’t touch”: Exploring clinical psychologists’ perspectives on their use of touch in therapy’, in: Counselling Psychology Quarterly 25 (2012) 277-287; Pamela Cooper-White, Shared Wisdom: Use of the Self in Pastoral Care and Counseling. Minneapolis (MN): Fortress, 2004, 117, 129.

[20] Gula, Just Ministry, 172-174; Celenza, Boundary Violations, 6, 17, 31.

[21] Vgl. Harrison, ‘“We’re people who don’t touch”’, 283-286.

[22] Vgl. Schenderling, Beroepsethiek voor pastores, Budel: Damon, 2010, 213-214.

[23] Thaddeus Birchard, ‘Clergy sexual misconduct: Frequency and causation’, in: Sexual and Relationship Therapy 15 (2000) 127-139.

[24] J. Thoburn e.a., ‘Clergy Affairs: Emotional Investment, Longevity of Relationship and Affair Partners’, in: Pastoral Psychology 52 (2004) 491-506.

[25] Mark Chaves e.a., ‘The Prevalence of Clergy Sexual Advances toward Adults in Their Congregations’, in: Journal for the Scientific Study of Religion, 48 (2009) 817-824.

[26] Diana R. Garland e.a., ‘How Clergy Sexual Misconduct Happens: A Qualitative Study of First-Hand Accounts’, in: Social Work & Christianity, 37 (2010) 1-27.

[27] Website van de SMPR: https://www.smpr.nl

[28] Deze schatting is ontleend aan openbare bronnen zoals jaarverslagen, landelijke websites of websites van gemeenten waar het aantal dienstdoende voorgangers genoemd wordt. Protestantse Kerk in Nederland: 1543 (2018); Bond van Vrije Evangelische Gemeenten in Nederland: 11 (2020); Oud-Katholieke Kerk van Nederland: 31 (2020); Remonstrantse Broederschap: 40 (2020); Doopsgezinde Broederschap: 45 (2020); Evangelische Broedergemeente Nederland: 7 (2020); Apostolisch Genootschap: 99 (2018); Leger des Heils: 60 (2018); en Zevende-dags Adventisten: 23 (2020).

[29] J. Poling, The Abuse of Power: A Theological Problem. Nashville (TN): Abingdon Press 1991; A. Shupe (ed.), Wolves within the Fold: Religious Leadership and Abuses of Power. New Brunswick (NJ): Rutgers University Press, 1998.

[30] Marie M. Fortune, Is Nothing Sacred? When Sex Invades the Pastoral Relationship. San Francisco (CA): HarperCollins, 1992; Joe E. Trull e.a., Ethics for Christian Ministry: Moral Formation for 21st-Century Leaders. Grand Rapids (MI): Baker Academic, 2017, 158-159; Gula, Just Ministry, 163-164; McClintock, Preventing, 125-130; John F. Shackelford e.a., ‘Sexual Misconduct and the Abuse of Power’, in: Randolph K. Sanders (ed.), Christian Counseling Ethics: A Handbook for Psychologists, Therapists and Pastors. 2nd ed., Downers Grove (IL): IVP Academic, 2013, 111-138.

[31] Cooper-White, Shared Wisdom, 2004; en Celenza, Boundary Violations, 2007.

[32] Garland, ‘How Misconduct Happens’, 3-7; 18; Celenza, Boundary Violations, 3-14; 47-48; Cooper-White, Shared Wisdom, 101, 106

[33] (1) Trouw, 31-01-1996; (2) Reformatorisch Dagblad, 16-07-1998; (3) Omroepzeeland.nl, 21-122001; (4) Kerk in Den Haag, april 2011; (5) Reformatorisch Dagblad, 27-01-2016; (6) Nederlands Dagblad, 07-04-2019.

[34] Cooper-White, Shared Wisdom, 5; Celenza, Boundary Violations, 165.

[35] Celenza, Boundary Violations, 31, 37-38, 47-51, 152-157, 191-200; Cooper-White, Shared Wisdom, 23-24.

[36] Cooper-White, Shared Wisdom, 146-156, 179.

[37] Cooper-White, Shared Wisdom, 70-73, 128, 173-176; Celenza, Boundary Violations, 39-41, 185-186.

[38] Een goede vragenlijst is te vinden in: Celenza, Boundary Violations, 201-210.

[39] Birchard, ‘Clergy sexual misconduct’, 136-138; Thoburn, ‘Clergy Affairs’, 501-505; Katheryn Rhoads Meek e.a., ‘Sexual Ethics Training in Seminary: Preparing Students to Manage Feelings of Sexual Attraction’, in: Pastoral Psychology 53 (2004), 63-79; Cooper-White, Shared Wisdom, 8; Gula, Just Ministry, 184-188.

[40] Werk aan de schuilplaats!, 25.

[41] Vgl. Werk aan de schuilplaats!, 25.

[42] Vgl. David Finkelhor, ‘The Prevention of Childhood Sexual Abuse’, in: The Future of Children, 19 (2009), 169-194.

[43] Vgl. Jacques Schenderling, ‘Beroepsethiek voor pastores: een update’, in: Kerk en Theologie 66 (2015) 350-353.

[44] Beroepscode, PKN, 2012.

[45] Finkelhor, ‘Prevention’; Trull, Christian Ministry, 171-172.

[46] Garland, ‘How Misconduct Happens’, 24; Boyung Lee, ‘Teaching Sexual Ethics in Faith Communities’, in: Stephens (ed.), Professional Sexual Ethics, 125-135.

[47] Cooper-White, Shared Wisdom, 90-91; Trull, Christian Ministry, 170.

< Terug