< Terug

De oren der doven ontsloten

Bij Jesaja 35,1-10 en Marcus 7,31-37

Jesaja 35 is, afgezien van het danklied van Hizkia, het laatste hoofdstuk van de Eerste Jesaja. Het volgt op een gedeelte dat wel wordt opgevat als een wereldgericht. Met die zwarte nacht kan het boek niet afsluiten. Niet vernietiging, maar heil is het laatste woord van de Heer. Heil voor de zijnen, voor de verlosten en vrijgekochten, voor de reinen van hart, voor degenen die gaan op de weg van de Tora.

‘De woestijn en het dorre land zullen zich verblijden’ (Jesaja 35,1); dit is, samen met Jesaja 35,2, een beeld van de messiaanse tijd waarin de heerlijkheid en de luister van Israëls God over de volkeren zullen opgaan. In Jesaja 35,3-4 worden wie nu nog ballingen zijn bemoedigend toegesproken. Aan wie alle moed ontzonken is, wordt toegeroepen sterk te zijn en te vertrouwen op hun God die komen zal met wraak en vergelding.

Een God die onrecht wreekt

De God van Israël is een God der wrake. Hij wreekt het onrecht dat door machtigen aan kwetsbare mensen is aangedaan. Deze wraak, keerzijde van zijn liefde, is een eschatologische categorie: uiteindelijk zal recht gedaan worden. Dat is de hoop en het geloofsvertrouwen van allen die gaan op de weg (Jesaja 35,8). Het is ook de hartstocht van de christelijke gemeente: een wereld waarop gerechtigheid woont. Dat de wraak alleen aan God toekomt, betekent dat ons mensen geen andere weg overblijft dan het kwade te overwinnen door het goede (Romeinen 12,21). Uiteindelijk heil en uiteindelijk recht liggen buiten ons bereik.
‘Dan zullen de ogen der blinden geopend en de oren der doven ontsloten worden’ (Jesaja 35,5). Het volk Israël is doof en blind (Jesaja 43,8), zijn ogen, de profeten, zijn toegesloten (Jesaja 29,10), maar wanneer de Libanon in een gaarde verandert zullen de doven schriftwoorden horen en zullen de ogen der blinden van duisternis worden verlost. Het gaat om doofheid en verblinding voor het Woord van God en de weg die Hij wijst, een gesteldheid waarvoor de Schriften het begrip ‘dwaasheid’ (Jesaja 35,8; Psalmen 14,1) hebben gereserveerd. Wanneer het Messiaanse Rijk komt zullen ogen niet meer verblind zijn, oren zullen opmerken, dwaasheid (onbezonnenheid) zal verdwijnen en de tong der stamelaars zal in staat zijn tot duidelijk spreken (Jesaja 32,1vv.). Kortom, dan zal de lamme springen als een hert en de tong van de stomme zal jubelen (Jesaja 35,6). In Jesaja 35,7 wordt het uiteindelijke heil ingekleurd met beelden die doen denken aan Jesaja 11 en die hier op deze plaats het tegenbeeld zijn van Jesaja 34,13.

Terugkeer naar Sion langs de heilige weg

Het heil waarvan in ons tekstgedeelte sprake is, is terugkeer uit ballingschap langs ‘een gebaande weg, die de heilige weg genaamd wordt’ (Jesaja 35,8), en herstel van Sion (Jesaja 35,10). Deze heilige weg naar Sion zal alleen betreden worden door hen ‘die de weg gaan’ (Hebr.: holeekh badèrèkh), die mensen ‘van de weg’ (vgl. Handelingen 9,2!) zijn, ‘geen onreine zal die betreden’ (Jesaja 35,8). Wat de onreinheid is die de nabijheid van Israëls God niet verdraagt, valt te lezen in Jesaja 33,15 en Psalm 15. Ook Jesaja 52,1 en Openbaring 21,27 kennen de gedachte die in Jesaja 35,8 wordt uitgesproken. Deze lijkt op gespannen voet te staan met het universalisme van Jesaja 2,1-2, Jesaja 60,5-7 en Jesaja 66,23. Toch lijkt mij dat slechts schijn te zijn. Hier in ons tekstgedeelte is de aandacht allereerst gericht op de versaagden van hart, de bijna gebroken ballingen die worden gewroken: opgericht en thuisgebracht, een verlossing die geduid wordt als vrucht van het vasthouden aan datgene wat geen oor gehoord en geen oog gezien heeft en waarvoor hun in het uur van de vervulling van Godswege oor en oog geopend werd. Op deze ‘vrijgekochten des Heren’ (Jesaja 35,10) ligt hier het accent, op laatsten die eersten worden, op de wrake Gods. Elders gaat het om het visioen van een wereld waarop gerechtigheid woont. Deze twee dingen liggen in elkaars verlengde, maar zijn niet hetzelfde.

Gods Rijk nabijgekomen in Jezus

In het evangelie maakt Jezus een merkwaardige reis. Hij reist behoorlijk om. Hij begeeft zich onder de heidenen, onder hen dus die gelden als doof en blind voor – of in elk geval onbekend met – het Woord van Israëls God en voor de weg die Hij wijst. Ook de scharen en zijn leerlingen blijken trouwens doof en blind, zoals blijkt uit het verband waarin ons tekstgedeelte staat. Nu dan dit verhaal over de genezing van een doofstomme niet-jood. Genezingen van dit type waren genoegzaam bekend, dit was gangbare geneeskunst in die dagen. Marcus vertelt dit verhaal dan ook niet om deze reden. Die dove en sprakeloze heiden laat zien dat Jezus’ boodschap de grenzen van het jodendom overschrijdt. Het eerder genoemde universele perspectief van Jesaja licht op. In het optreden van Jezus wordt heil aan de volkeren gebracht. Die dove heiden zijn u en ik. Bij Jesaja zijn het openen van oren en ogen en het doorbreken van verlamming tekenen van de doorbraak van de messiaanse werkelijkheid. Marcus verkondigt in het begin van zijn Evangelie dat deze werkelijkheid nabijgekomen is (Marcus 1,15). De genezingen die Jezus verricht, zijn illustraties van deze boodschap en vertellen dat in Jézus dit Rijk van God nabijgekomen is. Dáárvoor wordt de dove de oren geopend en worden ook onze dove oren geopend.

Waar dat gebeurt, gebeurt er iets wonderlijks. Een levensvernieuwing en -verandering die verbazingwekkend is: ‘en zij waren buiten zichzelf van verbazing’ (Marcus 7,37). Zo iemand doet wat hij zegt en brengt voortaan God ter sprake: ‘en terstond werd de band van zijn tong los en hij sprak goed’ (Marcus 7,35). Hij/zij is een nieuwe schepping, hij/zij is een holeekh badèrèkh (Jesaja 35,8), een mens ‘van de weg’. De omstanders zeggen van Jezus: ‘Hij heeft alles wèl gemaakt’ (Marcus 7,37).

Bij Jesaja 35:1-10 en Marcus 7:31-37

< Terug