< Terug

De rechtvaardige koning der armen

Epifanie (Jesaja 60:1-6, Psalmen 72 en Matteüs 2:1-12)

Matteüs en Lucas vertellen in hun eerste hoofdstukken hetzelfde verhaal met een verschillende cast en een verschillend decor. Ten opzichte van Lucas laat Matteüs de outsiders van verder komen: de magiërs in plaats van de herders. Maar de machthebber met zijn agenda van zelfhandhaving is juist dichterbij: Herodes in plaats van Augustus. De engelen van Matteüs doen vooral nawerk, terwijl ze bij Lucas voorwerk doen – ze kondigen niet aan wat er komt, maar leiden met hun boodschappen in banen wat scheef dreigt te lopen.

In de dagen voorafgaand aan Epifanie 2019 spoelde de inhoud van een groot aantal overboord geslagen zeecontainers aan op de Waddeneilanden. Een feest voor de jutters, maar een ramp voor de stranden, die bezaaid lagen met plastic producten uit het Verre Oosten. Op die zondag luidde de aanvangstekst in de Amelandse kerk waar ik voorging: ‘De schatten van de zee zullen je toevallen, de rijkdom van vreemde volken valt je in de schoot’ (Jesaja 60:5b). Het was voor mij reden om nog eens diep na te denken over de ‘geschenken’ waarvan sprake is in drie van de teksten voor deze dag en met name ook in Matteüs 2.

Symbolische geschenken

In de Hebreeuwse Bijbel worden geschenken soms breed uitgemeten: wat Abimelech aan Abraham meegeeft (Genesis 20:14.16), wat Jakob vooruitstuurt naar Esau (Genesis 32:14-22), wat Abigaïl, de vrouw van Nabal, voor David meebrengt (1 Samuël 25:18), wat de koningin van Seba aan Salomo schenkt (1 Koningen 10:2). Het is meestal heel veel en heel kostbaar, en soms zijn het verzoeningsgebaren. Ook de ‘driekoningenprofetie’ van Jesaja 60 schildert het beeld van grote hoeveelheden levende have en kostbaarheden, en Psalmen 72 doet dat impliciet door de geschenken ‘schatting’ te noemen, vazallenbelasting in natura. De magiërs die in Matteüs 2 opdraven om zulke profetieën in herinnering te roepen, worden in de schilderkunst meestal afgebeeld met kleine, maar kostbare vaasjes of kistjes als houders voor mirre, wierook en goud. Ze overladen Jezus niet met kameelvrachten aan kostbaarheden – het blijft klein en symbolisch. Hun geschenken komen sterker overeen met het idee dat wij nu bij een cadeau hebben: het gaat niet om de massa, maar om het idee. Maar… dat is hoe de christelijke kunst het verbeeldt. Hoe de auteur het voor ogen had, kunnen we niet meer nagaan. In ieder geval schildert hij Jezus en zijn familie niet als mensen die na dit tafereel baden in weelde. De magiërs symboliseren de volkerenwereld die Israëls Messias verwelkomt, terwijl Israël zelf nog niets doorheeft. Dat is een kritisch geluid dat juist Matteüs misschien in zijn joodse milieu wil laten klinken. Lucas, die meer rekening houdt met niet-joodse lezers, beklemtoont in zijn proloog en met zijn lofzangen juist het reikhalzend uitzien en de jubelende verwelkoming door representanten van de Hebreeuwse Schriften.[1]

Magiërs van verre kwamen in beweging

Het verhaal vertelt dat de kosmos en Tenach beide getuigen van de komst van de Messias, en de magiërs hebben beide nodig om Hem te vinden: de ster én de woorden van de profetie. Zo je wilt: Bijbel en astrologie hebben elkaar in Matteüs 2 nodig. Maar vooral is van belang dat de magiërs in beweging zijn gekomen om het spoor te volgen, en dat ze in beweging blijven. Binnen het verhaal hebben de priesters en schriftgeleerden in Jeruzalem per saldo dezelfde informatie, maar ze blijven zitten waar ze zitten. Het zou de moeite waard zijn om dat gegeven te vertalen naar onze eigen context. De boodschappen van het universum en de Schriften komen voortdurend tot ons, we hebben informatie te over en aan urgentie ontbreekt het niet – maar de vraag is of dat ons ertoe brengt om van onze plek te komen. Wie in Jeruzalem woont en denkt dat zijn eigen woonplek de navel van de wereld is, volgt geen spoor en doet geen ontdekkingen meer. Dat mogen we ons ook aantrekken als zinnebeeld van onze kerkelijke situatie: Betlehem ligt vlak naast Jeruzalem en dáár gebeurt het, maar mensen uit de verte hebben dat eerder in de gaten dan de zelfgenoegzame inwoners van de heilige stad.

Twee scheppingsverhalen

Ieder jaar verschijnen er wel weer populair-astronomische artikelen in kranten over de ster of supernova of komeet die de magiërs zouden hebben gevolgd. Maar bij een gidslicht dat boven een bepaald huis in Betlehem kan blijven stilstaan, zou je eerder aan een drone moeten denken. En dat huis – dat is dus niet de stal met de kribbe, want in Matteüs was Betlehem gewoon de woonplaats van deze Davidsfamilie. De reis die bij Lucas aan de geboorte voorafging, vindt bij Matteüs ná de geboorte plaats, en Nazaret wordt de nieuwe woonplaats uit veiligheidsoverwegingen. Dat is altijd weer een toer na alle kerststallen en kerstliederen: Lucas en Matteüs ontvlechten. Het zijn, parallel aan Genesis 1-2, twee scheppingsverhalen die elk een zinvol eigen spoor volgen. Net als in Matteüs 2 komen ook in Psalmen 72 de kosmos en de Schriften samen. Alles gaat groeien en bloeien rondom de koning die de Tora naleeft, de koning van de armen die gerechtigheid doet. Bergen en heuvels, zon en maan, zee en rivieren, akkers en bossen – alles voegt zich rondom een koningschap dat enkel wordt gekarakteriseerd door verlossing, bevrijding, ontferming en rechtvaardig bestuur. Een koning van de kleine mensen als middelpunt van de wereld, erkend door alle volkeren. In Matteüs 2 wordt dat lied van verlangen uitgespeeld.

Deze exegese is opgesteld door Piet van Veldhuizen.

Voetnoot

[1] Zie mijn opmerkingen over Lucas 1-2.

< Terug