< Terug

De roeping van Elisa

Bij 1 Koningen 19,19-21

Roepingen verlopen in Tenach soms spectaculair, bijvoorbeeld die van Samuel (1 Sam. 3), Jesaja (6,1-13), Jeremia (1,4-19) en Ezechiël (1-3). De geroepene twijfelt vaak eerst en sputtert tegen. Dat doet ook Mozes (Ex. 3,11.13 en 4,1-17). Jona maakt het nog bonter: hij onttrekt zich aan zijn roeping door precies de andere kant op te gaan dan waar JHWH hem heen stuurt (Jona 1,3). En als hij uiteindelijk toch naar Nineve gaat, heeft hij geen enkel vertrouwen in zijn opdracht (Jona 3-4).

Elia daarentegen wordt niet geroepen, maar wandelt bijna ongemerkt het verhaal binnen en begint tegen koning Achab te profeteren. Pas daarna komt het woord van JHWH tot hem (1 Kon. 17,1-6). Hij heeft dan ook geen boek op zijn naam staan, zoals andere profeten. Hoe verloopt ‘de roeping van Elisa’ eigenlijk, zoals het opschrift luidt van de tekst van vandaag (NBG ’51; Willibrordvertaling 1987)?

Een prachtmantel

In de spelonk bij de berg Horeb heeft JHWH Elia de opdracht gegeven om twee mannen tot koning te zalven en Elisa ben Safat tot profeet in zijn plaats (1 Kon. 19,16). ’Elisja‘ betekent: ‘mijn God redt’ en de naam van zijn vader, sjafath, betekent: ‘hij spreekt recht’ of: ‘hij richt’. Die naam alleen al geeft dus hoop. Elia gaat weg van de spelonk en ‘vindt’ eerst deze Elisa. Die blijkt een geweldenaar, want hij is met twaalf span (runderen) voor zijn aangezicht aan het ploegen en is zelf bij het twaalfde. De NBV heeft, door het enkelvoud van het Hebreeuws (en het Grieks) met een meervoud te vertalen, deze mogelijke Hercules-interpretatie weg vertaald: ‘Ze waren aan het werk met twaalf span ossen’. Tom Naastepad interpreteert dit ploegen van Elisa zinnebeeldig als een ambacht van ontginning en een werk van vrede, waarin het zwaard is omgesmeed. ‘En de twaalf koppels herinneren aan de twaalf erven van het land; tezamen zijn ze geen imperium, maar een federale unie van kweekplaatsen van de gerechtigheid.’ 11 Elia ‘loopt’ niet ‘op Elisa af’ (NBV), maar ‘trekt over langs hem’, zoals JHWH bij de Horeb aan Elia ‘overtrekt’ ‘in een stem van een dun zwijgen’ (19,11-12). Hetzelfde Hebreeuwse werkwoord ‘awar wordt gebruikt voor het overtrekken (of oversteken) van de Jordaan door het droge, wat Elia en Elisa zullen doen vlak voor Elia’s hemelvaart (2 Kon. 2,8-9). Opmerkelijk genoeg roept of zalft Elia Elisa niet, maar werpt hij zijn mantel op hem (19,19). Het zeldzame Hebreeuwse woord ’adèrèt betekent: 1. ‘pracht, heerlijkheid’ (vgl. Ps. 8,2; Ez. 17,8) en 2. ‘prachtkleed, statiekleed’ (Jona 3,6). In de Elia-Elisa-cyclus komt het vijf keer voor in de betekenis van (profeten)mantel: twee keer in dit hoofdstuk (19,13.19) en drie keer opnieuw bij de hemelvaart van Elia, waar Elia en Elisa ermee slaan op het water van de Jordaan (2 Kon. 2,8.13.14).

Elia verlaat vervolgens de runderen, rent achter Elia aan en vraagt hem: ‘Laat me toch mijn vader en mijn moeder kussen en ik zal achter jou aangaan’ (19,20a). Door te vertalen: ‘Laat mij afscheid nemen van mijn vader en moeder’ onthoudt de NBV haar lezers het contrast dat hier wordt geschetst met het ‘kussen van Baäl’ (19,18). Elia antwoordt raadselachtig: ‘Nee, ga, keer terug, want wat doe ik je aan?’ (19,20b). Sommigen leggen dit zo uit: ga maar terug naar huis, want je beseft niet wat je hebt gedaan. Daarbij wordt dan gedacht aan wat Jezus zegt (Luc. 9,61-62): ‘Niemand die de hand aan de ploeg slaat en ziet naar hetgeen achter hem is, is bekwaam tot het Koninkrijk van God.’ Naastepad denkt niet dat Elia zijn opvolger een verwijt maakt en dat we het ‘wat doe ik je aan?’ niet te dramatisch moeten opvatten. Het zou eerder bedoeld kunnen zijn als twijfel van Elia over zijn eigen daad: ik heb dan wel mijn mantel over je geslagen, maar dat is niet dwingend. Ga, doe wat je denkt te moeten doen; het is JHWH die zich zijn profeten stelt voor zijn aangezicht, mij ontvalt elke greep op de historie. De zeer vrije vertaling van de NBV sluit hierbij aan: ‘Doe wat je wilt,’ zei Elia. ‘Ik dwing je nergens toe.’

Hij gaf het volk te eten

Met het kussen van zijn vader en moeder wil Elisa vasthouden aan het ‘Eer je vader en je moeder’ (Ex. 20,12), zoals hij met het werken op het land de maker van het zaad dient. Dat is het tegendeel van het dienen van de Baäl, wat Achab doet: het aanbidden van de vruchtbaarheid (1 Kon. 16,30-33). Elisa bezegelt zijn afscheid met een gemeenschapsmaal. Hij neemt een span runderen, slacht het, kookt het vlees met het gerei van de runderen, geeft het aan het volk ‘en ze aten’ (19,21). De NBV zwakt opnieuw een tegenstelling af met haar vertaling: ‘en bood het zijn knechten aan’. Door ha ‘am (= het volk) te vertalen met: ‘zijn knechten’ en ‘en zij aten’ weg te laten, valt de redding die deze maaltijd brengt voor het volk Israël weg. Er was immers droogte en hongersnood in het land geweest (1 Kon. 17,1.7.12; 18,1-2) en Elia heeft na het wonder op de Karmel (18,20-46) van JHWH regen afgesmeekt. Bij dat wonder op de Karmel waren ‘alle Israëlieten/ heel het volk’ uitdrukkelijk als getuige en medewerker aanwezig geweest (18,21.22.24.30.31.36.39) en nu spijzigt Elisa hen op wonderbaarlijke wijze.

Net als bij Elia is er bij Elisa nauwelijks sprake van een roeping van buiten. Ook is Elia’s rol bij Elisa’s roeping beperkt, terwijl Elisa zelf opvallend ijverig is. Misschien is het voor hen beiden zoals Naastepad schrijft: ‘Roeping houdt in dat men dingen doet die men niet laten kan.’

< Terug